(reclame)


Je recente release (muziek, boek of wat dan ook) gerecenseerd op onze website? Stuur deze dan naar de hoofdredactie!
Your recent release (music, book or whatever) reviewed on our website? Send it to our editor-in-chief!


 

24 september 2020

CD Recensies

DESTINY/ JARROD
Géén label, S53

Het afgelopen jaar recenseerden wij de strapatsen van ex-Keytones gitarist Jim Knowler's nieuwe rockabillyband Bamboozle, en daarom doet het ons als onvoorwaardelijke Keytones fans uitermate genoegen u te kunnen melden dat het nu de beurt is aan Keytones contrabassist Jarrod Coombes om solowerk uit te brengen. En solo kan je dit zeker noemen: Coombes verzorgde niet alleen alle stemmenwerk maar speelde ook contrabas en op een aantal nummers drums en keyboards in, met de ruggensteun van andere muzikanten.
De dramatisch-plechtige aanzet waarmee de CD opent zet je op het verkeerde been: tromgeroffel en een aanzwellend vrouwenkoortje maken in de Paul Anka cover You Are My Destiny al snel plaats voor een bijna hoempapa ska ritme en het exotica cocktail orgeltje van een crooner in een derderangs cabaret. Het signaal dat die opener uitzendt is dan ook "dit wordt fun", en wat gelijk opvalt en in de hele CD terugkomt is het uitgebreide gebruik van zowel male als female backing vocals. Ook in Jimmy McCracklin's The Walk zit een orgeltje dat het basloopje benadrukt - Jarrod Coombes is tenslotte contrabassist - in een versie met sax solo die zeer gebruiksvriendelijk is en opnieuw pure fun uitstraalt. Nog meer basloopjes en backing vocals horen we in Hawaiian Breeze, het enige eigen nummer, waarin ook een vibrafoon of andersoortig klokkenspiel opduikt. Coombes gaat de crooner toer op in een relaxte en mooie versie van For The First Time (de Engelse vertaling van Come Prima) met een interessant piano arrangement en opnieuw veel aandacht voor de backing vocals. Een van de sleutelelementen van de Keytones sound was doo-wop en die ontbreekt niet op deze CD: The Hatchet Man van The Robins is uptempo doo-wop op ska ritme en helemaal Coombes' ding. Let's You And I Rock van Tony Crombie is swingende sax rock 'n' roll, net als de opgewekt swingende vrolijke rock 'n' roll van Nappy Brown's Little By Little en de swing rock 'n' roll van Let's Fall In Love, een crooner uit de jaren '30 onder meer gezongen door Frankie Lymon, James Darren, Lloyd Price, Paul Anka, Linda Scott, The Chimes, Sandra Dee, Dinah Washington en Cliff Richard, wat ons er aan herinnert dat Coombes' stem bij momenten wat weg heeft van Cliff. Coombes' opname van Let’s Fall In Love dateert van een jaar of vijf terug met zijn toen vijftienjarige dochter op leadzang. Intussen is Alaska Coombes van opleiding een klassiek geschoolde operazangeres! If I Fell is de a capella uitvoering van een Beatles song waarbij Coombes zeer mooi alle stemmen overdubde want het resultaat lijkt wel een kerkkoor! Nog meer variatie: Crazy Little Heart van Sid King & the Five Strings is mooie melodieuze medium tempo country met steel, Shout Sister Shout van Arthur "Big Boy" Crudup is uptempo bluesbop met slide maar klinkt sympathiek, en Eddie Cochran's gitaarstroller Fourth Man Theme is de instrumentale afsluiter van dit album dat qua sound en zangstijl zeker doet denken aan The Keytones, doch wanneer je het vanuit die optiek beluistert ga je de gitaar van James Knowler missen. Als je die vergelijking achterwege laat is dit een zonnig, vrolijk en positief album voor wie houdt van mooi stemmenwerk en ongecompliceerde fun rock 'n' roll zonder moeilijkdoenerij.
Destiny werd door Jarrod Coombes zelf uitgebracht dus de handigste manier om een exemplaar te pakken te krijgen is Coombes rechtstreeks contacteren via jarrodcoombes@hotmail.co.uk: voor 15 £ stuurt ie 'em naar jou thuis. Oh ja, een opvolger voor deze solo-CD staat nu al in de steigers en Jarrod Coombes heeft ook een nieuwe CD uit met zijn band Hullaballoo.
(Frantic Franky)


ROCK THAT SWING 2020
Part Records, PART-CD 650.035

Het vijftiende Rock That Swing festival in februari in München moet zowat het laatste festival zijn geweest dat dit jaar nog is doorgegaan en daar hoort sinds zeven jaar een jaarlijkse CD-sampler bij met de bands die er spelen. Ook bij ons zitten lindy hop, balboa, shag en andere kronkeldansen uit de jaren '20 tot '50 in de lift, maar de Rock That Swing weekender lijkt me hun jaarlijkse hoogmis. Ik ben er nog nooit geweest maar zou dat eigenlijk eens een keertje moeten doen, al vraag ik me af of ik met mijn drie linkerbenen daar tussen al die workshops op mijn plaats zou zijn - ik ben meer van het slag dat met een pilsje in de hand tegen het podium geleund naar de band staat te kijken. Tot het zover is zijn die Rock That Swing CD’s mijn jaarlijkse rendezvous met alles wat swingt in de neo-swingscene, want het mooie is dat ze die swing combineren met jive. Dit keer is dat niet anders met 23 tracks van 13 bands uit Engeland, Zweden, Oostenrijk, Italië, Duitsland en Frankrijk. Bekende namen uit het rock 'n' roll circuit zijn stijlpuristen Cherry Casino & the Gamblers die bewijzen dat ze niet alleen kunnen jiven (Let's Have A Crazy Ball) maar even goed thuis zijn in rustige melodieuze teenpop (Just One Look), de immer opruimde Jackson Sloan in Louis Prima mood (No No Don't Do It) en op de mondharmonica rock 'n' roll trein (Ghost Train), dynamo Si Cranstoun (Rosie Lees) en de gezellige gravel boogie woogie rock 'n' roll van Cat Lee King & his Cocks (Ain't Cha en de Ray Charles snuif You're The Greatest). Vergelijkbaar met Cat Lee King & his Cocks doch bij ons (voorlopig?) nog minder bekend zijn Boogie Banausen (Bump Jump Boogie). Van swing band Jumpin' Up (Phil Play The Guitar, Fine Brown Frame) recenseerden wij al CD’s en tot die big band swing behoren ook de NP Big Band en het Hot Swing Sextet dat het instrumentaal doet met trompet. The Hot Gravel Eskimos brengen rustige Hollywood crooner big band swing en nog meer ouderwets klinkende vooroorlogse jazz swing serveert Andrej Hermlin & his Swing Dance Orchestra. Er staan ook twee keer live opnames tussen de nummers en dat is iets waar ik niet zo van hou omdat ik live gejuich op studio albums steevast de sfeer vind ruïneren. Live is live en studio is studio wat mij betreft en je moet die twee niet door elkaar gooien. Met de twee nummers van de CD 100% Approved van de Mojo Blues Band uit Oostenrijk, met zijn 43 jaar op de teller ongetwijfeld een van de oudste blues boogie bands van Europa, is op zich nochtans niks mis: Check It Out Baby is piano boogie swing met sax en in Chuck Berry's Promised Land in Johnnie Allan's cajun rock 'n' roll arrangement wordt de accordeon vervangen door mondharmonica waardoor het richting Fabulous Thunderbirds gaat. Ook The Carling Family doet het in levenden lijve op één van hun twee instrumentale charlestons, Big Apple van hun live CD Harlem Joy. Zoek eens een keertje hun clipjes op YouTube: tromboniste Gunhild Carling moet zowat het zotste mens uit die hele swing scene zijn. Nog meer charleston: Nine Pennies met de instrumentale Cantina Song, niet uit de jaren stillekens maar afkomstig van John Williams' soundtrack van de film Stars Wars Episode IV: A New Hope! Minder mooi: dat nummer stond al op de Rock That Swing 2015 CD. Alle nummers zijn trouwens reeds eerder uitgebracht.
Info: www.part-records.de en www.rockthatswing.com
(Frantic Franky)


THE BALLADS OF/ JERRY LEE LEWIS
Bear Family, BCD17544

Jerry Lee Lewis was de artiest die het langst en het meest opnam voor het mythische Sun Records en je kan dan ook Jerry Lee Lewis CDs blíjven kopen, tenzij je een lening afsluit om de 4 kilo zware exhaustieve 18 CD-doos Jerry Lee Lewis At Sun Records, The Collected Works aan te schaffen. Wij hebben inmiddels genoeg Great Balls Of Fire's en Whole Lotta Shakin' Goin' On's om nog twee levens lang toe te komen, maar deze CD met 27 Sun tracks 1956-1963 biedt toch weer een ander uitgangspunt. Jerry Lee wordt voor één keer namelijk niet als de Killer belicht, maar de spot wordt gericht op zijn introspectieve kant. Op al zijn Sun CD’s staan tussen de rockers door wel een paar van zulke ballades maar menig rock 'n' roll fan skipt die nogal eens, en juist daarom is het zo interessant dat ingetogen materiaal eens op zichzelf te beluisteren. Jerry Lee Lewis was immers als geen ander een stilist die eender welk genre tot het zijne kon maken, elke song naar zijn hand kon zetten, en dat alles telkenmale helemaal liet klinken als Jerry Lee. Vaak is de basis country (en als het country is is het met You Win Again, Cold Cold Heart en de heropname uit 1959 van I Could Never Be Ashamed Of You vaak Hank Williams), maar Lewis putte evengoed uit gospel (Will The Circle Be Unbroken), crooners (Someday) of desnoods uit teenpop (Love Made A Fool Of me). Zelfs van Pat Boone's Love Letters In The Sand maakt die dekselse Jerry Lee een gezellige boogie woogie! 't Is een cliché, maar weinigen konden zo doorleefd gevoelige ballades ten gehore kon brengen als Jerry Lee Lewis. Ballades én medium tempo honky tonkers, want de Ballads reeks van Bear Family beperkt zich heus niet enkel en alleen tot trage nummers. Sommige nummers zijn welbekend zoals Crazy Arms, Born To Lose, That Lucky Old Sun en Goodnight Irene, andere zullen de meesten onder u nog nooit gehoord hebben, weer andere kwamen pas járen later voor het eerst uit in het kielzog van zijn countrysuccessen vanaf eind jaren ‘60, en de CD bevat ook duetten met Charlie Rich (Sail Away) en zus Linda Gail Lewis (Seasons Of My Heart). Soms wordt er een orgeltje (Set My Mind At Ease) of zelfs een kermisorgeltje (Love On Broadway) bijgesleurd of een mannelijk dan wel suikerzoet vrouwelijk koortje op geplakt, soms doet een heel strijkersorkest mee (Invitation To Your Party) en dan is het weer Jerry Lee Lewis helemaal in zijn eentje aan de piano met alleen die vreemd vibrerende stem, maar ook dan klinkt hij majestueus. The Ballads is een Jerry Lee voor in de vroege uurtjes als de kroeg op sluiten staat.Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


LET'S THROW A PAJAMA PARTY VOLUME 2
Atomicat, ACCD039

Volume 2 gaat verder waar Volume 1 ophield: een mix van bekende fifties/early sixties hits, het onbekendere werk, voze instrumentals en dit keer in vergelijking met Volume 1 veel doo-wop maar geen country, in een verhouding van 1 klassieker op 3. Tot de eerste categorie behoren Ral Donner die zijn innerlijke Elvis channelt in het mooie Girl Of My Best Friend en het mijns inziens overbodige wegens te overbekende Walk Don't Run van The Ventures. Een pyjamafeestje is niet compleet zonder slows en Pat Boone brengt de redding met I Almost Lost My Mind terwijl Johnny Tillotson Hank Williams' I'm So Lomesome I Could Cry een plechtige beurt geeft. Nog zo'n schuifelaar: What Time It Is van The Jive Five. Doo-wop klassiekers zijn The Heartbeats' eeuwige A Thousand Miles Away en voor wie het graag wat sneller heeft Gee van The Crows, Bobby Day's That's All I Want dat een stuk van de melodie van Rockin' Robin steelt, en het aanstekelijke Pretty Little Angel Eyes van Curtis Lee. De betere rock 'n' roll die het nooit tot hitstatus bracht is Please Please van Kimball Coburn, Hands Off van Donna Hightower, het gezellige Rock Everybody van The Teen Queens, Young Jessie's jiver Hit Git And Split, Donna Dameron's Chantilly Lace antwoord Bopper 486609, het uptempo doo- woppende Can‘t We Be Sweethearts van The Cleftones, de fijne jiver Hey Boy Hey Girl van Oscar McLollie & Jeanette Baker, en eindelijk heb ik Chico Holiday's fantastische stomper Cuckoo Girl, een generatie geleden in België gecoverd door The Domino's. Ook iets wat je niet iedere dag hoort is Barbie Gaye's originele My Boy Lollipop en Get A Job in de beschaafde vocal harmony versie van de zoetgevooisde Mills Brothers. Voor rare instrumentals zijn wij altijd te vinden en Goose Part 1 van Don Markham & the Marksmen is zeker een vreemd beestje, een piano in stroll tempo op een strak bedje van gitaar. The Green Mosquito van The Tune Rockers, een favorietje van mij, is een zware sax-/gitaarsleper waarin een mug wordt doodgemept, terwijl saxofonist Chuck Higgins in Wet Back Hop een lesje honken geeft. Tot de betere teenrock behoren Pretty Baby van Gino & Gina, Lovey Dovey Baby van Dave Burgess van The Champs (de intro en de basis van het nummer klinken inderdaad als een Champs instrumental) en Mark Dinning's Cutie Cutie, maar Gale Storm klinkt in I Hear You Knocking als Mae West, Plaything van Nick Todd is een platte kaas en I Wish That We Were Married van Ronnie & the Hi Lites is helemáál een draak, de enige twee smetten op deze voor de rest meer dan okee compilatie met 30 zeer gevarieerde tracks uit 1953-1962. Het derde en laatste deel in de reeks is inmiddels ook uit, maar hou er rekening mee dat de CD’s geen hoesnota’s bevatten.Info: www.atomi-c.at (Frantic Franky)

