(reclame)


Je recente CD, DVD, plaat of boek gerecenseerd op onze website? Stuur deze dan naar de hoofdredactie!
Your recent CD, DVD, record or book reviewed on our website? Send it to our editor-in-chief!


 

14 augustus 2018

CD Recensies

GOING TO THE ROCKABILLY HOP/
THE GRIZZLY FAMILY

Calavera Records, CR-1701

Er zijn zo van die Europese bands die aan de weg timmeren zonder dat wij er ooit van horen, zoals deze Grizzly Family, actief sinds begin jaren ’90 maar hier nagenoeg onbekend om de eenvoudige reden dat ze uit Lyon in Oost-Frankrijk komen en da’s toch al gauw minstens 900 kilometer hier vandaan.
Na werk op Crazy Times, Blue Lake en Larsen Records is dit minstens de vijfde CD van de band die aan de hoesjes te oordelen afwisselend met vijf en zes groepsleden opereert doch steeds onder leiding van Jean-Paul Casas, de zanger wiens stem zo high pitched is dat het wel lijkt of de CD versneld wordt afgespeeld. Dat is uiteraard niet zo maar het wordt wel nog eens extra benadrukt door het scherpe geluid van de CD en omdat de zang zodanig ingebed zit in de muziek dat je soms niet goed de tekst kan verstaan. Op deze CD staan 19 nummers eerlijk in de helft verdeeld tussen eigen nummers en covers van onder meer The Worrying Kind (Tommy Sands), Only One (Don “Red” Roberts), Domino (Roy Orbison op Sun Records), I Fell In Love (Ken Cook op Sun), Indian Joe (Art Adams) en Big Fool (Ronnie Self) die niet klakkeloos worden nagespeeld maar waar ze hun eigen draai aan geven. De eigen songs bevatten goeie gitaarrifjes en ze mixen hun rockabilly met gelijke dosissen sleazy exotische late fifties early sixties (het instrumentale Shotgun Wedding Theme van Eddie Cochran hier is daar een goed voorbeeld van), Britse rock ‘n’ roll en neo-rockabilly wat één brok energie oplevert in een rockende flow waarin ik graag meega. Onder dezelfde titel verscheen ook de vinyl 10 inch (wat in het Frans een 25 centimetres heet) (CR-1601) met zes van de 19 songs van de CD + twee nummers die niet op de CD staan, Crazy Crazy Lovin’ en Don’t Let Go. Calavera is hun eigen label en ze zijn nog op zoek naar een verdeler, dus check www.thegrizzlyfamily.fr
. (Frantic Franky)


BY REQUEST/ VINCE & THE SUN BOPPERS
Rhythm Bomb, RBR 5881

Na Spinnin’ Around en Gone For Lovin’ is dit de derde CD van het Siciliaanse kwartet dat Sun Records hoog in het vaandel voert, al blijf ik vinden dat dit in tegenstelling tot wat dat woordje “Sun” in de groepsnaam impliceert geen tijdscapsule kopie van de Sun sound is. Maar ze doen er wel alles aan: deze 14 eigen nummers werden opgenomen in de vintage Lightning Recorders studio in Berlijn met Ike Stoye achter de ongetwijfeld nog bakelieten knoppen. Toch geef ik ruiterlijk toe dat de meeste van hun traditionele klassieke rockabilly songs zoals One Day of Don’t Leave Me (Just Love Me) richting Sun gaan en soms inderdaad heel dicht in de buurt van Sun komen, met name The One To Blame, al hoor ik evenzeer echo’s van Johnny Burnette, Johnny Cash en in het deels in het Italiaans gezongen Heartbeats zelfs Gene Vincent of Johnny Carroll. Ook vertonen een aantal nummers als Why en Your Hand In Mine kenmerken van fifties country, waarmee we uiteraard terug bij de invloed van Sun zijn, en één nummer met saxofoon, Wait A Minute Baby, kan je als Sun rock ‘n’ roll beschouwen. De zang is niet perfect (het onvermijdelijke accent) maar past wel helemaal in het plaatje want frontman Vince Mannino trekt goed zijn plan en in de jaren ’50 waren het bij Sun heus niet allemaal Faron Young’s.
Voor wie zijn vertrouwen in authentieke fifties rockabilly begint te verliezen: een dosis Vince & the Sun Boppers helpt u er snel terug bovenop, want geen gezeur: dit is de betere rockabilly. Info: www.facebook.com/vincethesunboppers
en www.rhythmbomb.com. (Frantic Franky)

