(reclame)


Je recente CD, DVD, plaat of boek gerecenseerd op onze website? Stuur deze dan naar de hoofdredactie!
Your recent CD, DVD, record or book reviewed on our website? Send it to our editor-in-chief!

 

CD Recensies

18 januari 2018

HAVE A BALL/ THE CABLE BUGS
Wolverine Records, WRR 225

Duitsland lijkt het patent te hebben op rockabillybands met een modern geluid en deze Cable Bugs vormen daarop geen uitzondering: het tweede studio album van het in 2002 in de regio Aken/ Eupen (wat betekent dat ze ook een Belgisch staartje hebben) opgerichte kwartet is gebaseerd op gitaarwerk dat soms rock en soms rhythm ‘n’ blues is maar steevast rock ‘n’ roll klinkt. Pittig, een dikke vette sound met twee elektrische gitaren, repetitieve grooves, veel Bo Diddley beat, een vleugje Stray Cats en een streepje bijna maar net geen psychobilly (Screams Of Fear), dat zijn de ingrediënten waarmee The Cable Bugs hun rockabilly kruiden. Geen enkele van de 12 eigen songs (+ 1 herneming: Roy Brown’s Black Diamond krijgt een rockabillycover) is rechtlijnig want de songs bevatten steevast gevarieerde ritmes en veel tempo- en stijlwisselingen. Daarnaast breken ze uit hun hokje met dat minuutje akoestische zigeunerswing waarmee de CD opent, het rustige Wandrin’ Around is gebaseerd op een jazzy doo-wop melodie, I Want Boogie Baby is bluesbop met gast mondharmonica, en Spock Rock is een space rock ‘n’ roll nummer met een flard Star Trek thema in de solo. Het enige wat ontbreekt en wat je meestal wel bij dit soort Duitse bands hoort is een countryachtig nummer, maar net zoals veel van die Duitse bands is dit zo professioneel en vakkundig gebracht dat ik er weinig op te kritikasteren heb. Wie zijn rock ‘n’ roll graag anno 2018 in plaats van anno 1958 heeft zit bij The Cable Bugs dan ook zeker aan het juiste adres. Samengevat: de muziek is gelukkig mooier dan het hoesje! Ook uit op vinyl, zo lees ik op www.thecablebugs.de. Info: www.wolverine-records.de. Nederlandse verdeling via www.sonicrendezvous.com (Frantic Franky)