16 september 2020

FINALLY/ RONNIE NIGHTINGALE & THE HAYDOCKS
Part Records, PART-CD 6129.001

Het teddyboy wezen, in Nederland bijna even uitgestorven als de dodo, is in diverse Europese landen nog steeds alive and kicking en in die kringen waarin nochtans best wat competitie heerst staan onze oer-Nederlandse Ronnie Nightingale & the Haydocks mee aan de top. Ze worden regelmatig met lichte aandrang op een vliegtuig richting diverse buitenlanden gepord - ik zweer dat ik ze zelf ooit op een luchthaven toevallig ben tegen het lijf gelopen - om hun rock 'n' roll duivels te ontbinden als top of the bill op diverse Europese podia, waardoor ze jammer genoeg eigenlijk meer in den vreemde spelen als bij ons achter de hoek. Hun reputatie komt niet uit het niets: nu reeds bijna 40 jaar verblijden Ron Nagtegaal en zijn kompanen vriend en vijand met teddyboy rock 'n' roll made in Holland. Toch is dit dacht ik pas hun vierde album, waarop de teddyboy gemeenschap zit te wachten sinds DutchRub van 13 jaar terug. Kwaliteit boven kwantiteit dus, en deze CD, gemixt en gemasterd door Mario Oehlmann van Foggy Mountain Rockers (D), blijkt het wachten waard geweest te zijn met 16 gloednieuwe eigen nummers keurig nette vlijmscherpe rock 'n' roll, in tegenstelling tot veel bands in dit subgenre voortreffelijk gespeeld en voorbeeldig gezongen, met rechtdoor rock 'n' roll als Bonsoir Marie en She Ain't Got Nothing en meerdere hymnes ter meerdere eer en glorie van het subgenre zelf als The Teds Are Still Alive, Teddyboy Family en Redhead Teddy Girl. Uiteraard bevat de CD de vereiste invloed van British rock 'n' roll in Baby You're Mine en My Gal en in de melodieuze rock-a-ballad Traveling Bone, maar de val waarin veel tedbands trappen door albums te maken met een dozijn keer hetzelfde nummer aangekleed in een andere drape vermijden Ronnie Nightingale & the Haydocks door tongue-in-cheek humor als Food Crazy en de subtiele introductie van andere stijlen als dreigende countryrock (Lonesome Town), de surf instrumental Hauted House en zelfs een jazzy swingske (Tonight Is The Night). De fans zullen tevreden zijn, maar ook wie niet zo thuis is in het teddyboy wereldje raden wij aan dit eens een keertje onbevooroordeeld te beluisteren. Info: www.part-records.de en www.facebook.com/ronenmarijke.nagtegaal
(Frantic Franky)


MAMA HE TREATS YOUR DAUGHTER MEAN/
RUTH BROWN

Bear Family, BCD17542

Deze CD opent met het door Bobby Darin gepende en door veel moderne rock 'n' roll zangeressen vertolkte lijflied This Little Girl's Gone Rockin', en rocken kon Ruth Brown inderdaad als de besten. Haar singles zullen in de jaren '50 dan ook menige jukebox gesierd hebben, want ze verkochten als zodanig warme broodjes dat haar platenlabel Atlantic Records ondanks de aanwezigheid van kleppers als The Drifters en The Clovers en vóór de komst van Ray Charles bekend stond als “the house that Ruth built”, het huis van vertrouwen dat ze niet alleen bouwde maar met haar muziek ook stevig op zijn grondvesten deed schudden. Zoals This Little Girl's Gone Rockin' staan er op de CD nog een aantal, met name Mama He Treats Your Daughter Mean (de zeldzamere heropname uit 1958), 5-10-15 Hours (idem), Smooth Operator, I Want To Do More en As Long As I'm Moving, songs die zelfs in haar eigen tijd door haar eigen collega’s als toonaangevend werden beschouwd, getuige covers door Cliff Richard (Lucky Lips), Rose Maddox (Wild Wild Young Men) en Johnny Carroll (Wild Wild Young Men als Wild Wild Women). In die nummers wordt Ruth Brown's dynamische, expressieve empathische zang ondersteund door gesuikerde saxofoons (onder meer Sam The Man Taylor, King Curtis en Boots Randolph), knisperende rock 'n' roll gitaren (onder meer Al Caiola en Mickey Baker) en de vloeiend swingende arrangementen van een big band. Ruth Brown's rock 'n' roll kwam niet uit het niets: ze was al actief sinds de tweede helft van de jaren '40 en een nummer als Hello Little Boy uit 1954 is van het alles geven tot de laatste man er bij neervalt slag. Ook van de partij: bump en grinders als It's Love (24 Hours Of The Day), mamborock als Mambo Baby, het strollende I Gotta Have You duet met Clyde McPhatter van The Drifters en een zeer geslaagde uitvoering van LaVern Baker's Jim Dandy. Op basis van de eerste 17 van de in totaal 31 tracks op deze CD zou je'm eerder in Bear Family's Rocks reeks onderbrengen, maar de inclusie in de Juke Box Pearls serie wordt gerechtvaardigd door een tiental nummers die allemaal medium tempo of traag zijn, ballades als Anyone But You, I Can See Everybody's Baby en het groots georchestreerde The Door Is Still Open, veelal gesitueerd eind '50 begin '60, soms zoals in Sweet Baby Of Mine, I Don't Know en Walk With Me Lord gekenmerkt door de haast exotische, dramatische sound die begin jaren' 60 zo populair werd dat ie uiteindelijk een van de pijlers van de popcorn zou worden. Tot die traag smeulende maar diep brandende kant van Ruth Brown behoren ook de teen pop van I Burned Your Letter, Peggy Lee's jazzy Why Don't You Do Right, nog meer crooner werk met Duke Ellington's I'm Just A Lucky So And So en een mooie interpretatie van Phil Phillips' Sea Of Love. De CD sluit af met vier live-in-de-studio opnames, hier voor het eerst officieel op CD, in 1955 ingeblikt voor de filmvluggertjes Rock 'n' Roll Revue en Rhythm 'n' Blues Revue, van nummers die Ruth Brown eerder al had opgenomen in reguliere studioversies maar waarvan enkel de studio versie van Mama He Treats Your Daughter Mean op deze CD staat. Van de andere drie zijn Teardrops From My Eyes en The Tears Keep Tumbling Down rock 'n' roll, Oh Wat A Dream is opnieuw een torch ballad.
Eindoordeel: zonder enige twijfel het betere werk, wat ook geldt voor het voorbeeldige CD booklet van 36 pagina’s met tekst, uitleg, foto’s, hoezen en een sessionografie. Eén slordigheidje omdat alleen God onfeilbaar is: drie nummers zijn bij de tracklisting door elkaar gehusseld. Ruth Brown overleed in 2006 op 78-jarige leeftijd. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)


GONNA SHAKE THIS SHACK TONIGHT,
FROM THE VAULTS OF DECCA AND CORAL RECORDS

Bear Family, BCD17602

Bear Family's Gonna Shake This Shack Tonight reeks bevat intussen al een 40-tal CD’s van individuele artiesten maar dit is na RCA/X en Sage/Sand in die serie nog maar de derde various artists CD gewijd aan één label, in casu Decca Records en sublabel Coral. In die zin zijn die drie CD’s vergelijkbaar met Bear Family's Let's Flat Git It labelreeks, behalve dat Let's Flat Git It de rockabilly inventariseert en Gonna Shake This Shack Tonight de uptempo country rock en hillbilly bop die de roots vormde van die rockabilly en wel de drive van rock 'n' roll bezit doch net niet rockabilly genoeg is om op Let's Flat Git It te mogen. Op dat genre zijn wij al verliefd sinds de Boppin' Hillbilly reeks op White Label (NL) eind jaren '80 en we zijn er zoveel jaar later nog steeds niet op uitgeluisterd. Deze 30 tracker 1950-1957 is dan ook een geweerkolfje naar onze hand met veel bekende artiesten als Hardrock Gunter (de enige hardrock die wij goed vinden, we zagen hem ooit nog in Hemsby zo doof als een pot maar dat drukte de pret niet), gitaarheld Hank Garland met een zeldzaam gezongen nummer (Guitar Shuffle) en Wayne Raney (40th And Plum). Sommige van die artiesten namen ook rockabilly op zoals Chuck Murphy (Blue Ribbon Boogie) en Autry Inman (Happy Go Lucky), andere zijn bekend om andere redenen zoals Chet Atkins' halfbroer Jimmy Atkins, Lonnie Glosson (de mondharmonicaspeler voor The Delmore Brothers en Wayne Raney die hem dan ook begeleiden op zijn Delmore Brothers cover Pan American Boogie), Kenny Roberts (de artiest die Bill Haley leerde jodelen), Rusty Keefer (componist van Bill Haley's R-O-C-K) en Tex Williams (tien jaar eerder vocalist op Spade Cooley's Shame On You). Ook een paar songs zijn bekend zoals Cherokee Boogie in de piano boogie versie van Jimmie Davis en Lattie Moore's Juke Joint Johnny hier door Jimmy Atkins. Soms komen ze uit onverwachte hoek zoals Rusty Keefer's medium tempo bluegrass geïnspireerde versie uit 1953 van I'm Here To Get My Baby Out Of Jail, een stokoude song bekender als ballade in de hitversie van The Everly Brothers uit 1962. Dat die zingende cowboys daarbij graag zwarte hits mochten verblanken is geen geheim, en er was dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat een liedje dat populair was bij het zwarte publiek geen succes zou kennen bij een blank publiek zolang het maar door een blank orkest werd uitgevoerd. Voorbeelden van rhythm 'n' blues gone western swing zijn Sixty Minute Man van The Dominoes en You Played On My Piano van Helen Humes, beide door Hardrock Gunter, maar dat die kruisbestuiving ook in omgekeerde richting plaats vond wordt vaak vergeten, en zo hoor je het steevast met Wynonie Harris geassocieerde Bloodshot Eyes hier in de originele versie van... Hank Penny! Andere songs werden rechtstreeks uit de jazz overgenomen zoals Benny Goodman's tongtwister Ding Dong Daddy (From Dumas), hier uitstekend uitgevoerd door Jimmy Atkins. Deze CD heeft het allemaal: instrumentals (Rancho Boogie van Tex Williams), zangeressen (Tabby West, Roberta Lee), western swing en uptempo boogies, een topselectie uit het genre met een hoog rock 'n' roll gehalte, deels ook door de songthematiek zoals T. Texas Tyler's Hot Rod Rag, met alle ingrediënten die het genre zo fascinerend maken als slappende contrabas, jazzy honkytonk en boogiewoogie piano, elektrische leadgitaren, stop-start structuren, stevig in het gelid swingende fiddles, en de invloed van zowel bluegrass (Grandpa Jones' Eight More Miles To Louisville, Kenny Roberts' I'm Looking For The Bully Of The Town) als cajun (de Link Davis cover Pretty Little Dedon door Tabby West). Een element dat we niet terughoren in rock 'n' roll is daarentegen de foutloze dictie, welbespraaktheid en warme stemtimbres van de meeste van deze zangers. In elk geval: een waarlijk schitterende verzameling muziek op het kruispunt van western swing en hillbilly boogie uit de tijd dat schoenpoetsertjes en krantenverkopertjes nog shaketen, countryzangers nog cowboyhoeden droegen en de violen nog fiedelden dat het een lieve lust was. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