naar boven

26 juli 2018

WILD WILD WILD/ ROBBIE FULKS & LINDA GAIL LEWIS
Bloodshot Records, BS 263

Wie is geboren uit dezelfde schoot die Jerry Lee Lewis baarde is op zijn minst uit speciaal hout gesneden en dat is niet anders voor de vrouw die eeuwig gebrandmerkt is als het 11 jaar jongere, kleine zusje van de Killer, Sun recording artieste Linda Gail Lewis (ze bracht één single uit op Sun in 1963). 71 is ze ondertussen en ze doet niets anders dan onvermoeibaar de wereld rondreizen om op te treden, en hoewel ik haar uiteraard niet persoonlijk ken concludeer ik uit die ene keer dat ik in de gelegenheid was een praatje met haar te maken dat ze de gezelligste rock ‘n’ roll madam is sinds Janis Martin zaliger. Hoog tijd om de definitieve Linda Gail Lewis plaat te maken, moet alt-country bluegrass singer-songwriter Robbie Fulks gedacht hebben, en als u die niet kent is dat geen schande want wij kenden hem ook niet, maar hij moet toch iets en waarschijnlijk heel veel betekenen in het Amerikaanse rootswereldje want Fulks bracht sinds 1996 13 solo-albums uit waarvan het recentste, Upland Stories uit 2016, twee Grammy nominaties in de wacht sleepte voor Best Folk Album en Best American Roots Song. Deze Wild Wild Wild is overduidelijk zijn project want Fulks die in het verleden al gastmuzikant was op platen van Linda Gail was producer, arrangeur, zanger (hier staan verscheidene duetten op), bandleider, songschrijver van de meeste nummers (goeie teksten hoor: voor zinsneden als “the hipsters go for Austin but Memphis never falls from style” en “you’re a man that can’t keep a promise, I’m a woman never breaks a vow” doen wij onze toupet af) perfect op Linda Gail’s lijf geschreven en wellicht koos hij ook de covers uit: It Came From The South (gepend door NRBQ gitarist Al Anderson en hier ingespeeld door huidig NRBQ gitarist Scott Ligon) is het betere moderne rock ‘n’ roll werk. Ik neem aan dat hij ook de studio uitkoos en het zal dan ook geen toeval zijn dat dit werd opgenomen in Chicago bij Reliable Recorders wat vroeger de Hi-Style studio was met achter de knoppen Alex Hall die eerder JD McPherson, The Cactus Blossoms en Pokey LaFarge inblikte. Ons kent ons en dus stond er een indrukwekkende rij gastmuzikanten in het, euh, rijtje om mee te doen zoals klarinettist Eric Schneider die nog speelde in de big bands van Count Basie en Earl Hines, Merle Haggard’s laatste leadgitarist Redd Volkaert, Linda Gail’s schoonzoon Danny B. Harvey, Alex Hall zelf op drums en nog een hoop mensen die ik niet ken. Wild Wild Wild manoeuvreert behendig tussen rockers en country en ja, hier staan te weinig rockers op, maar die paar rockers als Round Too Long en titeltrack Wild Wild Wild zijn echt wel steengoed en worden gegarandeerd moderne rock ‘n’ roll klassiekers. Naast tekstuele verwijzingen naar haar illustere broer covert Linda Gail ook Jerry Lee mits een female versie van zijn Boogie Woogie Country Man uit 1975 dat nu Boogie Woogie Country Gal wordt compleet met een flard In The Mood boogie woogie. Haar stem klinkt als verroeste prikkeldraad met de zwaarste southern drawl die wij ooit hoorden en je hoort gewoon dat ze het meent met die “I’m gonna kill you” in het uptempo killer country nummer Till Death. Die country nummers klinken eigenlijk ook best wel heel goed: I Just Lived A Country Song is zeer overtuigd en overtuigend gezongen, That’s Why They Call It Temptation heeft een pure George Jones intonatie. De sterkte – en voor sommigen wellicht ook de zwakte – van deze CD is dat Fulks er alle rootsgenres wil doorjagen wat soms net een brug te ver is. Semi-akoestische mambo country als de Don Gibson cover Who Cares, een ouwe gospel als On The Jericho Road en dixieland ragtime jazz als Memphis Never Falls From Style vinden wij best te pruimen, het funky B3 hammond orgeltje in Jimmy Smith of Brother Jack McDuff stijl in Your Red Wagon en de Stax gospelsoul met orgel van het door Fulks gezongen Foolmaker zal in rock ‘n’ roll kringen menige wenkbrauw doen fronsen. Geen muzikaal rootscliché blijft hierbij onbenut (steel gitaar tussenstuk? Check! Klagende vioolsolo? Check! Tristesse, introspectie en verlossing? Check!) en de arrangementen zijn dan ook overdadig tot en met Jordanaires-achtige backing vocals. U merkt het: ik ben nog lang niet uitgepraat over Wild Wild Wild want hoe vaker ik dit beluister hoe beter ik dit vind. Wanneer zijn de Grammy nominaties? Ook uit als LP én op 500 exemplaren transparant rood vinyl.
Info: www.bloodshotrecords.com
(Frantic Franky)


BEBO & THE GOODTIME BOYS/
BEBO & THE GOODTIME BOYS

Wild Records, géén cat.nr.