THAT’LL FLAT GIT IT VOLUME 28:
ROCKABILLY & ROCK ‘N’ ROLL FROM THE VAULTS OF WARNER BROTHERS AND REPRISE RECORDS

Bear Family, BCD17538

Vinger in de lucht wie de complete That’ll Flat Git It reeks van Bear Family heeft? Hmm, dat zijn er minder dan we dachten. Ten onrechte, want wie alle delen in huis heeft, heeft zowat het allerbeste van de major label rockabilly netjes op een rijtje, met dien verstande dat het dus alleen de grote labels betreft en niet de kleine labels die slechts een handvol releases kenden, al zit er ook altijd “small label” stuff tussen want die grote labels kochten vaak kant en klare masters over van kleine labels. Daarnaast dien je in herinnering te houden dat de term “rockabilly” hier dient geïnterpreteerd in zijn ruimste betekenis van blanke rock n’ roll - vandaar wellicht de toevoeging van het woordje “rock ‘n’ roll” in de titel. Je zou verwachten dat ze na 27 volumes zo onderhand wel alle labels gehad zouden hebben maar niets is minder waar: daar is volume 28, gewijd aan Warner Bros en WB sublabel Reprise. De naam Warner Bros doet meer aan films als aan platen denken en dat klopt want het in maart 1958 opgestarte label was een offshoot van de bekende Warner Bros filmstudio en alleen al die datum maart 1958 geeft aan dat WB de start van de rock ‘n’ roll boot heeft gemist. Boot gemist, dan maar op de trein springen en uiteraard deed WB er alles aan maar initieel zonder succes: pas als in november 1959 The Everly Brothers overkomen van Cadence Records haalt WB hits in huis zoals hun waarlijk fabelhafte Temptation, hier te aanhoren in al zijn majestueuze glorie. Allicht dachten ze begin 1960 met Bill Haley nog een hoofdvogel binnen te halen maar die had sinds Skinny Minnie in 1958 geen Top 40 notering meer gehad en WB kon het tij niet doen keren. Tja, Bill Haley die in 1960 Blue Suede Shoes covert wijst toch op bloedarmoede, niet? Nee, dan hoor ik bompa Bill liever in zijn beste schoolfrans in het nonsensikale Let The Good Times Roll Creole of in een sleazy jazzy nummer als Hawk, voor mij het beste van de drie Bill Haley & the Comets nummers hier. Sleazy, het woord is gevallen, en dat adjectief slaat samen met “sensueel” en “mysterieus” op best veel van de royale 30 tracks op deze compilatie, bijvoorbeeld op Shelly Dane’s Hannah Lee (medium tempo mysterieus, zo’n beetje een voorloper van de popcorn), alsmede op The Swing, Bandstand Doll en Sugar, drie Johnny Carroll tracks hier. De instrumentale Rag Mop van The Spinners (eigenlijk gewoon het melodietje van Rag Mop uptempo gespeeld en gelardeerd met domme uitroepen erover) is trouwens de band die Johnny Carroll begeleidt op die drie songs. Nog meer instrumentals zijn de roestige gitaar/piano boogie The Choke van Johnny Zorro, de proto surf gitaar instro Road Hog van diezelfde Johnny Zorro met King Curtis sax, en Forbidden City van John Buck (onder zijn echte naam Barry DeVorzon auteur van Johnny Burnette’s Dreamin’) & the Blazers in een stijl die ik slechts kan pogen te omschrijven als The Champs meet Link Wray meet exotica meester Arthur Lyman.
Bekende namen van de tweede orde op WB en Reprise zijn Troyce Key (het snappy rockend Watch Your Mouth met Eddie Cochran op gitaar), Sammy Masters (het indianenwerkstuk Rockin’ Red Wing) en Bob Luman, met Buttercup een teen crooner van het zuiverste water met op gitaar Roy Buchanan die het jaar 1959 lichtjaren vooruit is. Teen crooner, jawel: luister naar Luman’s cover van Sanford Clark’s The Fool, sneller en met scherpere gitaar maar helaas ook met violen en een vrouwenkoortje. En toch: plots duikt ie daar dan weer op met een prima rocker als Loretta. Nog een bekende naam op WB, zij het geen rock ‘n’ roll naam, is Nashville studio drummer Buddy Harman. Zijn instrumentale Drum Twist houdt opnieuw het midden houdt tussen sleazy en sensueel maar is geen twist en bevat geen drumsolo, wat je toch zou verwachten.
Wat staat hier nog op? De filmversie van Charlie Gracie’s Cool Baby die in de jaren ’50 enkel op een promo-LP voor radio DJ’s stond, een cover van Sandy Nelson's drum ouverture Teen Beat door het orkest van Don Ralke, en een stevige en verrassend moderne rock ‘n’ roll cover van Saturday Night Fish Fry door Eddie (Cole, de oudste broer van Nat King Cole) & Betty. Billy Land brengt met Shimmy Shake een gemelijk stukje teen rock in de positieve zin van het woord, en in negatieve zin wordt dat platte troep als Girl Machine door Johnny Walsh. Laat ik het erop houden dat I Wanna Rock van Johnny Sardo (een broer van de bekendere Frankie Sardo) de gulden middenweg is qua teen rock. Kenmerkend voor de periode van eind ’50 begin ’60 zijn de vele stroll tempo’s zoals She’s Sumpin’ Else en de Baby Please Don’t Go cover van 2x opnieuw Troyce Key. En Lucille van The Everly Brothers is toch ook een stroll? Zeker vermeldenswaard zijn tot slot twee monster rock ‘n’ roll nummers: Monster Movie Ball is machtig mooie big band rock ‘n’ roll van jaren ’40 novelty koning Spike Jones – zij het zonder diens gebruikelijke toeters en bellen - en het compleet van de pot gerukte doo-woppende Monster Twist door Tyrone A’Saurus & his Cro-Magnons waarachter Stan Ross schuilging die nog meer novelty uitbracht.
Eindoordeel van onze volksjury: rockabilly staat hier niet op, wel een opmerkelijke collectie niet voor de hand liggende rock ‘n’ roll. Het booklet van Bill Dahl bevat maar liefst 69 pagina’s! Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)