20 augustus 2020

TRINIDAD, THE LAND OF CALYPSO/
JAMAICA JOHNNY & HIS MILAGRO BOYS

Bear Family, BCD17523

Waarom wij een calypso-CD recenseren terwijl dat muziekgenre in de tweede helft van de jaren '50 juichend werd ingehaald als de rage die die vermaledijde rock 'n' roll van het aardoppervlak zou wegvegen? Wel vrienden, dat is om twee redenen. Wij houden wel degelijk van een potje calypso op tijd en stond, allemaal de schuld van filmacteur Robert Mitchum met wiens LP Calypso Is Like So uit 1957 het is begonnen voor ons, maar tegenwoordig kunnen wij zelfs Harry Belafonte naar waarde schatten. Ten tweede: Jamaica Johnny heeft nooit één voet in Jamaica of Trinidad gezet maar kwam via Suriname gewoon uit ons eigen koude kikkerlandje! De in 1919 in de Surinaamse hoofdstad Paramaribo geboren Cornelis Lionel Liefeld ging in de tweede wereldoorlog bij de Koninklijke Marine, werd na de bevrijding gestationeerd in Katwijk, en trok van Katwijk naar Amsterdam waar hij ging zingen in het orkest van de eveneens Surinaams-Nederlandse Max Woiski Sr (BB met R oftewel Bruine Bonen Met Rijst, een hit in 1950). Midden jaren '50 ging Liefeld solo als Jamaica Johnny en vormde hij zijn Milagro Boys met wie hij opnam voor Phillips van 1957 tot 1962, platen die ook verschenen in Frankrijk, Denemarken en Noorwegen waar hij zo populair werd dat hij er ook toerde - Raspeballer op deze CD is een Engelstalig nummer over Noorse delicatessen!
De calypso van Jamaica Johnny is feestelijk, zonnig, zomers en immens vrolijk en bevat elementen van cha cha cha, mambo, rumba, bolero en merengue. De wat poppy sound klinkt zoals calypso in die dagen door alle dansorkesten werd gespeeld, en Liefeld's zang heeft het in die dagen als authentiek beschouwd buitenlands accent. De songs zijn de typerende grappige verhaaltjes met enkele calypso klassiekers als Man Smart Woman Smarter (van King Radio, gecoverd door Harry Belafonte en Robert Mitchum) en Let Me Call You Mathilda (bekendst van Harry Belafonte doch origineel van King Radio uit 1938). Pretty Woman is een antwoord op Ugly Woman van Roaring Lion dat bij Robert Mitchum From A Logical Point Of View was en in 1963 een wereldhit werd als If You Wanna Be Happy For The Rest Of Your Life van Jimmy Soul. Naast een aantal eigen nummers horen we voorts covers van andere calypso artiesten als Lord Kitchener (Mother And Wife), Lord Flea (Donkey City), Lord Beginner (Love Love Love), Count Lasher (Calypso Ca Cha), The Lion (Trinidad Land Of Calypso) en The Tiger (Take Me To Locero, originele titel Don't Let Mama Know). Ja, die calypso mannen hadden kleurrijke namen! Minder evidente maar daarom des te interessantere covers zijn de swingerd Who Threw The Whiskey In The Well van Bullmoose Jackson/ Lucky Millinder die inderdaad klinkt als een orkestuitvoering van rhythm 'n' blues swing, en Annette Funicello's hit Pineapple Princess uit 1960. Een nummer dat je evenmin in deze context verwacht is de bluegrassbilly Last Train To San Fernando van Johnny Duncan. Bij Jamaica Johnny wordt dat pure calypso en dat is minder verwonderlijk dan je zou denken want Last Train To San Fernando wás origineel een oude calypso, namelijk van Mighty Dictator uit 1950 - 't is de boemeltrein naar de stad San Fernando in Trinidad en niet de intercity naar San Fernando in California! De merkwaardigste nummers zijn evenwel twee singles die Jamaica Johnny opnam voor Amstel bier, het in het Engels gezongen Amstel Beer Calypso/ Beeeeeer Amstel Beer uit 1957, beide calypso’s pur sang die jubelend de geneugtes der edelste godendrank bezingen, en het in het Nederlands gezongen Op Een Klein Stationnetje (helaas met een tikfout in de tracklisting op de achterflap) dat niets te maken heeft het met kinderliedje In Een Klein Stationnetje ('s Morgens In De Vroegte) waarin opnieuw Amstel bier om de hoek komt piepen, in 1961 op single gekoppeld aan de in het Nederlands gezongen Amsterdam Calypso, opnieuw over en eigenlijk één lange reclamespot voor Amstel bier. Beide nummers hebben evenveel met cabaret cocktail jazz als met calypso te maken maar van ons mogen ze gelijk opnieuw gebruikt worden in reclame voor Amstel!
Deze eerste Jamaica Johnny verzamelaar is een dubbel-CD die met 28 nummers zijn complete opnames bevat met een totale speelduur van meer dan 80 minuten, wat betekent dat we over relatief langer nummers praten. Met andere woorden: je moet al redelijk calypso minded zijn om dit in één zitting uit te zitten, zo niet zal de verveling snel toeslaan - misschien dat een Amstel biertje helpt, hahaha. Liefeld liet na 1962 de muziek achter zich en ging aan de slag als spuiter in de automobielindustrie. Hij overleed in 1993. Deze boeiende release documenteert een vergeten stukje Nederlandse muziekgeschiedenis en vertelt de story van Jamaica Johnny in een CD-boekje van 32 pagina’s, een bijzonder ingewikkeld verhaal met nog steeds veel hiaten, ondanks de medewerking van zijn zoon die zijn herinneringen en plakboeken deelde. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)


TREN SOLITARIO/ LOS BOPPERS
Jasmine, JASCD1088

Ik hoorde voor de eerste keer van de in 1960 in Mexico City opgerichte Los Boppers toen hun Tren Solitario, een Spaanse vertaling van Johnny Burnette's rockabilly classic Lonesome Train (On A Lonesome Track), in 1988 op Desperate Rock 'n' Roll Volume 9 stond. En kijk: 32 jaar later (we worden oud) kan je van Los Boppers een CD kopen met 32 tracks uit 1961 en 1962, voor zover wij weten de eerste Los Boppers CD die verschijnt buiten Mexico. Er staan géén instrumentals op, alle nummers zijn in het Spaans gezongen, en de CD bevat slechts één eigen nummer, de prima oosters-exotica rock-a-pitta-ballad Ali Baba, plus één cover van een andere Mexicaanse band, de rocker Vuelve Primavera, origineel van Los Blue Caps. De overige 30 nummers zijn vertalingen van Amerikaanse songs, veelal bekende hits zoals Itsy Bitsy Teenie Weenie Yellow Polka Dot Bikini (Bikini Amarillo), Rip It Up (En La Fiesta De Hoy), When The Saints Go Marchin' In (Rock De Los Santos), Hard Headed Woman (Mujer Cabeza Dura), Singin' The Blues (Cantando El Blues), Party Doll (El Baile De La Muneca), Corina Corina en Just Because (Porque Soy Rebelde) - de minst bekende zijn (Baby) Hully van The Olympics (Ale Jale Gale), I Love You In The Same Old Way van Paul Anka (Te Quiero Como Siempre), You Don't Owe Me A Thing van Marty Robbins (Olvidame), Kissin' Time van Bobby Rydell (Tan Solo Un Besito), Pretty Blue Eyes van Steve Lawrence (Hermosos Ojos Azules), Round And Round van Perry Como (Vuelta Y Vuelta), Little Miss Stuck-Up van The Playmates (Adios Tu) en Why Do I Love You So van Johnny Tillotson (Porque Te Amo Tanto). Een flink deel van de track listing zijn ballads en teenrock zoals Blueberry Bill (Colina Azul), Dreamin' (Soñando) en Trying To Get To You (Tratando De Conseguirte). Van Tren Solitario, Amante Soñador (Dream Lover), Dificultades (Trouble van Elvis) en Saco Sport Blanco (A White Sport Coat) horen we twee verschillende versies (de tweede Tren Solitario is trager) omdat Los Boppers vóór ze rond 1965 uit elkaar vielen op hun drie LP’s en een vuistvol singles nogal wat nummers heropnamen. Gelukkig staan niet ál hun heropnames op de CD, want ik hoor van een band waarvan ik niets anders heb liever twee verschillende songs dan twee versies van dezelfde song. Alleen al de grootte van hun output wijst erop dat de origineel maar liefst zevenkoppige Los Boppers een van de betere Mexicaanse bands moet zijn geweest en zowel de meerstemmige zang met twee leadzangers als de instrumentatie met gitaar en piano zijn hoogstaand en van een ontwapenend naïeve charme door de zwabberende gitaren en de ongepolijste sound. Vaak vertonen hun arrangementen van die bekende songs opvallende wijzigingen tegenover de originele hitversies, en het feit dat alles in het Spaans is geeft uiteraard een extra exotische toets. Verplichte kost voor de liefhebber van el salvaje rock y roll die ook niet-zo-salvaje rock 'y' roll weet te smaken!
Info: www.jasmine-records.co.uk
(Frantic Franky)


A REAL COOL CAT:
HILLBILLY AND RUSTIC ROCKABILLY BOP Vol. 1
Atomicat, ACCD022

Na vijf Hillbilly Boogie And Jive volumes (ACCD017-21) start Atomicat een nieuwe vijfdelige reeks uitgezocht door DJ Mark Armstrong (in het ware leven afgestudeerd als criminoloog!) met, euh, hillbilly boogie, jive en rustieke rockabilly bop, zijnde de medium tempo honky tonk hardwood floor muziek (Shorty Holloway & His Prarie Ramblers' Telephone Blues, Doc Bryant & his National Jamboree Gang's Cotton Pickin' Boogie, Pat Patterson & his Missouri Hillbillies' Mister Hillbilly) uit de helaas reeds lang vervlogen dagen dat accordeons nog cool waren, vraag maar aan Carl Petz & the Drifting Cowboys met Looking For A Date Tonight. Dat genre evolueerde intuïtief tot rockabilly: luister naar de gitaarsolo in Hugh Friar & Virginia Vagabonds' I Can't Stay Mad At You of naar de sfeer van Lattie Moore's Why Did You Lie To Me uit 1958 dat veel moderner, haast jaren '60 klinkt. De CD titel dekt de lading trouwens niet helemaal want hier staat evengoed piano boogie en gestroomlijnde bijna-western swing op, met voor de goede orde ook slappende echobilly waarvan Roy Moss' You’re My Big Baby Now een klassiek voorbeeld is. De show wordt gepresenteerd door helden uit het verleden als Jim Reeves (een artiest die wij met het ouder worden steeds meer zijn gaan waarderen, hier met Oklahoma Hills), de immer opgewekte Maddox Bros & Rose met een medium tempo South, Merle Travis & Joe Maphis met een supersnelle instrumentale improvisatie op Corrine Corrina (op de achterzijde van de CD staat abusievelijk King For A Day van Benny Barnes vermeld), rots in de branding Frankie Miller (I Can´t Run Away), Gene O’Quin (Too Hot To Handle), Eddie Noack als zanger bij RD Hendon & his Western Jamboree Cowboys (de Hank Snow cover Music Makin' Mama From Memphis), Stonewall Jackson (Smoke Along The Track), Little Jimmy Dickens (I’m Coming Over Tonight), Leon Payne (blind, maar zingen kon hij als de beste, hier met I'm A Lone Wolf), Red Foley met de fox chase Freight Train Boogie en The Delmore Brothers, uitvinders van de fox chase, met Waitin' For That Train. Altijd meegenomen: onbekende versies van in het genre bekende songs als Jack Turner's origineel van Everybody´s Rockin´ But Me enkele maanden vóór Bobby Lord, en Wade Holmes' cover van Carl Smith's Go Boy Go. Alles samen krijg je 28 nummers 1947-1960 heerlijke en eerlijke muziek uit de goede oude slechte tijd toen na zes dagen hard werken het hoogtepunt van de week bestond uit een bad nemen en gaan dansen in de lokale honky tonk. Wij bouwen alvast een kampvuur in afwachting van die volgende vier volumes. Info: www.atomi-c.at
(Frantic Franky)


SOUTHERN BRED TEXAS R & B ROCKERS
Koko Mojo, KMCD048

Damn, Koko Mojo brengt ze sneller uit dan wij ze kunnen recenseren, en wel zo snel dat wij compleet de tel kwijtraken. Zo blijkt dit ineens volume 10 te zijn van de Southern Bred reeks, al is dat opletten geblazen want ze heten allemaal hetzelfde en dragen dat woordje "volume" niet in de titel - eigenlijk kan je ze enkel uit elkaar halen aan de foto’s op het hoesje, aan het catalogusnummer en uiteraard aan de tracklisting. Degene die wij vandaag ter hand nemen is de tiende Southern Bred waarvan de eerste vijf Mississippi R & B Rockers waren en de tweede vijf Texas R & B Rockers, waarbij Mississippi en Texas staan voor de geboortestaat van de artiesten die er op staan, zo lees ik. Daarmee weet u gelijk waarom wij de reeks nu pas oppikken: rhythm 'n' blues is niet ons ding, in het geval van onderhavige CD geheel ten onrechte want de muziek is gewoon zwarte rock 'n' roll die nu eenmaal voortvloeide uit de rhythm 'n' blues en daar flink wat elementen uit overnam, maar evengoed uit swing. De 28 tracks werden uitgekozen door de Britse DJ Mark Armstrong die al veel rock 'n' roll- en hillbilly-CD’s samenstelde voor zusterlabel Atomicat maar ook geheel thuis blijkt in de zwarte varianten.
Openers Big Walter & his Thunderbirds stellen meteen orde op zaken met Pack Fair And Square, een zwarte rocker met een artillerie aan blazers in Shake Rattle And Roll modus (en een live-opname waarvan het einde afgenepen werd?). Tot de leerlingen van de Little Richard rock 'n' roll school behoren Young Jessie (Don't Happen No More, op de tracklisting staat het ons onbekende Little Bitty Things vermeld) en Bobby Byrd (Bobby Day's echte naam) die er in Bippin' An' Boppin' (Over You) zelfs een trompet bijsleurt. Floyd Dixon houdt het gezellig in Hey Bartender, Joe Houston toetert er een eind op los in We're Gonna Rock 'n' Roll, Little Esther's Mainliner is vlotte medium tempo rock 'n roll met sax en piano en Marie Adams begeleid door de band van Johnny Otis levert een geweldige What Do You Want To Make Those Eyes At Me For af. Rock 'n' roll net iets meer R 'n' B geïnspireerd is het medium tempo Are You Ready To Go Steady van Paul Monday, wat zich vooral uit in de gitaarsolo en in de doorleefdere zang. Helemáál rhythm 'n' blues swing is bluesgitaargod T-Bone Walker die een complete big band achter zijn bluesgitaar instrumental Strollin' With Bones zet die géén stroll is, net zoals The Boogie Twist (Part 2) van Cal Valentine & the Texas Rockers geen twist is maar sixties instrumentale orgel grooves gekoppeld aan sax en rhythm 'n' blues gitaar. Dat heeft iets, maar wàt? Nog meer rhythm 'n' blues swing zijn Lester Williams' Hey Jack, Paul Monday's Irene's Boogie en Jesse Belvin's Baby Don't Go, al dan niet met een bluesgitaar zoals Lester Williams' I Know That Chick, Gory Carter alias Goree Carter's Seven Days en I'm Your Boogie Man, en Marie Adams' I'm Gonna Latch On. Verschillende songs zijn in essentie rhythm 'n' blues met een rock 'n' roll insteek zoals Albert Collins & his Rhythm Rockers' instrumentale Collins Shuffle, Harmonica Slim's Do What You Wanna Do en de gemeen bluesboppende gitaarinstrumental Let's Move alias Movin' On Out Boogie van Lightnin' Hopkins. Primitivo blues bop zijn Andrew "Smokey" Hogg's Hello Little Girl en Peppermint Harris' Got A Big Fine Baby. Neck Bones And Collared Greens van Wild Bill Moore is semi-instrumentale zwarte frolic diner swing, Wine Drinkin' Woman van Roy Hawkins is medium tempo New Orleans rhythm 'n' blues op ska ritme, Midnight Boogie van Lloyd Glenn & his Joymakers is instrumentale piano boogie woogie. 't Zijn semantische verschillen natuurlijk, maar hoe gevarieerd de muziekjes op deze CD zijn merk je aan het feit dat er zelfs een Spaanstalig nummer op staat dat bovendien pure primitieve rock 'n' roll is, Freddy Fender's vertaling van Jailhouse Rock getiteld El Rock De La Prision, verschenen helemaal in het begin van zijn carrière in 1957 onder zijn echte naam Baldemar Huerta lichtjaren vóór Before The Next Teardrop Falls en Wasted Days And Wasted Nights. Hij komt nog een tweede keer terug in 1960 als Freddy Fender met de standaard sixties rocker Little Mama met steel, fiddle en female backings, opnieuw heerlijk primitief. Samengevat: zwarte rock 'n' roll thuis van vele markten afgewisseld door rhythm 'n' blues gitaren met rock 'n' roll kadrering, die mij als leek ter zake aangenaam verrast heeft. Toch maar eens die vorige negen volumes proberen? Info: www.koko-mojo.com
(Frantic Franky)