De tweede CD van deze bad boy hepcats uit El Monte, California opgenomen met een nieuwe contrabassist tegenover hun debuut Let The Fun Begin uit 2014 (die er inmiddels ook al weer uitligt, live speelt Bebo Garcia momenteel zelf contrabas) bevat alle typische Wild kenmerken als gejaagde zang, het gebruik van maracas oftewel sambaballen voor extra ritme, veel gefluit op vingers en tussen tanden en een Spaanstalig nummer (Mari Y Juania), waardoor de oppervlakkige toehoorder hen zou kunnen wegwuiven als Delta Bombers light. Het verschil met dat debuut zit ‘em in het feit dat Bebo de nieuwe nummers nog melodieuzer zingt en dat ze het verschil maken door hun rockers te kruiden met wat soul, sixties en rhythm ‘n’ blues wat mooie resultaten oplevert als Be Your Slave, Fat Mouth, Time en Soles, nummers waarvan de schoonheid wordt benadrukt door de eenvoud van die melodieuze songstructuren en doordat Bebo over een van de betere stemmen bij Wild beschikt. De CD is echter zeker niet perfect (het werd zoals alles bij Wild opgenomen op één weekend en alle 12 zelfgepende songs klinken dan ook hetzelfde zonder opleuken waardoor het in de solo’s soms in elkaar zakt), maar dat draagt dan weer bij aan de street credibility van Bebo & the Goodtime Boys. Het resultaat is een klein maar fijn CD’tje met een voor Wild Records verrassend clean opnamegeluid dat op een onopvallende manier heel erg goed is. Waar ik enkel aan dien toe te voegen dat ik er tijdens hun recente Europese tour getuige van was dat ze het ook live on stage kunnen waarmaken én dat het sympathieke kerels zijn! Info: www.wildrecordsusa.com en www.wildrecordseurope.com (Frantic Franky)

LP Recensie

THE LONESOME SOUND OF/ HANK WILLIAMS
Bear Family, BAF14004

In het gezegende jaar 1960, zeven jaar na de dood van Hank Williams, verscheen er uit het niets een nieuwe LP van Hank Williams, meer bepaald een coverplaat zonder nummers van Williams’ hand maar met covers van liedjes van andere artiesten zoals Ernest Tubb (I’m Free At Last, First Year Blues), Cowboy Copas (Sundown And Sorrow), Bill Carlisle (Rockin' Chair Money) en Hank Thompson (Swing Wide Your Gate Of Love). Nu mogen dat wel allemaal covers zijn maar die liedjes zijn toch minder bekend dan Williams’ eigen songs (uitgezonderd Tennessee Border van Jimmy Work wegens later een rockabilly classic geworden) en daar is een gegronde reden voor: in 1960 was Williams’ onuitgebrachte materiaal op en ging platenmaatschappij MGM aan de slag met het muzikaal overdubben van radio transcripties uit 1949 van Hank Williams alleen met zijn gitaar, opnames die toen gemaakt werden ten behoeve van zijn dagelijkse radioshow voor wanneer hij op tour was. Overdubben stond toen technisch nog in de kinderschoenen en MGM huurde er studiomuzikanten voor in wier naam niet bewaard is gebleven, doch hoogstwaarschijnlijk was Williams’ steelgitarist Don Helms een van hen. Die LP is later altijd met een scheef oog bekeken geweest maar nu, bijna 60 jaar later, jubelt Martin Hawkins in de hoesnota’s van deze heruitgave op 10 inch vinyl (de originele plaat was een gewone standaard 12 inch LP), is de tijd rijp om die plaat met een onbevooroordeeld oor te herbeluisteren. Goed, maar ik heb daar - u kent mij - toch een paar bedenkingen bij. Wat de plaat erg beluisterbaar maakt is dat op opener It Just Don’t Matter Now (Ernest Tubb) na dat even klaaglijk is als de allerklassiekste Hank Williams alle 12 songs medium en uptempo zijn, zeker een plus voor een artiest wiens songteksten zéér depri zijn. De nummers klinken allemaal ietsje moderner dan we gewoon zijn van de eind jaren ’40 Hank door de instrumentatie: een meer geprononceerde slag op de – daarom heet het ook zo – slaggitaar, links en rechts een voorzichtige basgitaar, schuifelende drumborsteltjes in Cool Water (The Sons Of The Pioneers). De boogie-ënde elektrische leadgitaar en roffelende drums geven Dixie Cannonball (Gene Autry) een Johnny Horton effect, en in Roly Poly (Bob Wills) zit niet alleen een elektrische gitaar (wellicht Hank Garland of Grady Martin) maar zelfs een piano (wellicht Floyd Cramer) zodat dit bijna honky tonk, ja zelfs bijna gospelbilly wordt. Opvallend is ook wat je juist niét hoort: hier is geen viool aanwezig. Niettegenstaande deze toevoegingen en weglating klinkt de instrumentatie nagenoeg hetzelfde in alle nummers met vooral de steel op de voorgrond. Die modernere instrumentatie is ongetwijfeld goed nieuws voor wie Hank Williams leerde kennen via de recente I Saw The Light biopic waarin Hank’s liedjes op verbluffende wijze werden gezongen door acteur Tom Hiddleston maar die nummers wel voorzien waren van wat hedendaagsere arrangementen, maar anderzijds moet de sound van deze plaat zelfs in 1960 al een stap terug richting jaren ’40 country geweest zijn aangezien de times ook in 1960 uiteraard reeds flink a-changing waren. Vreemd is dat het lijkt alsof in sommige nummers ruis op de zang zit die niet op de instrumentatie zit. Het resultaat klinkt uiteindelijk toch wat vreemd en eigenlijk exact zoals wat dit in essentie is, namelijk Hank Williams waar mee is geknoeid, waarmee deze plaat blijft wat ze altijd is geweest: interessant, maar een buitenbeentje in de Hank Williams codex.
Dit is een mooie en verzorgde uitgave met openklapbare hoes en het 110 gram vinyl met diepe groeven zorgt voor een rijk geluid.
Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)