LP Recensie

I CAN’T SEEM TO SAY GOODBYE/
JERRY LEE LEWIS

Bear Family, BAF18027

Eerder recenseerden wij al de LP In The Beginning, nu is het tweede deel van dit tweeluik uit en dat tweede deel focust op JLL’s country kant, al is die lijn bij JLL zo dun dat hier minstens evenveel, zo niet méér rock ‘n’ roll op staat als op In The Beginning. De songtitels alleen al verraden dat, maar dit zijn dus niet de geijkte Sun versies, nee, dit zijn alternatieve versies die nooit eerder op vinyl verschenen en waarvan slechts drie van de 14 songs het daglicht zagen vóór de rest van dit materiaal voor het eerst boven water kwam in 2015 op de 18 CD-doos Jerry Lee Lewis At Sun Records, The Collected Works: What The Hell Else Do You Need? die waarlijk élke noot van JLL op Sun bij elkaar bracht van november 1956 tot hij in eind augustus 1963 definitief de deur van Sun achter zich dichttrok. Daarmee was JLL de Sun artiest die het langst voor het mythische gele label opnam en die bovendien zo goed als in de studio kampeerde, wat verklaart dat er zoveel onuitgebracht materiaal was: de band liep namelijk altijd mee als JLL zijn mond opendeed en hij deed die altijd open want hij was zoals bekend een brutaaltje – Jerry Lee is de enige mens ter wereld die ermee wegkwam Hank Williams’ I Can’t Help It (If I’m Still In Love With You) op te nemen als You Can’t Help It (If You’re Still In Love With Me), in de Version 2 Take 1 versie hier ook uptempo rock ‘n’ roll. Dat de meeste van deze 14 nummers van begin jaren ’60 stammen maakt dan ook niet uit: JLL bleef altijd JLL. Ter zake: Old Black Joe Take 1 is rustiger, laten we zeggen meer medium tempo dan de bekende uitvoering, heeft een totaal andere solo en géén vrouwenkoortje, en ook Bonnie B Take 7 is ietsje trager. Ook Carry Me Back To Old Virginia Take 1 is medium tempo rock ‘n’ roll, net als uiteraard een snellere Good Golly Miss Molly Take 1 met sax en met de vrouwenkoortjes meer naar de voorgrond. Sweet Little Sixteen is Version 1 uit 1960 met Yakety Sax sax in tegenstelling tot de versie uit 1962 met orgel, As Long As Live Take 1 is zonder meer goeie rock ‘n’ roll, Waiting for A Train Version 2 Take 2 is brave medium tempo rock ‘n’ roll met sax en vrouwenkoortje (de Sun single uit pakweg 1962 was iets sneller en had orgel), en de uptempo rock ‘n’ roll van het geweldige Hong Kong Blues Take 3 blijft een ten onrechte vergeten pareltje, hier met een geïmproviseerd je m’en fous einde.
Country daarentegen zijn de ballade How’s My Ex Treating You Take 3 met prominenter kerkorgel en het medium tempo I Can’t Trust Me (In Your Arms Anymore) Take 1 met vrouwenkoortje (hier had de single dan weer sax). Ook de laatste drie liedjes op de plaat zijn country, met vrouwenkoortjes en vioolpartijen en daterend van Lewis’ allerlaatste Sun sessie op 28 augustus 1963: One Minute Past Eternity Take 1, Invitation To Your Party Take 4 en I Can’t Seem To Say Goodbye Take 1. Om aan te geven hoe tijdloos de muziek van JLL wel was: de immer opportunistische Shelby Singleton zou deze drie nummers aan het eind van het decennium uitbrengen op zijn gereactiveerde Sun International label en JLL zou er in 1969 en 1970 drie Top 10 countryhits mee scoren!
Conclusie: minder radicale verschillen met de bekendere uitgebrachte versies als op In The Beginning maar even essentieel voor de hardcore JLL verzamelaar. Dik 180 gram vinyl.
Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)