GOOD OLD SUMMERTIME
Bear Family, BCD17528

Bear Family bracht vorige zomers de zomer-CD’s Banana Split For My Baby (BCD17513) en Another Banana Split Please (BCD17601) uit en dit is het derde deel dat een andere titel en een andere cover kreeg. De thematische inhoud blijft dezelfde: 33 hot sunny gems for your summer holidays. Muzikaal wordt dat ingevuld met vooral rock 'n' roll uit diverse goede vaatjes van het aanbevelenswaardige voor-elk-wat-wils principe zoals Derrell Felts' It's a Great Big Day (opgenomen in 1959 door Norman Petty met The Crickets als begeleiders), Toni Dee's June July And August, The Four Mints' Night Air, ex-Louis Prima zangeres Lilyann Carol's Soda Pop, Joey Welz' gitaar-/piano-instro Shore Party, King Curtis' gitaar-/sax-/orgel-instro Beach Party, Joe Jones' originele California Sun en Jerry Lee Lewis' Sun rocker Milkshake Mademoiselle. Tot die rock 'n' roll rekenen we ook doo-wop in alle soorten en maten van The Dovells (Summer Job), The Del Vikings (The Sun), Gerald Sims & the Daylighters (Cool Breeze), The Videls (Now That Summer Is Here), The Charades (Surf 'n' Stomp) en The Sh-Booms alias The Chords (Short Skirts). De betere teenrock wordt vertegenwoordigd door Annette Funicello (Bikini Beach Party), Jimmy Daley alias Kip Tyler (het mijlenver van Jungle Hop en She's My Witch verwijderde Summer Love), Don Carroll (het door Jerry Reed gepende Seven-Up And Ice Cream Soda), Andrea Carroll (Please Don't Talk To The Lifeguard), Lorrae Desmond (Soda Pop Hop) en Dick Glasser alias Dick Lory alias de zanger op Pee Wee King's Ballroom Baby en Catty Town met de stroll Jeannie's Bikini die een zusje van Bony Moronie lijkt. Pee Wee Crayton rockt de blues in Rockin' The Blues, net als Gene & Billy die van de warmte weten in It's Hot. Geen zomer zonder strand, geen strand zonder surf en geen surf zonder de kaalgeschoren Pyramids met de gitaar-/sax-instro Bikini Drag. De prijs voor de vreemdste bijdrage gaat naar de (voor de tienermarkt gekuiste?) niet-alcoholische vocal swingbilly uitvoering van Drinkin' Wine Spo Dee O Dee getiteld Drinkin' Pop Sodee Odee (Pop Pop) met Donny Baker & the Dimensionals als droogzakken. De verplichte strijkerballades (Debbie Reynolds' Summer Romance en Richard Barrett & the Chantels' Summer's Love) en crooners (Mel Tormé's Moonlight Cocktail) zijn uiteraard ook aanwezig op het strandfeest, net als swing (Dean Martin's In The Cool Cool Cool Of The Evening) en vocal harmony swing (Evelyn Knight & the Stardusters met het ook van Dean Martin bekende Powder Your Face With Sunshine). Ook In The Good Old Summertime van The Kirby Stone Four is vocal harmony terwijl die wel degelijk rock 'n 'roll opnamen zoals hun versie van het nummer Kids uit de film Bye Bye Birdie.
Bear Family's Seasons serie bevat zoals geweten niet alleen rock 'n' roll en aanverwanten maar gaat steevast zowel breder als vroeger, wat betekent dat In The Summertime loopt van 1946 tot 1964 en ook mamboot en cha cha chat met Edmundo Ros (Summertime) en The Andrews Sisters (Her Bathing Suit Never Got Wet). Mij hoort u daarover niet klagen, want van dit soort verzamelaars boordevol te (her)ontdekken minder bekende maar kwaliteitsvolle songs in uitmuntende geluidskwaliteit krijg ik voorlopig niet genoeg. Weer kutweer? Op deze CD schijnt het zonnetje! Zoals altijd bij de Duitse re-issue wereldkampioen steekt er een verzorgd full colour boekje van 24 pagina’s bij met foto’s, retro-illustraties en track per track info. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)


KUSTOM KULTURE KLASSICS
Atomicat, ACCD046

Met een compilatie over auto’s - en er zijn er veel - ga je zelden uit de bocht omdat de meeste car songs snelheid en het daarmee gepaard gaande gevoel van vrijheid evoceren. Het verschil met andere car comps is dat Kustom Kulture Klassics tussen de fifties nummers drie hedendaagse bands uit de Rhythm Bomb garage verstopt. Op de CD staan ze er kris kras tussen maar voor deze recensie is het handig als we ze groeperen. Jason Lee Wilson (USA) brengt moderne hedendaagse rock 'n' roll doorspekt met een bluesrock slidegitaar, maar in deze context van scheurende bolides levert die goed werkende mix in Pure Horsepower de nodige paardenkracht. De andere twee "moderne" nummers zijn Burn It Ernie van de altijd authentiek klinkende Ike & the Capers (D) en Race Track van hun alter ego The Round Up Boys. Het mooie: de casual listener zal ze er niet als recent kunnen uithalen! Car classics uit het verleden die hun groot gelijk niet meer moeten bewijzen zijn Rocky Davis' Hot Rod Baby, Richie Deran's Girl And A Hot Rod, Rudy Preston's Four Tired Car, Bobby Verne's Red Hot Car, Jimmy Carroll's Big Green Car en Ronnie Dawson's Action Packed onder het pseudoniem Ronnie Dee. Wat softer zijn Wayne Cochran's Last Kiss dat gaat over een auto ongeval en The Manin Brothers' Hot Rod Suzie. Instrumentals ontbreken geenszins met de traditionele gitaarinstro Stick Shift van The Duals en de steviger gitaarinstro Drag Strip van The Fender Benders met Link Wray op gitaar. Nog zo'n instrumentale gitaarflitsers zijn Johnny Fortune's Dragster en Lou Berry And The Bel Raves' Hot Rod. Minder evidente keuzes zijn Corvette Baby van Bob Cass & the Corvettes, de rustieke hillbilly bop van Johnny Tyler's Devil's Hot Rod, de primitieve rock 'n' roll bopper Go Hot Rod van The Stripes dat volgens mij gewoon Hot Rod heet, de wat gemeen klinkende blanke rocker Draggin’ The Drive-Inn's van Cookie Roberts, Hermy Herman's swing bop Hey Hot Rod, The Alabama Kid's white rock Rocking Jalopy, Johnny Lane's nog primitievere Rocking On The Dragstrip, en Donnie & Diane met hun hot rod surf cover van Eddie Cochran's Weekend getiteld Hot Rod Weekend. In de reeks grappig en toch goed stemmen we op Bobby Johnston's zwarte stroll Flat Tire die bekender is in de originele versie van The Del Vikings en Roger Miller's cover van de ultieme hot rod song Hot Rod Lincoln. Van Hoit Rod Lincoln staat op Kustom Kulture Klassics ook een tweede versie door ene Eddie Butler die zichzelf blijkbaar de leukste vond door dat nummer te declameren met een posh Brits accent. Beetje overbodig, dunkt ons, en dan is Mr. Bear & his Bearcats' Radar, net als Flat Tire zo'n typisch zwart rock 'n' roll verhaaltje, grappiger. Kustom Kulture Klassics bevat goed spul, maar omdat veel van de 28 songs al op andere soortgelijke verzamel-CD’s staan is checken wat je al hebt de boodschap.
Info: www.atomi-c.at
(Frantic Franky)


TALKING ON THE TELEPHONE
Bear Family, BCD17599

Toen papa beer Richard Weize enkele jaren geleden uit Bear Family stapte om met zijn nieuwe Richard Weize Archives label nog kleinere rock 'n' roll niches te exploreren bracht hij in 2017 twee volumes Talking On The Telephone uit gewijd aan "bijna een halve eeuw muziek over de telefoon", zijnde enerzijds blues, rhythm 'n' blues en gospel en anderzijds hillbilly. Volume 3 en 4 zouden over rock 'n' roll en pop gaan maar voor het zover was stopte Weize om onder meer gezondheidsredenen met Richard Weize Archives. Bear Family zelf pikt nu de telefoondraad weer op met een derde deel dat nergens het woordje "volume" draagt en rock 'n' roll en teenpop behandelt in één CD. De twee RWA CD’s hadden een historische benadering omdat de muziek deels terugging tot de tijd waarin de telefoon nog als een half wonder werd beschouwd, maar tegen de jaren '50 was het een dagelijks gebruiksvoorwerp dat vaak in liedjes opdook omdat het nu eenmaal een handig communicatiemiddel tussen geliefden vormde én omdat het privacy inhield, vertrouwelijke gesprekken tussen verliefde tieners ver weg van de bemoeizieke oortjes van hun ouders. Met andere woorden: déze Talking On The Telephone draait gewoon om de muziek met aan boord verschillende rock 'n' roll klassiekers als Chantilly Lace van The Big Bopper (Donna Dameron's door The Big Bopper zelf geschreven antwoord Bopper 486009 staat er ook op, en in het CD-booklet staat eindelijk het volledige verhaal achter die single), Buzz Buzz A Diddle It van Freddy Cannon en Memphis Tennessee van Chuck Berry die nog een tweede keer opbelt met het iets minder bekende Come On. Brenda Lee mag ons altijd uit bed bellen en doet dat hier twee keer met de beschaafde rockers Bigelow 6-200 en Ring-A-My Phone. Van die Ring-A-My Phone staat op de CD ook een tweede versie van Dinah Washington in een ander, meer uitgewerkt arrangement, een rock 'n' roll nummer van Dinah Washington dat helaas niet op haar recente Bear Family CD A Rockin' Good Way (BCD17520) stond terwijl het nochtans een van haar weinige échte rock 'n' roll nummers is. Bekende namen met minder bekende songs zijn Jerry Lee Lewis' medium tempo Hello Hello Baby op Sun Records dat een bluesy insteek heeft, Billy Fury met de stroll Phone Call, Lew Williams' primitieve rhythm 'n' blues stomper Teenagers Talkin' On The Phone, Ring My Phone van Tommy Sands, Carl Perkins' ietwat vrijblijvende Columbia opname Just Thought I'd Call die nochtans uit 1958 stamt, en Mickey & Sylvia met het hypnotiserend mooie Can't Get You On The Phone. Johnny Burnette's pas in 2003 uitgebrachte uptempo één-man-op-één-akoestische-gitaar demo Operator (er bestaat geen afgewerkte versie van) is uitstekend, het in 1962 onuitgebracht gebleven I Just Called Up To Say Goodbye is met violen en vrouwelijke achtergrondkoren doordrenkte highschool Roy Orbison waardig. Ook Paul Anka's medium tempo Kissin' On The Phone is teen rock, terwijl Bobby Darin de pop tour op swingt met If A Man Answers. Ex-Du Droppers Big Bob Kornegay's Your Line Was Busy is een zwarte rock 'n' roll screamer, zwarte rock 'n' roll op stroll tempo is Ron Holden's bijna hetzelfde getiteld Your Line Is Busy. Bill Woods levert een scheve streep primitivobilly af met Phone Me Baby, Hello van The Nutmegs en Here At My Phone van Mel Williams zijn doo-wop ballades. Minder voor de hand liggend maar sympathiek en vrolijk rockend zijn The Orlons met Don't Hang Up. Claudine Clark's The Telephone Game uit 1962 is meidenpop die richting Motown gaat, en The Marvelettes in Beechwood 4-5789 op Motown sublabel Tamla uit datzelfde jaar 1962 zijn een meidengroep die meer meidengroep als Motown klinken. Nog early sixties maar in een andere, meer laid back stijl die later zou evolueren tot popcorn is Got To Call That Number van Bobby Mitchell, een song die niet op zijn recente Jasmine CD Try Rock And Roll (JASCD) staat. Stilistisch is deze CD met 28 tracks 1955-1963 erg gevarieerd, maar dat maakt juist de charme uit van dit soort releases, samen met de mooie presentatie, want zoals altijd bij de Duitse re-issue wereldkampioen steekt er een verzorgd full colour boekje van 32 pagina’s bij met foto’s, retro-illustraties en track per track info. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