naar boven

12 juli 2018

CD Recensies

HIT ME UP/ SLAPBACK JOHNNY
Rhythm Bomb, RBR5890

Slapback Johnny timmert al sinds 2012 aan de rock ‘n’ roll weg aan een tempo van gemiddeld ruim 50 concerten per jaar en na een aantal releases in eigen beheer (de vorig jaar uitgebrachte Hit Me Up/ Doin’ Time single staat ook op deze CD) en/ of gratis verspreid via de digitale media werd het tijd voor een echt officieel full album debuut, en dat is – wat had u anders verwacht – een flink kereltje geworden. De stijl van Slapback Johnny is powerbilly, dus wie houdt van vintage en authentiek mag nu de kamer verlaten. Tegelijkertijd is dit veel meer dan alleen power want het trio uit Wijk bij Duurstede presenteert zich hier als een band met veel gezichten die in zijn verscheidenheid, kwaliteit en overgave eigenlijk heel on-Nederlands maar juist erg internationaal, ja Amerikaans klinkt. Achter dat rockabillymasker van Peter (zang, contrabas), Rex (gitaar) en Richard (drums) gaat immers een ander gezicht schuil: het merendeel van de 13 alleen eigen nummers zijn gebaseerd op jumpblues patronen, wat je hoort aan de structuur van de nummers (You’ve Been Told) en aan wat de gitaar doet – hoor ik daar ook een slide gitaar? Dat jumpblues effect wordt nog versterkt door het gebruik op een viertal songs van blazers, niet alleen ten behoeve van rock ‘n’ roll met saxofoon (One Last Shot) maar ook om gewoon een vet stukje mee te toeteren in rockabilly nummers die er gelijk een vleugje neo-swing door worden. Slapback Johnny is daarenboven van alle rock ‘n‘ roll markten thuis: moderne rockabilly met Moonshine Fred (een neefje van Guitar Man), feestknallers van rechtdoor rockers (titeltrack Hit Me Up) en zelfs één trage blues (Last Night) met (als u het mij vraagt overbodig) orgel, maar goed, die beschouw ik als contergewicht tegen deze nonstop rock ‘n’ roll attack die de toegankelijkheid bij het niet-rock ‘n’ roll publiek slechts kan vergroten dus hoort u ons voor dat ene nummer niet klagen. De Slapback Johnny sound wordt vooral gedragen en bepaald door de moderne gitaar, al laten de slappende contrabas en de donderende drums zich zeker niet onbetuigd en komen er zelfs af en toe backing vocals aan te pas. Het opnamegeluid klinkt echt krachtig met alles luider dan alles en daarbovenop de zang. Fijne CD die deze band meer internationale exposure zal geven!
Info: www.slapbackjohnny.com, voorbeluisteren kan via www.rhythmbomb.com
(Frantic Franky)


DOIN’ ALRIGHT/ THE RUSTY NAILS
Red Cabbage Records, RCR001

The Rusty Nails stonden de afgelopen twee jaar op zowat elke festival affiche en dat is opmerkelijk want dit trio met gitaar/ contrabas/ drums rockabillybezetting maakt deel uit van de nieuwe lichting Belgische bands die breder gaan dan enkel rockabilly: The Rusty Nails zijn wat mij betreft een all round rootsband, zij het wel degelijk rockende roots. Als je zo vaak speelt wordt het tijd dat je een CD aan te bieden hebt en die had er al lang geweest hadden ze een platenfirma gevonden, maar bij gebreke daaraan brengen ze hun albumdebuut nu gewoon zelf uit en dat is een uitstekende CD geworden waarin ze niet alleen het hele roots spectrum exploreren maar waar tijd en ideeën zijn ingekropen, in tegenstelling tot de gemiddelde rockabilly band die er op een weekendje studio met een kater de hele set doorjaagt en dat een album durft te noemen. Doin’ Alright opent met vrolijke countryrock (het You’re The Wax duet met Crystal Dawn, het titelnummer Doin’ Alright), eindigt met funky blues (Gasoline And Matches met wah wah gitaar, My Girl Ain’t Happy She Is Crazy met orgel en mondharmonica), en daartussen steekt moderne rock ‘n’ roll als Jailbait met blazers, The Perfect Rusty Nail en Cleaning Out The Bar, afgewisseld met trage swampmuziek met wah wah gitaar (Tic Tac Toe) en Woody Allen charleston jazz met trompet en piano (I’m Your Weekend Ticket). Typerend voor een band die niet voor één gat te vangen is: Rockin’ At The Drive in-Barn dat over de gelijknamige rockabilly weekender in Sint-Oedenrode handelt, is countryrock! De zang is opgewekt enthousiast en alle nummers ademen zoals wel vaker bij debuutalbums de vlotte souplesse uit van jarenlang roderen on the road. En moesten dit toch nieuwe songs zijn dan is voorgaande zin een groot compliment! De CD bevat negen eigen composities + drie covers van heel diverse origine: Violent Love van bluesman Willie Dixon’s Big Three Trio dateert al uit 1951 , Gasoline And Matches van country singer-songwriters Buddy & Julie Miller uit 2009 werd gecoverd door countryzangeres LeAnn Rimes, en Jerry Reed’s countryrocker Guitar Man uit 1967 beschouwen wij als algemene basiskennis. De CD werd opgenomen met een heleboel extra muzikanten (onder meer Johnny Trash op wasbord en Tom Beardslee op dobro en slide) die ze moeilijk overal mee naartoe kunnen slepen dus live klinkt het allicht allemaal wat rockender en blues-iër, maar zo af en toe een paar van deze gasten mee op het podium zou leuk zijn. Deze bruisende zomerse cocktail van diverse rootsgenres die gelukkig niét als een roestige nagel klinkt kan probleemloos terecht op niet alleen rock ‘n’ roll festivals maar ook op blues- en rockfestivals, en misschien kunnen ze wel het gat opvullen achtergelaten door de gesplitte Baboons. Een uitgave in eigen beheer betekent niks geen distributie dus ga The Rusty Nails gewoon live bekijken als je de CD wil kopen.
Info: www.facebook.com/trnls
(Frantic Franky)