naar boven

CD Recensies

5 januari 2018

THE ROLLIN’ ROCK RECORDINGS/
JACKIE LEE COCHRAN

Part Records, PART-CD 6124.001

Ooit ben ik op rock ‘n’ roll bedevaart in Los Angeles – samen met Yves Messany van The Billygoat Riders en The Big Bayou Bandits, eerlijk is eerlijk, zelfs voor bandieten – op zoek gegaan naar de Gaslight club in Santa Monica waar naar verluidt Jackie Lee Cochran wekelijks optrad. We hebben die bar gevonden en Cochran trad er inderdaad op: hij zong er oldies voor een studentenpubliek. Tijdens de pauze zijn we een praatje wezen maken en in de tweede set vertolkte hij enkele van zijn rockabilly classics “voor zijn vrienden uit Europa” en we kregen er nog een gehandtekende CD bovenop. Een paar jaar later overleed hij in 1998 op 64-jarige leeftijd in zijn slaap, straks ook al weer 20 jaar geleden. God, we worden oud, maar U begrijpt dat u van mij nooit een slecht woord zal horen over Jackie Lee Cochran alias Jack The Cat zoals de publiciteit hem graag mocht aankondigen alias Jackie Lee Waukeen Cochran zoals hij zich noemde toen hij zijn kwart Cherokee roots via zijn grootmoeder wou benadrukken en zoals hij zich noemde op de twee Rollin’ Rock LP’s die op deze CD staan, Swamp Fox uit 1974 en (Ronny Weiser van Rollin’ Rock was nooit bescheiden) Rockabilly Legend uit 1977. Cochran vormde samen met Ray Campi, Mac Curtis en Johnny Carroll de vier azen van het Rollin’ Rock label dat in de jaren ’70 werd opgericht door de superenthousiaste Joods-Italiaanse immigrant Ronny Weiser, een label dat mede door dat niet aflatende enthousiasme zijn gelijke niet kende in de rockabillyrevival.
Swamp Fox heeft de kenmerkende alle metertjes in het rood slaande rammelende Rollin’ Rock sound met Cochran op gitaar en Ray Campi op contrabas en drums gedrenkt in een echo waarin een nummer als That’s Alright Mama letterlijk verdrinkt. Al evenzeer kenschetsend als je die Rollin’ Rock heruitgaves beluistert: dit bevat meer dan enkel rockabilly (C’Mon Over In The Clover) want we worden ook getrakteerd op op blues gebaseerde semi-akoestische ballades (Trouble In Mind), moerasmuziek (het uptempo titelnummer Swamp Fox en een uptempo cover van Muddy Waters’ Hoochie Coochie Man die eigenlijk het eindeloos herhaalde loopje van Linda Lu is), Johnny Burnette-achtige highschool country pop met Latijns- Amerikaanse flavour (Baby Doll dat dan ook een rondje Tequila in de solo heeft), trage bluesy country ballades (King Of Your Heart) en mambobilly (Hug ‘n’ Kiss Me) alsmede enkele heropnames van Cochran’s eigen nummers uit de jaren ‘50 zoals Riverside Jump en Hip Shakin’ Mama. Rockabilly Legend bezigt hetzelfde instrumentarium (alleen werd er op meer nummers piano gebruikt en speelt Cochran nu zelf ook nog eens de contrabas) maar klinkt niettemin voller en krachtiger, al is mij niet duidelijk waarom – zo gaat dat met huis-, tuin- en keukenopnames, misschien stond gewoon de wind anders. Stilistisch is deze LP even verscheiden met naast rockabilly ook melodieuze rock ‘n’ roll (They Oughta Call You Miss Heartbreak, Ain’t Gonna Let It Happen), medium tempo country ballads (The Lovin’ I Crave, Memories), opnieuw die Mexicaanse invloed (I Love You A Thousand Ways) en veel swamp stuff (Lulu, She Rocks Me, de uptempo bluesy stroll Walkin’ Cryin’ Blues - volgens mij moet dit het Polk Salad Annie tijdperk geweest zijn). Opvallend bij dit alles: 19 van de 24 nummers zijn eigen composities van Jackie Lee Cochran. In 1997 verscheen op HMG/ Hightone (USA) al de 20 track Jackie Lee Cochran Rollin’ Rock compilatie Rockabilly Music (CDHM6604) maar daarvan staat slechts iets meer dan de helft op deze Part CD, dus we zijn blij dat we deze twee platen met Jack The Cat in topvorm eindelijk netjes in volgorde op CD hebben, maar waarom staan Cochran’s drie Rollin’ Rock singles hier in hemelsnaam niet op? Of wil Andy Widder van alle Rollin’ Rock restjes een aparte CD maken? Soit, Jackie Lee Cochran ruste in vrede, en moge zijn naam mede door deze opnames nog lang verder leven. Info: www.part-records.de
(Frantic Franky)