WE SHALL ALL BE REUNITED:
REVISITING THE BRISTOL SESSIONS 1927-1928

Bear Family, BCD 17592

Wie iet of wat op de hoogte is van de ontstaansgeschiedenis van de countrymuziek weet dat de wieg van de country pal op de grens van Tennessee en Virginia stond, meer bepaald in 1927 in het stadje Bristol toen producer Ralph Peer van de Victor Talking Machine Company daar zijn opnameapparatuur neerpootte op zoek naar "original musical features" die moesten voorzien in de groeiende vraag van het steeds talrijker worden platenkopende publiek naar countrymuziek op 78 toeren, op dat moment het summum van high fidelity. De big bang van de country muziek, weet u wel, al dient die term figuurlijk geïnterpreteerd en niet letterlijk, want hillbilly muziek zoals het toen nog heette bestond in 1927 natuurlijk al en was toen zelfs heel populair, vandaar ook die zoektocht naar nieuw talent. In elk geval werden in 1927 in Bristol de artiesten ontdekt die zouden uitgroeien tot de eerste supersterren van de country, met name Jimmie Rodgers en The Carter Family, artiesten die een onwaarschijnlijke stempel op de ontwikkeling van het genre hebben gedrukt en in het geval van The Carter Family via Johnny Cash' huwelijk met Carter Family dochter June Carter zelfs een bloedlijn hebben gesticht die doorloopt tot nu. In het beste geval heb je dan nog gehoord van Ernest Stoneman die ook een country dynastie stichtte (zijn jongste dochter Roni Stoneman treedt anno 2020 op haar 82ste nog steeds op), en Charles McReynolds van The Bull Mountain Moonshiners, hier aanwezig met het nummer Johnny Goodwin, was de grootvader van jaren '60 bluegrass duo Jim & Jesse, maar de andere artiesten die in Bristol opnamen zijn een eeuw later compleet vergeten, net als het feit dat er vóór Bristol en in het kielzog van Ralph Peer's initiële succes nog andere gelijkaardige talentenjachten plaats vonden in andere steden in andere staten door andere platenfirma’s: Okeh Records deed het al in 1925 en er volgden tot 1937 nog vijf andere platenmaatschappijen. Een van de redenen dat niemand dat nog weet is heel eenvoudig: de occasionele LP en CD niet te na gesproken is al deze muziek simpelweg niet beschikbaar, en daar kwam pas verandering in toen Bear Family zowel de complete Bristol Sessions (in 2011) als de complete Columbia Records Johnson City Sessions 1928-1929 (in 2013) als de complete Brunswick/ Vocalion Records Knoxville Sessions 1929-1930 (in 2016) uitbracht op drie somptueuze 4 en 5-CD dozen, uitgaves die door hun luxueus karakter en daaraan vasthangend prijskaartje niet elke muziekliefhebber bereikten, daarbij niet geholpen door het feit dat ze evenmin beschikbaar zijn op digitale online platforms. Vorig jaar verscheen onder de titel Tell It To Me: Revisiting The Johnson City Sessions 1928-1929 (BCD 17591) een enkele CD met een samenvatting van de Johnson City sessions, nu zijn de Bristol sessies zelf aan de beurt op deze enkele We Shall All Be Reunited CD met 26 tracks van 26 acts die je nog het best kan omschrijven als de échte muziek van de film O Brother Where Art Thou: string bands, appalachian music, mountain ballads, gospel, Tin Pan Alley songs, finger picking en clawhammer banjo die hemelse samenzang koppelen aan plechtige, klaaglijke muziek (My Mother Is Waiting For Me In Heaven Above van The Smith Brothers) met elementen uit nóg oudere volksmuziek die daardoor doet denken aan Ierse folk (The Wreck Of The Virginian van Blind Alfred Reed, The Soldier's Poor Little Boy van The Johnson Brothers with the Tennessee Wildcats), hypnotiserend door zijn rechtlijnige repetitiviteit. Ik hoor ook elementen uit gospel (Standing On The Promises van The Tennessee Mountaineers) en square dans (Your Blue Eyes Run Me Crazy van The West Virginia Coon Hunters, Susanna's Gal van Dad Blackard's Moonshiners), maar evengoed akoestische country blues (Unknown Blues van Tarter & Gray) en voorlopers van de fox chase op mondharmonica (Rain Crow Bill van Henry Whitter, Narrow Gauge Blues van El Watson), of misschien bestond die stijl toen al 500 jaar, ik zou het niet weten. Dit amalgaam van rootsmuziek vormt de, euh, roots van al die vreemdsoortige muziek die al die zwaar getattoeëerde gothische bluegrass bands from hell de dag van heden spelen op podia als Sjock (B) en die zij dus geenszins zelf hebben uitgevonden. Omwille van al die redenen klinkt een nummer als Black-Eyed Susie van JP Nester nog steeds erg hedendaags en zeker geen bijna 100 jaar oud. Jodelaar Jimmie Rodgers en The Carter Family staan hier uiteraard op met respectievelijk de klasssieker Sleep Baby Sleep en het minder bekende The Poor Orphan Child. Sommige nummers zijn gaan behoren tot het collectief muziekgeheugen: The Longest Train I Ever Saw van The Tenneva Ramblers kent u als In The Pines gezongen door onder meer Charlie Feathers, en Shine On Me van Ernest Phipps & his Holiness Singers doet denken aan Amazing Grace. De nummers klinken uiteraard oud maar door Bear Family's nieuwe remastering verbazingwekkend goed en nog steeds vitaal voor muziek uit de tijd toen er nog geen elektrische versterking bestond, die enkel verscheen op 78 toeren en waarvan geen master tapes bestaan omdat ze werd opgenomen op wassen cylinders - ter vergelijking: de allereerste gesproken film werd gemaakt in oktober 1927. U zal er de dansvloer niet vol mee krijgen op uw volgende barbecue, maar de muziekhistorici onder u zullen watertanden. Het booklet van maar liefst 44 pagina’s bevat een essay dat u alles leert over de Bristol sessies, de context waarin ze plaatsvonden, hun relevantie, en de artiesten op deze CD. Voorbeluisteren is zeker geen overbodige luxe en kan op www.bear-family.com (Frantic Franky)

2 augustus 2020

COMPLETE MASTERS 1957-1962/ PAUL EVANS
Jasmine, JASCD 870

Hebben we niet allemaal ooit stiekem gedroomd op de achterbank te huggen en te kissen zoals Fred met Seven Little Girls Sitting In The Back Seat want zo luidt de complete titel, in 1959 de grootste hit van Paul Evans? Die Fred ben ik nooit tegengekomen en die Paul Evans was een one hit wonder... of niet? Jasmine brengt op deze dubbel CD namelijk - zet u en drinkt iets - 66 Paul Evans songs bij elkaar, samen goed voor de A- en B- kant van al zijn 18 singles 1957-1962 en drie LP’s, Paul Evans Sings The Fabulous Teens (1960), Hear Paul Evans In Your Home Tonight (1961) en Folk Songs Of Many Lands (1961). Een bijzonder bezig baasje dus voor een one hit wonder, en daarnaast was Evans ook buiten de spotlights werkzaam als auteur van I Gotta Know voor Elvis, When voor The Kalin Twins en Roses Are Red voor Bobby Vinton, om alleen maar zijn drie beroemdste composities te noemen. Vóór hij scoorde met Seven Little Girls Sitting In The Back Seat had Evans vanaf december 1956 al vijf singles opgenomen en uitgebracht die zonken als een baksteen. Die staan hier allemaal op en de CD waarvan het hoesje verdacht veel lijkt op dat van Evans' demo’s/ onuitgegeven materiaal CD Happy Go Lucky Me: The Paul Evans Songbook op Sanctuary Records (CMRCD 715) uit 2003 (zelfde foto, zelfde opmaak, zelfde kleuren, zo goed als hetzelfde lettertype) opent met een paar goeie vocale rockers zoals zijn debuutsingle What Do You Know, Looking For A Sweetie, Caught en Beat Generation naast de verplichte tienerballades als Any Little Thing en Mickey My Love met orgel en plechtige rock-a-ballads als Dorothy. Seven Little Girls Sitting In The Back Seat B-kant Worshipping An Idol bevat hetzelfde meisjeskoortje als de hitkant, en Seven Little Girls Sitting In The Back Seat opvolger Midnight Special ontbreekt uiteraard niet, net zo min als Evans' enige andere Top 10 hit, het vrolijk lachende Happy Go Lucky Me dat je eerder bij een grapjurk als Roger Miller verwacht, net als de van een toink toink mondharpje voorziene Happy Go Lucky Me B-kant Fish In The Ocean (Bubbly Bum Bum). Na de hits volgden niet alleen vocale rockers (Long Gone), clean cut rock 'n' roll (Hushabye Little Guitar, After The Hurricane) en vooral veel teenrock (D-Darling, Gonna Build A Mountain, Why, Fire In My Soul, The King Of Broken Hearts) maar ook ballades (Blind Boy), pop (Gilding The Lily), variété poprock (Feelin' No Pain, Long Live Love, Just Because I Love You, Show Folk), pure crooners (I Love To Make Love To You, Not Me, de Jess Conrad cover This Pullover) en zelfs een croonerpop kerstkitsch single (The Bell That Couldn't Jingle) tot en met calypso (Sisal Twine).
De helft van de songs op de twee CD’s zijn eigen composities, naast enkele covers als de - opnieuw - ballades Since I Met You Baby en Over The Mountain Across The Sea, en - verrassender - van de Engelse hit A Picture Of You van Joe Brown, door Evans omgeturnd tot uptempo teenrock. Merkwaardig daarom dat Evans' eerste LP, Paul Evans Sings The Fabulous Teens, een volledige cover-LP was met sympathieke en verdienstelijke versies van uptempo rockers als I'm Walkin' en I'm In Love Again (Fats Domino), Tutti Frutti en Slippin' And Slidin' (Little Richard), Butterfly (Charlie Gracie), Honey Love (Clyde McPhatter & the Drifters), Sixty Minute Man (The Dominoes), The Fool (Sanford Clark) en de van een Bo Diddley beat voorziene traditional Hambone die ook door Carl Perkins, Rayburn Anthony, Frankie Laine en Tennessee Ernie Ford werd gedaan. De derde LP hier, Folk Songs Of Many Land, in 1960 reeds voorgeschaduwd door een single als The Brigade Of Broken Hearts, toont aan dat Evans de veranderingen in de smaak van het platenkopend publiek zag aankomen en vertoont invloed van westernsongs (Passing Through, Mister Hangman), Johnny Horton, variété (Wee Cooper Of Fire) en uiteraard folk. Die plaat waarop de piccolo’s er vrolijk dartelend doch op het irritante af lustig op los fluiten staat mijlenver af van Seven Little Girls Sitting In The Back Seat maar sluit uiteindelijk wel naadloos aan bij 's mans teenrock. Daarom is ze zeker interessant om eens een keertje te beluisteren, maar in geen geval essentieel: vergelijk Evans' versie van de traditional Samuel Hall met die van Tex Ritter en u begrijpt wat ik bedoel. De traditionals op die plaat als Wayfaring Stranger en Were You There When They Crucified My Lord vergelijken met wat Johnny Cash er van bakte is in elk geval een boeiende oefening. Betreffende die "of many lands" in de titel: het uptempo Tzena Tzena Tzena is gezongen in het Hebreeuws!
Eindconclusie: het rockendste van deze dubbelaar had op één CD gekund, maar compleet is compleet, tot en met 1962 in elk geval. Paul Evans is nu 82 jaar. Haal 'em naar, tja, waar kunnen voormalige tieneridolen in de herfst van hun leven nog optreden? De Summer Jamboree in Senigallia, Italië? Info: www.paulevans.com en www.jasmine-records.co.uk
(Frantic Franky)