naar boven

5 juli 2018

THE YEAR 1957/ EDDIE COCHRAN
Bear Family, BCD17554

Aha, u dacht dat u met de twee 4 CD-boxen The Eddie Cochran Box Set uit 1988 en The Eddie Cochran Story uit 2009, de Bear Family 8 CD-doos Somethin’ Else en al die Rockstar platen elke noot in huis had die Eddie Cochran ooit opnam? Wellicht wel, maar toch komt Bear Family hier met een CD met toch weer een andere kijk op Eddie Cochran. Geen flauw idee of Bear Family hier een reeks van gaat maken die de invloedrijke rock ‘n’ roll pionier jaar per jaar belicht maar dan gaan ze in elk geval werk hebben want hij maakte zijn allereerste home recordings al in 1953 en zijn eerste officiële opnamesessies in 1955 als de helft van country duo The Cochran Brothers. Om Eddie Cochran anno 1957 te situeren: dat is ná zijn debuutsingle Skinny Jim uit 1956 en ná zijn verschijning in de rock ‘n’ roll film The Girl Can’t Help It met het nummer Twenty Flight Rock, eveneens in 1956 (de release van die single werd weerhouden tot na de film in de bioscoop kwam), maar vóór zijn alltime classics Summertime Blues en C’mon Everybody. De bekendste nummers hier zijn Twenty Flight Rock, Sittin’ In The Balcony en Am I Blue maar de 19 tracks alterneren vooral tussen medium tempo en rustig materiaal als Mean When I’m Mad, Drive In Show, Undying Love en Proud Of You, met de snellere nummers uiteraard als uitschieters. Die rustige nummers worden allemaal gekenmerkt door achtergrondkoortjes en net als eigenlijk alles van Eddie Cochran door klikkende bas, snappy drums, flitsend gitaarwerk dat tegelijk dreigend en knisperend is, en natuurlijk Cochran’s stem vol bravoure, die stoere, wat uitdagende maar toch speelse tongue-in-cheek zelfverzekerdheid: Cochran had een smile in zijn stem, net als in een heel ander genre crooner Dean Martin, en hij klinkt steevast of hij de spot drijft met die rustige nummers. De meeste snellere nummers als Stockin’s ‘n’ Shoes of Cradle Baby zijn niet zo bekend als Cochran’s grootste hits maar best leuke en sympathieke teenrockers die ten onrechte in de vergetelhoek zijn geraakt, maar de hoofdmoot hier zijn de rustige nummers als Pocketful Of Hearts, naast echte trage ballades als Have I Told You Lately That I Love You en Never. Daarnaast lijkt het ons alsof Cochran volop aan het experimenteren was met stijlfiguren: Lovin’ Time lijkt bijna vaudeville en Tell me Why solliciteert voor de rol van dramatisch thema van een western, en hoor wat dit betreft ook de gelijkenissen tussen Completely Sweet en Sweetie Pie en tussen Twenty Flight Rock en One Kiss. Drie nummers staan hierop in een alternatieve versie: de minder gekende heropname van Twenty Flight Rock met backing vocals en een lichtjes andere gitaar, de heropname met backing vocals en een ander gitaar arrangement van Completely Sweet uit 1957 die wat minder ruw is dan het origineel van een jaar daarvoor, en Take 19 undubbed van Ah Pretty Girl met backing vocals. De rest van de CD bestaat uit rariteiten die allemaal al eerder verschenen maar voor zover wij weten nog niet beschikbaar waren op één en dezelfde enkele CD: drie live opnames, twee interviews die samen zo’n 24 minuten duren en twee 5 seconden durende door Cochran ingesproken radio spots. Het eerste stuk van het eerste interview is tamelijk boring omdat de presentator niet bepaald uitblinkt in enthousiasme, vanaf het tweede stuk gaat het er veel vrolijker en losser aan toe en wordt het sfeervol bullshitten met niet alleen Eddie Cochran over zijn pijp (!) en de pet die hij droeg in de film Untamed Youth (“Buddy Holly en de jongens hebben mijn bariton ukelele gejat”, Cochran die gekke stemmetjes doet, de presentator die vraagt of die rock ‘n’ roll concerten nu eigenlijk concerten of shows worden genoemd) maar ook met zijn bassist Guybo Smith en met Buddy Holly en Crickets drummer Jerry Allison. Bij die interviews horen ook live versies van Sittin’ In The Balcony met een groot blazersorkest en van Twenty Flight Rock, maar het snoepje van de week is ongetwijfeld het live Whole Lotta Shakin’ Goin’ On. Vreemd dat Cochran deze hit van iemand anders ten gehore bracht en dan vooral omdat hij dat liedje nooit zelf heeft opgenomen, maar hij maakt er een zware gitaarversie van mét piano en begeleid door Little Richard’s band The Upsetters, zij het dat die hier helemaal niet als Little Richard klinken. De geluidskwaliteit van die drie live nummers is trouwens geheel volgens verwachting, namelijk krakend tegen de sterren op. Het CD booklet van 49 pagina’s staat boordevol helaas te onscherpe zwart-wit foto’s van de Liberty opnamesessies die deze nummers opleverden. Ook uit als dubbele 110 gram 10 inch vinyl (BAF 214005) met alle 19 studio nummers + de live Whole Lotta Shakin’ Goin’ On, met booklet van 24 pagina’s op 10 inch formaat van 25 x 25 cm!
Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)