LET THE BELLS KEEP RINGING 1956
Richard Weize Archives, ACD 12516

Ach, we hadden een half uurtje niks te doen dus snel nog even een volume van deze reeks over het New Yorkse budget label Bell Records erdoor gejaagd, zie in deze onze recensies van de volumes 1951 tot 1955. We zijn inmiddels in 1956 aanbeland en dat betekent dat de rock ‘n’ roll in volle kracht opkwam en Bell Records, het ”top song hit favorites” label met op de hoesjes in grote letters de titel van het liedje en in piepkleine of helemaal géén letters de naam van de uitvoerende artiesten, met spoed op zoek diende naar zangers die ook die nieuwe rock ‘n’ roll orkaan aankonden. Die vonden ze, maar de hoofdmoot blijkt in 1956 nog steeds pop- en croonermuziek geweest te zijn met Edna McGriff’s Just Walking In The Rain (van The Prisonaires in 1953 op Sun Records!), de natuurgetrouwe Que Sera Sera door Elise Rhodes, de Pat Boone ballade I’ll Be Home (oorspronkelijk een zwart nummer van doo-woppers The Flamingos) door Barry Frank, en een croonerversie van wat wij vooral kennen als Ivory Joe Hunter’s doo-wop ballade I Almost Lost My Mind door Dottie Evans. Memories Are Made Of This is female pop en ook Priscilla (de hit was van Eddie Cooley & the Dimples) is pop, ook al wordt het gebracht door veteraan rhythm ‘n’ blues tenorsaxofonist Buddy Lucas. Rock Island Line wordt door de manier van zingen van Jimmy Leyden (die na de tweede wereldoorlog nog bij het orkest van Glen Miller zong) bijna meer een parodie dan skiffle (Lonnie Donegan haalde er als Brit in Amerika zelfs de Top 10 mee). Ook In The Middle Of The House (Vaughn Monroe en Rusty Draper nagedaan door Peter Marshall & Tommy Farrell) is pophumor, Green Door van Jim Lowe kan je in de cover van Artie Malvin met wat goeie wil nog big band rock ‘n’ roll noemen en Blueberry Hill mag dan wel een noot voor noot cover door opnieuw Buddy Lucas zijn, de magie van Fats Domino ontbreekt. Ene Bruce Adams fluit Guy Mitchell’s Singing The Blues en tot slot is het volgens ons nooit Johnny Cash’s bedoeling geweest dat I Walk The Line door het Michael Stewart Quartet zo plechtstatig gezongen en netjes nagespeeld zou worden met zo te horen een wasbord. All in a day’s work voor Bell Records! Het geheel wordt geduid middels het in deze reeks traditionele CD booklet van 13 pagina’s met track per track info en illustraties. Info: www.rock-star-records.co.uk (Frantic Franky)

naar boven



Lees hier de oudere recensies

Terug naar de voorpagina