29 juli 2020

LONESOME TOWN/ LOUIS KING
Géén label, TB809 2019-2020

Normaliter had zo ongeveer nu Louis King in Nederland en België een reeks one nighters moeten afwerken begeleid door zijn Nederlandse collega’s Coen Molenschot op drums en Deon Buck op contrabas, maar het coronavirus heeft er anders over beslist. Dit is de nieuwe CD die King zou hebben bijgehad, de tiende of iets van die strekking sinds 1995 van de Australische king of rockin' blues die eigenlijk geboren werd in Schotland maar in 1972 als tiener naar kangoeroe country emigreerde en daar het vak leerde, eerst als drummer in soul- en skabands en later in rockabillyoutfits als The Straight 8's - King drumt onder de naam Hollywood Tommy Mac op hun LP Runnin' Late, wat meteen verklaart waarom hij op deze nieuwe niet alleen zoals we live on stage van hem gewend zijn flitsend gitaar speelt en kwalitatief zingt maar ook meer dan acceptabel drumt. Lonesome Town mag dan wel zijn tiende "solo" CD zijn, 't is pas zijn tweede rockabilly-CD als we Standing In The Sun uit 2001 als de eerste rekenen. Wie Louis King echter een beetje kent of de man al live zag weet dat deze geboren entertainer niet voor één gat te vangen is. De 12 eigen composities op Lonesome Town vullen dan ook vele rock 'n' roll vaten, en ze gaan trouwens een pak breder dan die Standing In The Sun.
De eerste helft van de CD wisselt snelle nummers als de in een Ronnie Dawson vibe rock 'n' rollende opener Short Short Skirts, de rechtdoor rocker met een flinterdun laagje orgel Junior's In Love en de aanstekelijke en ook van orgel voorziene rechtdoor pianorocker Baby Baby Baby af met meer country getinte nummers als de melodieuze rock 'n' roll-a-billy van Giddy Up met mooie steel gitaar, de melodieuze country van Heaven (Is Where You Are) en de moderne rockabilly Love (Is A Fickle Dame). Daarnaast laat King zich ook van zijn gevoelige kant zien met de trage en wat bluesy ingevulde titeltrack Lonesome Town, Restless Heart dat qua muziek richting Wayne Hancock gaat, de traditionele café slow Now And Then en de a capella doo-wop ballade Pity On The Fool. Op de gitaar instrumental Surfin' In The Sun speelt een Nederlander mee, Eric Hofmans van Catrhythm, tegenwoordig woonachtig in Roemenië. Op vijf andere songs beroert de Australische pianist Ezra Lee de 88 toetsen. Minstens drie nummers stonden eerder al in andere versies op vorige albums, namelijk Junior's In Love, Pity On The Fool en de moderne rocker Werewolf Baby. Deze CD had een mooie herinnering geweest aan 's mans passage bij ons dit jaar, maar zoals de zaken er nu voorstaan wordt het een leuk zoethoudertje tot de hopelijk snel volgende volgende Benelux tour. Een label staat nergens vermeld maar TB stond op eerdere Louis King CD’s voor True Blues en True Blue Productions. Waar je de CD kan kopen is niet zo klaar, ons exemplaar werd ons opgestuurd door Louis King zelf maar deed er meer dan twee maanden over.
Info: www.louisking1.bandcamp.com en www.louisking.com.au (Frantic Franky)


TRY ROCK AND ROLL/ BOBBY MITCHELL
Jasmine, JASCD 3157

Bobby Mitchell's grootste claim to fame is zijn originele opname van I'm Gonna Be A Wheel Someday uit 1957 dat twee jaar later een hit werd voor Fats Domino, al zal Mitchell er niet rijk van zijn geworden aangezien hij het nummer niet zelf schreef. Mitchell's uitvoering klinkt heel anders dan de Fat Man, zonder blazers maar met slappende contrabas en geen rhythm 'n' blues maar erg geslaagde medium tempo rock 'n' roll, een van de topnummers maar tegelijk een buitenbeentje op deze CD die alle Imperial singles van Bobby Mitchell 1953-1962 chronologisch oplijst, alles samen 32 tracks. Dat I'm Gonna Be A Wheel Someday bij Fats Domino terecht kwam was geen toeval. Dave Bartholomew was co-auteur, en de schaduw van de belangrijkste producer en bandleider van New Orleans hangt dan ook over deze CD: Bartholomew speelt trompet op een aantal nummers (andere begeleiders van Fats Domino op deze CD zijn tenorsaxofonist Lee Allen, baritonsaxofonist Alvin "Red" Tyler en drummer Earl Palmer, en op vier nummers speelt Fats Domino himself piano), schreef naast I'm Gonna Be A Wheel Someday mee aan 18 andere nummers, nam die nummers onder zijn supervisie op in de studio van Cosimo Matassa, liet Mitchell vanaf 1956 klinken als Fats Domino, en was daarnaast uiteraard hoofdkaas bij Imperial Records. De eerste helft van de CD is een mix van New Orleans mardi gras feestgumbo en zwarte doo-wop (Mitchell kwam uit de doo-wop en één derde van deze songs werden opgenomen door en uitgebracht als Bobby Mitchell & the Toppers), soms met een vleugje rhythm 'n' blues (School Boy Blues), daarbij steevast een snel of minstens medium tempo nummer koppelend aan een trage song.
De tweede helft van de CD is solide New Orleans rock 'n' roll die naarmate de jaren vorderen steeds meer naar swamppop neigt. De CD bevat uiteraard Mitchell's andere bekende nummers Rack 'Em Back, zijn versie van de oude jazz swing standaard You Always Hurt The One You Love vijf jaar vóór Clarence "Frogman" Henry er een Top 20 hit mee scoorde, en Mitchell's enige hit die dus niet I'm Gonna Be A Wheel Someday was maar het op het omvangrijke lijf van Fats Domino geschreven Try Rock 'n' Roll uit 1956. Wat er niét op staat zijn Mitchell's singles tussen de bedrijven en Imperial door op Sho-Biz, Ron en RIP Records, vooral jammer omdat het sublieme Well I Done Got Over It uit 1959 op Sho-Biz, northern soul avant la lettre, ontbreekt. Dat is het nadeel van alles op één label op één CD: je hebt dan wel alles maar niet echt álles, als u ons nog kan volgen. Wie écht alles maar dan ook echt álles op álle labels van Bobby Mitchell wil verwijzen we dan ook graag naar de Bear Family deluxe dubbel-CD Bobby Mitchell & the Toppers: I'm Gonna Be A Wheel Someday (BCD 15961 BI) uit 1997 met 47 tracks en een boekje van 20 pagina’s op LP-formaat. Bobby Mitchell liet eind 1963 na een hartaanval de droom van en de hoop op een nationale doorbraak achter zich en trad enkel nog lokaal op. Hij overleed in 1989 op 53-jarige leeftijd aan nierfalen, complicaties van diabetes en twee andere hartaanvallen. Deze CD is een mooi testament voor een vergeten artiest die niettemin zijn voetnoot in de rock 'n' roll geschiedenis van New Orleans meer dan waard is. Info: www.jasmine-records.co.uk
(Frantic Franky)


LITTLE BITTY PRETTY ONE/ THURSTON HARRIS
Jasmine, JASCD 1036

Het opgewekte Little Bitty Pretty One uit 1957 van Thurston Harris is een onweerstaanbaar nummer, de eenvoud zelve (een drumritme als intro, handclaps, wat geneurie, twee stroofjes en een tot in het oneindige herhaald refrein, meer is het uiteindelijk niet) doch zorgvuldig opgebouwd in laagjes, een onstuimig bruisende ode aan alle beloftes die rock 'n' roll kan inhouden. Little Bitty Pretty One was niet van Thurston Harris zelf doch van zijn collega Bobby Day uit datzelfde jaar 1957, maar Harris' versie is voller, minder spaarzaam, en werd een hit die de zesde plaats van de Billboard lijst en de tweede plaats in de R 'n' B charts haalde en vervolgens een golden oldie werd die op de soundtrack van de film Christine (1983) prijkte. Na Thurston Harris deden ook Frankie Lymon in 1960, Clyde McPhatter in 1962, Johnny Hallyday in 1962 in Frankrijk als C'est Le Mashed Potatoes, The Dave Clark Five in 1965 en zelfs Michael Jackson ten tijde van The Jackson 5 in 1972 een goeie zaak met Little Bitty Pretty One, en Bobby Day mag dan wel de hit gemist hebben maar we hopen dat ie zijn financiële zaakjes goed op orde had en de nodige royalties opstreek als auteur van het nummer. Deze CD met zo maar eventjes 35 tracks bevat "alle solo-opnames 1957-1962" van Thurston Harris die zoals zoveel van zijn concurrenten uit het moeras van eerst de gospel en daarna de doo-wop kwam (zijn singles als lid van The Lamplighters 1953-1954 staan niét op deze CD, wel op de Jasmine CD Evolution Of A Vocal Group, From The Lamplighters To The Rivingtons 1953-1962 (JASCD 856)) en dat is te horen aan Little Bitty Pretty One, en je hoort het zelfs alleen al aan de kadans van die vier woordjes op zich. Die uptempo doo-wop zit ook in het even goede, op dezelfde gelaagde leest gestoelde en daarom even aanstekelijke Do What You Did, in 1958 zijn enige andere hit, in 1980 gecoverd door Shakin' Stevens op zijn LP Take One. Nog meer doo-woppende rock 'n' roll zijn Harris' andere Bobby Day cover Over And Over, I'm Out To Get'cha, Be Baba Leba, In The Bottom Of My Heart en Poop-A-Loop dat doet denken aan zowel Over And Over als Buzz Buzz Buzz van The Hollywood Flames. Maar eigenlijk komen zijn vocale kwaliteiten, vergelijkbaar met die van één van zijn inspiratiebronnen, Clyde McPhatter, nog veel beter tot hun recht op de in grote getale op de CD aanwezige Platters-styled croonerpop als I Hope You Won't Hold It Against Me, I'm Asking For Forgiveness, Over Somebody's Shoulder, I Hear A Rhapsody, Only One Love Is Blessed, Recess In Heaven, Bless Your Heart, Paradise Hill, Moonlight Cocktails, Cross My Heart, Tell Me So en I'd Like To Start Over Again. Zelfs Little Richard's Send Me Some Loving klinkt in handen van Thurston Harris als Tony Williams van The Platters, en latere nummers als Mr. Satan gaan richting Drifters. Staan hier voorts ook nog op: Runk Bunk dat in Engeland werd gecoverd door Adam Faith, het origineel onuitgebrachte "zelfgeschreven" Fine Fine Frame dat een pure copie van Fine Brown Frame is, zijn rock 'n' roll cover van Amos Milburn's One Scotch One Bourbon One Beer, Hey Little Girl dat in Harris' originele versie nog niet de Bo Diddley beat van de Dee Clark cover had, en de voor mij overbodige bluesjes You Don't Know How Much I Love You en She's The One die gecompenseerd worden door mijn persoonlijke favorietje, het geschifte Purple Stew oftewel de Purple People Eater meets Stranded In The Jungle terwijl de Witch Doctor ook nog dag komt zeggen!
Thurston Harris werd uiteindelijk zijn eigen ergste vijand en belandde in de jaren '60 en '70 zowel op straat als in de cel als in de mentale gezondheidszorg alvorens in de jaren '80 te comebacken als blueszanger. Hij overleed in 1990 toen hij op zijn 58ste ten langen leste werd ingehaald door teveel scotch, bourbon en bier. Gelukkig is dat niet te horen aan de muziek op deze CD, verplichte kost voor wie meer wil kennen van de hitmaker van Little Bitty Pretty One doch niet maalt om meer dan één derde aan Platters toestanden.
Info: www.jasmine-records.co.uk (Frantic Franky)

22 juli 2020

THAT’LL FLAT GIT IT Vol. 34:
ROCKABILLY & ROCK ‘N’ ROLL FROM THE VAULTS OF BLUE MOON & BELLA RECORDS

Bear Family, BCD 17595

Het grote voordeel van Bear Family's niet alleen door het aantal volumes maar vooral door de schatkamer aan fantastische muziek die die volumes bevatten impressionante That'll Flat Git It reeks is dat zowel de grote bekende labels als de kleine, compleet vergeten broertjes aan bod komen. Tot die laatste categorie behoren Blue Moon en Bella, twee labels uit California van ene mijnheer John Pusateri, een man die in het CD-booklet zelfs poseert naast Hank Williams, maar het waarom en hoe van die ontmoeting wordt helaas niet uitgelegd. Wij hadden evenmin ooit van Blue Moon en Bella gehoord en geen enkele van de 33 tracks op deze CD deed bij ons een belletje rinkelen, maar als je dan denkt dat dit slappe koek gaat zijn: think again, want deze CD staat stampvol spul even sterk als een carajillo koffie.
De CD opent met de mokerslag Jugue van Johnny Amelio & the Downbeats die klinken als een schreeuwlelijk zwart combo met zware sax in het soort nummer dat gretig gecoverd werd door Barrence Whitfield & the Savages wier output later weer geplunderd werd door The Playboys, en dat hoge niveau wordt nagenoeg de hele CD aangehouden. Die Jugue blijkt trouwens geen eenmalige losse flodder van die Johnny Amelio geweest te zijn want tussen zijn andere drie songs, tezamen zijn complete output inclusief nooit eerder uitgebrachte acetaten en een alternatieve meer gitaargerichte en nog iets snellere Jugue, zit ook Jo Ann Jo Ann, nog zo'n kopstoot van een rock 'n' roll dreun. Amelio leeft nog, is luidens het booklet nog steeds gehuwd met zijn Jo Ann, en is tegenwoordig predikant - haal 'em naar de Rave, maar zeg 'em dat ie I Saw The Light niet mag zingen! Nog meer eerste keus rock 'n' roll wordt opgediend door Chuck Royal & the Sharpsters (My Baby's Gone, You're Like A Butterfly), Pat LaRocca (Rowena), Toby & Ray (Bom Du Wa) en The Fretts (Rockin' Baby). De CD bevat daarnaast ook rockabilly van Gradie Joe & the Western Gents (Rock-A-Billie Music, een van de weinige songs uit de jaren '50 met het woord "rockabilly" in de titel) en Clyde Arnold & the Sharps (I've Got A Baby en het instrumentale Scrounge), white rock (Baby Oh Baby van Gradie O'Neal & the Bella Tones), dangerous doo-wop (Rockin' Mary van Wes Griffith & the Treys), female rock 'n' roll (Gonna Be Loved van Linda & the Epics) en een aandoenlijke poging tot teen rock (Baby Don't Go van Buddy Bennett & the Margilators). Door country beïnvloed materiaal is er met Blue Moon Keep On Shining (dat niets te maken heeft met Blue Moon Of Kentucky) van Chuck Royal & the Sharpsters en de Blues Stay Away From Me copie It's Blue Monday van Gradie Joe & the Western Gents, aangevuld met hillbilly boogie zoals Bayou Ball uit 1953 van de nu 96-jarige Shorty Joe die optrad tot in de jaren 2000. Haal 'em naar de Rave, maar zeg 'em dat ie Jambalaya niet mag zingen! In het tegenovergestelde uiteinde van het muzikale spectrum in de vorm van big band rhythm 'n' blues jive wordt voorzien met Bon Bon Bay van Joe Jaros, en het instrumentale werk van The Empala Six dat luistert naar titels als Travelin', Empala Rock, Double Time en Sweet And Sour combineert surfgitaren met tittyshaker saxen. Voeg daar nog thema tracks aan toe als The Mortal Monster Man van The Savoys (in tegenstelling tot de meeste novelty horror rock 'n' roll songs een stoere rocker) en twee kerstsongs, de primitieve rocker The Rocking Tree van zangeres Marguerite Trina en de zwarte doo-wopper Rockin' Santa Claus van The Martells, en dan weet u dat wij in onze rock 'n' roll nopjes zijn. Aan al deze straffe toebak wordt nog eens extra authenticiteit verleend omdat de meeste nummers een tamelijk primitieve sound hebben, wellicht omdat de meerderheid van de songs werden opgenomen in een garage die dienst deed als studio, waardoor ze ver afstaan van de afgelikte sound van de major labels. Daarenboven werden de meeste tracks getransfereerd van de originele 45 toeren plaatjes omdat er uiteraard geen master tapes meer bestaan van deze obscuriteiten en dan weet je dat het ongepolijst gaat knallen met saxofoons die klinken als toeters en op enkele songs zelfs trompet. De CD gaat als immer in deze voortreffelijke reeks vergezeld van een voorbeeldig boekje op CD formaat van 28 pagina’s met nooit gepubliceerde foto’s en track per track info. Je hebt er je hoor én je lees aan!
Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