THE BILL HALEY CONNECTION: 29 ROOTS AND COVERS OF BILL HALEY & HIS COMETS
Bear Family, BCD 17531

Aha, u dacht dat u elke noot in huis had die Bill Haley ooit opnam met die drie Bear Family dozen en al die Hydra CD’s? Think again: hier komt Bear Family met een CD die weliswaar geen enkele noot Bill Haley bevat maar wel alles te maken heeft met de oervader van de rock ‘n’ roll wegens boordevol originele versies van nummers gecoverd door bompa Bill alsmede covers door andere artiesten van Haley’s songs, meer bepaald 13 originals en 15 covers en Bear Family (D) zou Bear Family niet zijn zonder een paar speciallekes waarover later meer. Dat See You later Alligator van schrijver Bobby Charles is en Shake Rattle And Roll van de grote Big Joe Turner die de jackpot miste omdat hij het nummer niet zelf had geschreven weet intussen het kleinste kind, maar minder bekend is dat er ook van Rock Around The Clock een oudere versie bestaat, zij het slechts een paar weken ouder dan die van Bill Haley & the Comets, al hebben ook deze Sonny Dae & the Knights de jackpot gemist wegens Rock Around The Clock niet zelf geschreven en verkochten ze er destijds slechts 12.000 platen van, Bill Haley op termijn 36 miljoen… De originele Shake Rattle And Roll van Big Joe Turner staat hier niet op (misschien wegens te bekend?), wel zijn origineel van Corrine Corrina, maar zijn originele Hide And Seek, gecoverd door The Comets met Billy Williamson op zang, dan weer niet. De logica in deze ontgaat me want een overbekende original die hier dan toch weer wel op staat is Rip It Up van Little Richard! Niet alle originals staan hierop (gelukkig maar of dit was misschien een jazz-CD geworden) en uiteraard evenmin alle covers van Bill Haley songs: originals zijn er immers maar één keer, gecoverd wordt er eindeloos. Dat Bill Haley zelf ook een flinke coveraar was weten we sinds zijn LP Rockin’ The Oldies uit 1957 en aangezien Haley in het stenen tijdperk de rock ‘n ‘roll nog eigenhandig uit de rotsen heeft gehakt mag het niet verwonderen dat een aantal van de liedjes die hij coverde geen rock ‘n’ roll zijn. Die Rock Around The Clock van Sonny Dae & his Knights is nog meer boogie als rock ‘n’ roll net zoals Rock The Joint van Jimmy Preston & his Prestonians uit 1949 rhythm ‘n’ blues boogie is, maar Yes Indeed van Bing Crosby & Connee Boswell uit 1940 kon zo uit een musical komen en Stop Beatin’ Around The Mulberry Bush van het orkest van Count Basie uit 1938 is big band swing jazz. De originals uit de jaren ’50 zelf staan uiteraard dichter bij de rock ‘n’ roll zoals I’ll Be True door Faye Adams of Thirteen Women in originele versie door Dickie Thompson: zwoeler, meer oosters getint en met Mickey Baker op gitaar. Geen flauw idee waar of op welke basis Haley of de Artists & Repertoire mensen die zijn materiaal uitkozen zich op baseerden maar ze haalden ze overal en zo is Burn That Candle van The Cues zwarte doo-wop en Forty Cups Of Coffee in originele versie door Danny Overbea uitstekende fifties rhythm ‘n’ blues.
Originals zijn één ding, covers zijn een ander paar mouwen, en de meeste covers hier halen nergens het niveau van Haley’s krachtige sound wegens pop (Dance With A Dolly, op zich ook een cover want het origineel gaat terug tot 1944, hier in een waarlijk schitterende versie door Damita Jo) of jazz of big band of variété. Niks mis met die vloeiende swing arrangementen, integendeel: dat swingt alle kanten uit, alleen rockt het niet en is het geen Bill Haley. Toegegeven: Razzle Dazzle door Ella Mae Morse komt een aardig eind in de buurt van Haley’s real rock drive en Happy Baby door ene Ken Jones & the Rock ‘n’ Rollers is hele straffe big band swing, maar voor de rest krijg je toch de indruk dat de gevestigde waarden dachten dat je om rock ‘n’ roll te krijgen volstond met het toevoegen van een drumbeat aan een groot orkest. Van een ander kaliber is het minder bekende You Can’t Stop Me From Dreamin’, hier beschaafde Ricky Nelson-billy door Robin Luke dat noch cover noch original is want die stamt uit 1937 en blijkt van… Ricky’s pa Ozzie Nelson! Opvallend is ook een Britse budget cover door The Canadians die blijkbaar echt een stel in Engeland aangespoelde Canadezen waren van Ten Little Indians, toch een onbekend B-kantje.
De speciallekes: Choo Choo Ch’Boogie is tegelijkertijd original (Louis Jordan nam Choo Choo Ch’ Boogie al op in 1946) én cover want de ronduit geweldige versie hier werd door Louis Jordan zelf heropgenomen in 1956 ná Haley’s cover, Hot Dog Buddy Buddy is een live cover door The Belew Twins die een goed idee geeft hoe de Big D Jamboree in Dallas klonk in de toiletten, op ABC Rock wordt Sally Starr begeleid door The Comets hunzelve, en Chimpanzee Rock van The Hula Hawaiians is noch cover noch original maar een soundalike instrumental uit 1957 door een Kilima Hawaiians-achtige groep uit nota bene Zwitserland die de Comets sound verbazingwekkend dicht benadert! Ook merkwaardig: Rock A Beatin’ Boogie werd al in 1952 geschreven door Bill Haley doch origineel opgenomen door The Esquire Boys (met Danny Cedrone op gitaar die later de solo inspeelde op Rock Around The Clock) en daarna door The Treniers (die hier niet op staan) alvorens Bill Haley & the Comets het zelf opnamen! Het 50 pagina’s tellend CD boekje met track per track info is van de hand van Haley expert Chris Gardner en eigenlijk feitelijk is heel deze CD voor Haley fans een spelletje Zoek De Zeven Verschillen.
Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


TALKING ON THE TELEPHONE Vol. 1
Richard Weize Archives, ACD 12524

Een themareeks waar we zelf nog niet waren opgekomen: de telefoon! En waarom ook niet, want als je er even over nadenkt zijn er best veel liedjes die handelen over de telefoon en da’s eigenlijk logisch: in een tijdperk waarin iedereen minstens twee mobieltjes op zak heeft en op eender welk moment in verbinding kan staan met de andere kant van deze aardkloot vergeet je dat er ooit een tijd is geweest waarin de telefoon de énige manier was te communiceren op afstand, met je familie of met een geliefde bijvoorbeeld. In het booklet van deze compilatie lezen we dat er liedjes over de telefoon werden gemaakt van zodra de mens er in slaagde zijn stem vast te leggen op geluidsdrager, een uitvinding die min of meer gelijktijdig plaats vond met de uitvinding van de telefoon, en dat zelfs nog vóór de plaat werd uitgevonden en muziek eind 19de eeuw nog werd vastgelegd op Edison cilinders! Zo ver gaat Richard Weize hier gelukkig niet terug in de tijd, wel bevat Volume 1 van wat een reeks van vier moet worden 28 songs uit de periode 1947-1962 met uitlopers tot 1939, 1935, 1932, 1930 en 1927.
De CD opent met Telephone Baby van Johnny Otis & Marci Lee en da’s uiteraard een rock ‘n’ roll klassieker maar die is niét representatief voor de verdere inhoud van Volume 1 die met de ondertitel “blues, r & b and gospel” het hele gamma aan blues en blues georiënteerde stijlrichtingen omvat: pré- rock ‘n’ roll (Eddie "Cleanhead” Vinson’s The People On My Party Line), New Orleans klanken (Lloyd Price's Operator, zo op het omvangrijke lijf van Fats Domino geschreven), piano blues (Cecil Gant met Long Distance Call), pré-war country blues (Telephone Arguing Blues van Jaydee Short, Dead Cat On The Line van Tampa Red & Georgia Tom), primitieve (de originele Royal Telephone van Reverend Sister Mary Nelson) én beschaafde (Atomic Telephone van Spirit Of Memphis, opnieuw die Royal Telephone maar nu door The Selah Jubilee Singers) gospel uit de tijd dat ze nog echt, euh, geloofden dat je met de foon de Heer kon bellen), zwarte humor (Calling Margie van Big Walter (Price) & his Thunderbirds, Dial That Telephone van Effie Smith) en zelfs dadaïstische swing met Communication van Slim Gaillard. Tot daar aan toe, maar de CD bevat niet geheel onlogisch doch helaas voor ons ook, tja, pure blues (Give Me Central 209 van Lightnin Hopkins), gitaarblues (The Telephone Is Ringing van Pee Wee Crayton) en slide blues (I Can’t Hold Out (Talk To Me) van Elmore James). Aan de andere kant van het spectrum van de zwarte muziek vinden we Mary Wells met Operator als rechtstreekse voorloper van de vocal harmony soul van begin jaren '60 met wat bijna uptempo popcorn ska, zeg maar soulpop is. Een goed idee, tenminste voor een blues leek als ondergetekende, is de aanwezigheid van veel bekende namen: naast de al genoemde Elmore James staat hier bijvoorbeeld ook ruwe primitieve blues van John Lee Hooker op, en The Treniers wier Long Distance Blues al in 1951 meer crooner swing was als we van hen gewend zijn, en Buzz Me Baby van Slim Harpo, voor mij als niet-bluesman misschien wel de beste blues artiest aller tijden. Wat het helemaal mooi maakt is dat van enkele nummers op deze CD ook een countryversie staat op Volume 2! De eindconclusie luidt dat ik dit een erg goeie CD vindt die evenwel – we moeten onverbiddelijk zijn – voor de gemiddelde rock ‘n’ roll fanaat wellicht enerzijds té blues en anderzijds tegelijkertijd te gevarieerd is. Het booklet van 29 pagina’s van de hand van Hank Davis en Roy Forbes is anekdotisch maar bevat niet de gebruikelijke definitieve info die we gewend zijn van Richard Weize.
Info: www.richard-weize-archives.com
(Frantic Franky)


TALKING ON THE TELEPHONE Vol. 2
Richard Weize Archives, ACD 12557

Volume 2 van Talking On The Telephone behandelt de countrymuziek en is goed voor 28 tracks uit de periode 1947-1962 waarvan meer dan de helft uit de jaren ’50 stammen, met uitlopers tot 1939, 1934 en zelfs 1927! Net als Volume 1 is deze CD stilistisch een bonte bedoening met hillbilly (You Got The Right Number van Rusty McDonald, Hello Operator van Dusty Owens), klaaglijke bluegrass (Bill Monroe’s When the Phone Rang), beschaafde gospel (Atomic Telephone (waarvan op Volume 1 ook een zwarte versie staat) door The Harlan County Four, When My Lord Picks Up The Phone van Stuart Hamblen, The Royal Telephone van The Blue Sky Boys), religieuze country (I Just Telephone Upstairs van Hank Snow: cowboys rond het kampvuur, die Jordanaires-achtige backings, dat gesproken tussenstuk) en het plechtstatige naar de folk vooruitblikkende Hello Hello Please Answer Me van Bonnie Guitar. Hello Central Give Me Heaven van The Carter Family is streng religieus moralistisch en tekstueel haast luguber, maar deze 84 jaar oude opname is in al zijn eenvoud (samenzang en snaarinstrumenten) nog steeds relevant en springlevend. Anderzijds is hier ook plaats voor carnaval country als 2 x Call Me Up dat dan wel twee verschillende nummers zijn door Marty Robbins en door Wade Ray, rockabilly (Werly Fairburn’s Telephone Baby), oldtimer cajun (Cleveland Crochet’s Telephone Port Arthur), en in country is ook altijd plaats voor hillbillyhumor als Dust On My Telephone van Jim Boyd & his Men Of The West, Homer & Jethro’s Tell A Woman en Hank Penny’s Hold The Phone. Een gevarieerd boeket dus met daarnaast vooral veel klassieke country uit de oude en vooral traditionalistische doos: Call Me van The Louvin Brothers, Answer The Phone van Ernest Tubb, Call Operator 210 (waarvan op Volume 1 ook een blues tegenhanger) door Rusty McDonald, Lonesome 7-7203 van Justin Tubb, of Wanda Jackson’s Between The Window And The Phone - ik zie de bloedmooie maar oh zo eenzame Wanda Jackson zo zitten wachten bij de foon. Of Yes Mr Peters, een duet van Roy Drusky & Priscilla Mitchell, zo’n verhaal waarin iedereen iederéén bedriegt, en - country-ër kan niet - daar dan weer een antwoord op, Hurry Mr Peters door Justin Tubb & Lorene Mann. Over klassiekers gesproken: Lonely Christmas Call van George Jones, alleen al die openingszin kan niet klassieker, en je weet meteen waarom Jones tot de allergrootsten behoort, want als je zo’n intrieste smartlap toch zo gevoelig en overtuigend kan brengen hoor je thuis in het Parthenon. Eigenlijk jammer dat dit nummer hierop staat want het is de maatstaf waaraan je alle andere songs toetst. Nog betreffende de countrygoden van de Olympusberg: waarom staat hier Mind Your Own Business op, dé all time classic bij uitstek op die iedereen al heeft? Omdat Hank Williams daarin de party line vermeldt waarover ook andere liedjes gaan. Ten onrechte uit de berenboot gevallen: de Vlaamse vertaling van Lonesome 7-7203 zijnde Will Tura’s Draai Dan 79 72 04 – da’s nog eens een idee: Talking On The Telephone Intercontinentally! Volume 3 en 4 zullen pop en rock ‘n’ roll behandelen.
Info: www.richard-weize-archives.com
(Frantic Franky)

naar boven



Lees hier de oudere recensies

Terug naar de voorpagina