TELL HIM, POPCORN BRIT GIRLS 1960-1962
Jasmine, JASCD861

Kent u Look Who It Is van Helen Shapiro? Dat staat niet op deze dubbel-CD, wel haar I Don't Care en Don't Treat Me Like a Child, tezamen met nog - ga er voor zitten en neem er een bak koffie bij - 66 andere liedjes van 48 andere zangeressen in die in speelse strijkers verpakte stijl waarin elementen uit zowel The Four Seasons, The Drifters, cha cha cha en namaak-charleston, uit hits als Telstar, Johnny Remember Me en Itsy Bitsy Teenie Weenie Yellow Polka Dot Bikini, en af en toe zelfs uit Shadows gitaren en doo-wop (A Wonderful Dream van The Avons) doorklinken. Alle 68 songs komen uit 1960-1962, het tijdperk waarin "twist" rijmde op "kissed" (You Know What I Mean van The Vernons Girls, het (fake?) live Ma Let's Twist van Lorne Lesley), en klinken soms plechtig, soms dramatisch (Demon Lover van ex-Vernons Girls Lynn Cornell), soms novelty (He Just Couldn't Resist her With Her Pocket Transistor van Alma Cogan), soms onschuldig, soms dromerig en soms sexy (Bobby's Lovin' Touch van Susan Singer, I'm Just A Baby van Louise Cordet). Met popcorn heeft dit niets te maken, met britpop evenmin want dat is een muziekstroming uit de jaren '90, maar ik hoor wel voorlopers van zowel popcorn als folkpop. De bekendste song is Like I Do van Maureen Evans, de bekendste zangeressen zijn de niet voor popmuziek bekend staande jazz zangeres Cleo Laine (You'll Answer To Me), Dusty Springfield als lid van The Springfields (Island Of Dreams) en Petula Clark (Jumble Sale). Amerikaanse hits nazingen was in die tijd aan de orde van de dag en dat verklaart de aanwezigheid van covers, soms copies, soms met een heel ander arrangement en soms zelfs bijzonder geslaagd, van Will You Love Me Tomorrow (Jackie Lee & the Teardrops), Tell Him (Billie Davis), Bobby's Girl (Susan Maughan), He's A Rebel (de Vernons Girls afsplitsing The Breakaways), It Might As Well Rain Until September (The Delaine Sisters die weer een andere Vernons Girls afsplitsing waren), Johnny Angel (Patti Lynn), Mama He Treats Your Daughter Mean (Lita Roza) en zelfs een goeie instrumentale orgel versie van Money That's What I Want (Cherry Wainer). Sailor door Petula Clark kennen wij in onze moerstaal van Caterina Valente, zonder uiteraard Ciska Peters in 1981 te vergeten, hahaha. Deze dubbelaar staat boordevol te ontdekken poppareltjes waarmee de liefhebbers en verzamelaars ter zake - en dat zijn er veel - uren even zoet mee zullen zijn als deze dames klinken. Info: www.jasmine-records.co.uk (Frantic Franky)

15 juli 2020

Vinyl Recensies

SOUNDS LIKE/ GENE VINCENT
Bear Family, BAF 11026

De Bear Family 10 inch Vinyl Club maakt inzake artwork minitueuze heruitgaves op kleurvinyl van zeldzame 10 inches, en dit keer is het opnieuw de beurt aan rock 'n' roll god Gene Vincent die reeds drie keer eerder deze eer te beurt viel met de inmiddels uitverkochte Australische Bluejean Bop uit 1956 (BAF 11004) en de nog beschikbare Japanse A Gene Vincent Recording Date uit 1958 (BAF 11019) en This Is Gene Vincent uit 1959 (BAF 11011). Nummer vier wordt de in 1959 verschenen 10 inch Sounds Like Gene Vincent. Die plaat kwam in dat formaat enkel uit in Japan, de Amerikaanse versie was een reguliere LP met vier nummers meer dan de amper acht songs van de 10 inch, en My Baby Don't Low, I Might Have Known, het bluesje Vincent's Blues en de ballade Can't Believe You Wanna Leave staan dan ook niét op de 10 inch. Sounds Like Gene Vincent was reeds zijn vijfde album, met opnames uit 1958 wat betekent dat de muziek rock 'n' roll met gitaar, sax, tingel tangel piano en backing vocals is, in tegenstelling tot de pure gitaar rockabilly van Gene Vincent anno 1956 stijl Be-Bop-A-Lula, Jump Back Honey Jump Back, B-I-Bickey-Bi Bo-Bo-Go of Red Blue Jeans And A Ponytail. Staan hier wel op: de Little Richard cover Ready Teddy, de Chuck Berry cover Maybelline, de door Johnny Carroll gepende mamborocker Maybe, de door Johnny Burnette gepende brave rockers My Heart en I Got To Get To You Yet, het wat oosters getinte In Love Again in Bo Diddley stijl en de ballades Now Is The Hour en You Are The One For Me, want niemand maar dan ook niemand kon een ballade zo mooi zingen als Gene Vincent. Zoals altijd in de Vinyl Club worden de originele tracks aangevuld met bonusnummers, en dat werden niet de songs die in Amerika de LP vormden maar wel de rocker Be Bop Boogie Boy en de ballades The Night Is So Lonely en Over The Rainbow van dezelfde opnamesessies uit 1958 als de overige songs. De in totaal dus 11 songs zijn minder wild en anarchistisch dan - ik noem maar wat - Well I Knocked Bim Bam maar minder bekend in de Gene Vincent canon, wat deze heruitgave rechtvaardigt. Vincent zingt hemels en de 10 inch klinkt niet alleen goed, hij ziet er ook mooi uit op dat metaalzilver (lees: grijs) vinyl, en je krijgt er nog een gratis zwart/wit postkaart van Vincent bovenop. Gelimiteerd op 500 exemplaren, dus hou je collectie compleet!
Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


DARK LONELY STREET/ EDDIE COCHRAN
Bear Family, BAF14009

Op 17 april was het exact zestig jaar geleden dat Eddie Cochran op tour in Engeland om het leven kwam bij een auto ongeval dat hem gelijk de eeuwigheid in slingerde, en Cochran wordt tot op de dag van heden door heelder volksstammen vereerd als rock 'n' roll pionier. Voor iemand die op zijn 21ste uit het leven werd gerukt liet ie een indrukwekkende muzikale nalatenschap achter die u in alle mogelijke vormen kan kopen op Bear Family, van de complete 8 CD-doos Somethin' Else: The Ultimate Collection (BCD15989) tot thema releases en de Town Hall Party live DVD (BVD 20002). Op deze Dark Lonely Street herverpakt Bear Family Eddie Cochran nog een keer op 10 inch kwaliteitsvinyl, een luxueuze uitgave met verbluffende hifi kwaliteit, een bonus full-CD met niet minder dan 28 tracks, een kleurenpostkaart en 12 pagina’s tekst, foto’s maar helaas qua info betreffende de CD-tracks net iets summiere uitleg op formaat 20 x 20 cm. De 12 tracks op de 10 inch die klinken alsof ze gisteren werden opgenomen bestaan uit Cochran's klassiekers Summertime Blues, C'mon Everybody en Teenage Heaven, minder bekende rustige rock 'n' roll als Stockings And Shoes en de Sittin' In The Balcony kloon One Kiss, ballades als I Remember, Teresa en Dark Lonely Street, de dreigende instrumental Strollin' Guitar (om contractuele redenen uitgebracht onder de naam van zijn begeleidingsband The Kelly Four) en zeldzamere uitvoeringen zoals de 2 track stereoversie van de piano rocker Pretty Girl, de ballade Little Angel zonder overgedubd achtergrondkoortje en de instrumentale backingtrack van My Way zonder zang dat zo een stroll wordt.
De CD volgt hetzelfde patroon met nog meer klassiekers (Nervous Breakdown, de bluesy Milk Cow Blues) gelardeerd met een genereuze dosis obscuriteiten als de undubbed Blue Suede Shoes, de langere Somethin' Else met eindstop en zonder fade out, de eerste versie van Three Steps To Heaven en de C'mon Everybody met een andere slagkreet Let's Get Together. Daarnaast is er een genereuze selectie uit Cochran's sessiewerk voor andere artiesten waarvan nog steeds nieuwe voorbeelden ontdekt worden (de rockabillies My Lovin' Baby van Ray Stanley en Guitar Picker van Bob Luman, de rockers Baby Please Don't Go van Troyce Key en Just Relax van Baker Knight, de spacey gitaar instrumental Scratchin' van Jerry Capehart onder het pseudoniem Jerry Neal, de medium tempo countryweeper Pretty Little Devil van Bob Denton, Git It van Gene Vincent waarop Eddie Cochran bas zingt in het achtergrondkoortje), alsmede de live Sweet Little Sixteen (waarvan hij nooit een studioversie opnam) afkomstig van de Britse TV-show Boy Meets Girl, en een 52 seconden durend interviewfragment. De laatste track op de CD is de Joe Meek productie Just Like Eddie van Tornados bassist Heinz Burt uit 1963, een bekende maar gedegen afsluiter voor deze mooie release.

Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


THE MYSTERY OF/ DENNIS HERROLD
Bear Family, BAF14008

De onwaarschijnlijke drive van Dennis Herrold's zelfverzekerde Hip Hip Baby uit 1957, met zijn snedige gitaarwerk, donderende drums en galm een prachtvoorbeeld van alles wat goed is aan de bronstige levenslust uitgestraald door rock 'n' roll, kwam voor het eerst onder de rockabilly aandacht toen de Nederlander Cees Klop het in 1974 op zijn Collector LP I Love Rock 'n' Roll plaatste, een jaar later gevolgd door Hip Hip Baby's even onweerstaanbare B-kant Make With The Lovin' op Super Rock 'n' Roll Part C. Beide songs werden vervolgens klassiekers toen ze in 1977 en 1979 op de Britse verzamel LP’s Imperial Rockabillies en Imperial Rockabillies Volume Two verschenen, en Hip Hip Baby werd dan ook nog eens gecoverd door The Polecats. In die pré-internet dagen moest je het qua artiesteninfo stellen met wat er op de achterkant van die LP’s stond en dat was in het geval van Dennis Herrold bitter weinig. Waarom wordt duidelijk na lezing van de vier pagina’s kleine druk op het 20 x 20 cm inlegvel dat bij deze 10 inch steekt, de fatsoenlijkste Dennis Herrold biografie tot nu toe. De in 2002 op 74-jarige leeftijd overleden Herrold blijkt het immers niet altijd even nauw te hebben genomen met de wet en verhuisde nogal wat in zijn leven. De summiere info die tot op heden over Herrold beschikbaar was blijkt ook niet te kloppen omdat ze deels berustte op wat zijn mentor en manager, hillbillyzanger Dub Dickerson, vertelde in een telefonisch interview uit 1997... terwijl achteraf bleek dat Dickerson al in 1979 overleed! Soit, de detectives van het Bear Family agentschap in Duitsland hebben zich op een van de laatste mysteries van de rock 'n' roll gestort, de zaak tot op het bot uitgespit en Herrold's familieleden opgespoord, en via hen kan nu eindelijk zijn volledige verhaal verteld worden, inclusief twee foto’s waaronder de wazige livefoto die de hoes siert, zijn registratiekaart van het leger uit 1946, en zijn zo goed als volledige muzikale nalatenschap, want drie demo’s waarvan het bestaan bekend is blijven spoorloos. Twee daarvan dateren uit de eerste helft van de jaren '50 en waren dus waarschijnlijk country, de derde is dubbel jammer want dat was Herrold's demo van Ricky Nelson's Stood Up dat werd gecomponeerd door Herrold's toenmalige echtgenote. Mogelijk zijn ze definitief verloren, hoewel Stood Up kan getraceerd worden tot +/- 2005 toen rockabillyzanger en platendealer Mack Stevens die acetaat verkocht aan iemand die 15 jaar later niet meer gelokaliseerd kan worden en waarvan Stevens blijkbaar verzuimde een back up kopie te maken. Hopelijk duiken ze alle drie nog op in het kielzog van deze release! Herrold's complete output zonder die demo’s blijken welgeteld vier nummers, opgenomen op 17 oktober 1957: Hip Hip Baby, Make With The Lovin', de wat rustigere minder urgente en onwaarschijnlijk genoeg tot nu toe onuitgebrachte rocker Don't Push Away die niettemin een even vlijmscherpe gitaar heeft als Hip Hip Baby, en You Arouse My Curiosity, eveneens een meer traditionele rocker met naast opnieuw die scherpe gitaar een prominentere piano. Beide nummers zijn goed, maar ze op dezelfde eenzame hoogte plaatsen als Hip Hip Baby zou de waarheid geweld aandoen. Die vier nummers worden vervolledigd door een alternatieve Hip Hip Baby die een andere sound heeft, wat meer tegenwringt en iets minder dynamisch klinkt, wat ook geldt voor de langere versie van Make With The Lovin' die via een fade out werd ingekort tot de versie die we allemaal kennen. De zes kantjes werden door Bear Family wat weinig bevonden voor een 10 inch en aangevuld met drie nummers van Dub Dickerson, de vlotte rockers Sugar Lips met prima gitaarwerk en (I Think I'm) Falling In Love uit 1958, met als klapstuk de eerste openbaring op vinyl (bootleggers tellen niet mee) van de daverende uptempo anderhalve minuut rockabillybopper Boppin' In The Dark, in 1957 opgenomen maar pas in 2000 uitgebracht op Bear Family's gelijknamige Dub Dickerson verzamel-CD (BCD 16372).
De 10 inch heeft niet alleen dat tekstvel maar bevat ook een gratis CD met de negen kantjes van de 10 inch en vijf extra nummers die Herrold's verhaal vervolledigen: het door Dub Dickerson en Herrold's echtgenote gepende Stood Up in de bekende uitvoering door Ricky Nelson waarvoor Herrold na hun scheiding nog enkele jaren op slinkse wijze haar royalties binnenrijfde, en een cover van Stood Up door ene Tony Wilson. Er bestaan van dat nummer minstens drie andere covers, onder meer in Duitsland door schlagerzanger Freddy Quinn als The Manhattans, en het is jammer dat die hier ook niet opstaan. De laatste drie songs zijn Bob Luman's eveneens door haar geschreven teen ballad Precious en twee nummers die niets met Dennis Herrold maar alles met Dub Dickerson te maken hebben, namelijk covers van zijn (I Think I'm) Falling In Love door Warner Mack (1958) die aantoont hoe anders een cover kan klinken en van Sugar Lips door Justin Tubb (1958), de zoon van Ernest Tubb. Geen enkele van de nummers op de CD en 10 inch is jonger dan 1958! Deze uitgave is gelimiteerd tot 1000 stuks waarvan de eerste 500 op bordeauxkleurig vinyl.
Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

8 juli 2020

CD Recensie

THUNDER & LIGHTNING/ FIREBALL STEVEN
Rhythm Bomb, RBR CD-6005

Met een naam als Fireball Steven verwachtte ik mij aan een Great Balls Of Fire pianist maar dat is Fireball Steven (echte naam: Nic Nilsson) niet, al zit er wel een piano in de band. Dit is de derde CD van de Zweed en de stijl is authentieke rock 'n' roll of beter gezegd rockabilly met piano als begeleidingsinstrument maar géén piano rock 'n' roll: de piano rammelt mee maar er zijn meer gitaarsolo’s als pianosolo’s. Dat rockt danig, met als enige punt van kritiek dat niet alle songs even geschikt zijn voor de toonhoogte van zijn vrij gewone en tamelijk veel tússen de toonhoogtes zwabberende stem. Wanneer alles goed zit zoals in Get Off My Toe (van Cliff Blakely op Starday) valt op het resultaat evenwel niets aan te merken. Laat ik dan ook niet te streng zijn voor ik hier weer bakken bagger over me heen krijg want muzikaal is de CD een schoolvoorbeeld van lekker ouderwets klinkende dreigende contrabas rockabilly, bij momenten in pure Sun stijl. De CD bestaat zo goed als volledig uit voornamelijk minder bekende covers - de bekendste zijn Thunder And Lightning en Will Of Love van Tooter Boatman, Little Miss Linda van Mac Curtis en de Sun cover Huh Baby van Luke McDaniel. Het laatste van de 13 nummers, Söderns Son, is in het Zweeds gezongen en een cover van een swingend rock 'n' roll nummer uit 1961 van de Zweedse groep The Brothers! De uitgave op vinyl is onderweg. Info: www.rhythmbomb.com/fireball-steven (Frantic Franky)

Stream/download Recensies

COME BACK JOSEPHINE/ THE NIGHTDRIVERS
Rehn Music Group, REHNCDS096
BEWARE IF THE SUNDAY IS BRIGHT/
DANNY COOLTMOORE & THE NIGHTDRIVERS

Rehn Music Group, REHNCDS099

Eerder dit jaar recenseerden wij de digitale release Stay Away van The Nightdrivers, een Zweedse band opgericht eind 1981 die in de jaren 2000 een jaar of vijf fungeerde als begeleidingsband van de Zweedse Jerry Lee Lewis incarnatie Micke Muster, en in die straks 40 jaar brachten ze in 1984 de single Outlaw/ Golden Sunburst uit en in 2004 de CD Let Me Take You For A Ride... op het Nederlandse label Rarity Records! In 2013 was er de digitale 4-track EP Carlene en vorig jaar de 1-track CD single My Ancient Car die beiden ook op promo-CD verschenen. Na Stay Away is er nu een tweede digitale 1-track single ter promotie van een later dit jaar te verschijnen nieuw album, en dan zijn wij verheugd te kunnen melden dat we Come Back Josephine beter vinden dan het wat vrijblijvende en iets teveel cliché Stay Away, en dan vooral omdat het geen poprock touch heeft zoals Stay Away. De geluidskwaliteit is even krachtig en helder, en Come Back Josephine is een sympathieke modern klinkende rocker waarvan de traditionele rock 'n' roll structuur wisselt tussen medium shuffle tempo en uptempo rechtdoor, het eerste gelardeerd met New Orleans piano en het tweede eerder Chuck Berry gitaar rock 'n' roll is. Samen geeft dat volwassen rock 'n' roll van een band die weet waar ze mee bezig zijn en die het beste doet vermoeden voor dat op komst zijnde full abum.
Tegelijk met Come Back Josephine verscheen ook de digitale 1-track release Beware If The Sunday Is Bright waarin The Nightdrivers de Zweedse zanger Danny Cooltmoore begeleiden, een man over wie wij u weinig kunnen vertellen aangezien www.dannycooltmoore.se volledig in het Zwöds is. Zijn echte naam is Dan Henriksson, hij zingt soms in het Engels en soms in het Zweeds, heeft sinds 2018 een countryrock band genaamd The Great Western Alarm, bracht vier songs uit met het Zweedse rockabillytrio Small Town Pimps, is met gemiddeld twee digitale singles per maand ontzettend productief, en heeft net als Nightdrivers zanger-gitarist Patrick Rapp een degelijke stem. Beware If The Sunday Is Bright, het eerste van wat vier digitale samenwerkingen met The Nightdrivers gaan worden, is catchy uptempo popcountry op in essentie een gitaarpickende Johnny Cash boom-chicka-boom structuur, begraven onder dikke productielagen met een gitaarsolo die een steelgitaar imiteert en een gospel pianosolo. Het melodieuze nummer is zeker niet slecht als u van dit soort muziek houdt en als het op de radio zou passeren zou ik niet de onweerstaanbare dwang voelen die uit het raam te willen keilen, maar voor velen onder u zal het te ver van uw rock 'n' roll bed zijn. Info: www.rehnmusic.com, en via www.nightdrivers.se vind je The Nightdrivers op iTunes, Spotify en Tidal.
(Frantic Franky)

1 juli 2020

CD Recensies

BOSS BLACK ROCKERS VOL. 6: MARDI GRAS ROCK
Koko Mojo, KMCD 55

Damn. Koko Mojo brengt ze sneller uit dan wij ze kunnen recenseren: met Boss Black Rockers zitten ze al aan volume 6 van wat een reeks van 10 gaat worden, en wij hebben er nog geen enkele gerecenseerd. Nochtans is CD’s van dit hoge kaliber recenseren heus niet zo moeilijk, dus vooruit dan maar, gelijk vooruit met de geit, in dit geval zwarte geiten want zoals de titel Boss Black Rockers correct aangeeft eert deze reeks de zwarte rock 'n' roll waarbij volume 6 niet specifiek New Orleans mardi gras muziek bevat zoals je zou kunnen veronderstellen. Verschroeiende klassiekers met schurende sax, rinkelende piano en knetterende knettergekke gitaar als Pretty Boy's Rockin' The Mule, Bunker Hill's The Girl Can't Dance, Amos Milburn's Chicken Shack Boogie en Esquerita's Rockin' The Joint die in de jaren '50 door de goegemeente ongetwijfeld als ketelmuziek van de kansel verketterd zullen geweest zijn feesten hand in hand met qua tempo minder fanatieke maar daarom niet mindere rockers, jivers en strollers als Joe Tex' She's Mine, Harold Burrage's She Knocks Me Out, het instrumentale All Nite Long Part 2 van Robert Parker en Strollie Bun van The Blonde Bomber die niét blonde bomber Ronnie Dawson is. De CD bevat ook rockende doo-wop met The Ecuadors die in 1959 bij Chess Records het achtergrondkoortje waren voor Chuck Berry - hun Say You'll Be Mine werd opgenomen met exact dezelfde bezetting als Berry's eigen opnames in 1959 maar klinkt helemaal anders, hoewel Chuck Berry zijn karakteristieke gitaargeluid uiteraard niet kan wegsteken - en bij momenten waait er een New Orleans wind door de CD dankzij Eddie Bo (Oh-Oh) en Big Al Downing (Just Around The Corner). Zoals u uit voorgaande kan afleiden bevat de CD een evenwichtige afwisseling tussen enerzijds bekende namen met minder bekende songs (haal uw LP’s van hen uit de kast en ze staan er misschien op) als Bobby Freeman (Mardi Gras Rock), Eugene Church (Miami), Young Jessie (Hit Git And Split), Roy Gaines (De Dat De Dum Dum), Jackie Wilson (If I Can't Have You), Don & Dewey (Bim Bam), Bobby Day (Three Young Rebs From Georgia), Barrett Strong (Let's Rock) en Clarence "Frogman" Henry (I'm In Love) en anderzijds door de mazen van de muziekgeschiedenis geglipte artiesten als Little Mac (het Money That's What I Want doorslagje I Need Love), The Vibes (Let The Old Folks Talk), Mr. PT & the Party-Timers (Crazy Sadie), The Seniors (Pitter Patter Heart), The Egyptians (Flipping Their Top) en Jim Breedlove op wiens Whole Lotta Shakin' Goin' On geen ene noot valt af te dingen.
De conclusie is simpel: alle 28 goed en dus is dit een uitstekende CD en bij uitbreiding een aanbevelenswaardige reeks. Doe er uw voordeel mee, want black rock 'n' roll matters!

Info: www.koko-mojo.com (Frantic Franky)


ROCK AND ROLL TO SAVE MY SOUL:
ROCK 'N ROLL KITTENS VOL. 4

Atomicat, ACCD 045

Wij zijn zo neurotisch dat we CD’s reeksen graag in volgorde kopen én recenseren maar Atomicat brengt ze zo snel uit dat wij zoals altijd onderweg de pedalen kwijtraken en daarom gelijk over naar het vierde en laatste deeltje in hun Rock 'n' Roll Kittens reeks - ga niet langs start, u ontvangt geen geld - en die kittens zijn de rock 'n' roll zangeressen die niet voor hun mannelijke collega’s moesten onderdoen en geen katjes waren om zonder handschoentjes aan te pakken. Zo zijn er al veel verzamel-CD’s en series in omloop en deze CD dupliceert haast onvermijdelijk een aantal songs die je mogelijk elders al in je collectie hebt. De CD bevat 25 zowel blanke als zwarte dames in alle mogelijke rock 'n' roll subgenres zoals honky tonk piano rock (Betty Johnson's Honky Tonk Rock), cha cha cha poprock (Arleemah Wadood's Oh Baby), highschool met orgeltje (Janie Grant's Romeo), sixties popchicks (The Young Sisters' Casanova Brown), hoempapa hillbilly (Laura Lee's My Confession), Les Paul & Mary Ford vingervlugheid op de frets (Martha Lynn's Learning To Love), zwarte schreeuwlelijkerds (Marie Knight's I Thought I Told You Not To Tell Them, Little Esther's If It's News To You, Anne Laurie's Rockin' And Rollin' Again), rhythm 'n' blues rock 'n' roll (Louise Brown's Son-In-Law dat niets van doen heeft met Ernie K. Doe's Mother-In-Law), big band gospelrock (Pearl Bailey's I Can't Rock 'n' Roll To Save My Soul), zelfs bluesboppers (Betty James' I'm A Little Mixed Up), en natuurlijk gewoon een hoop, euh, rock 'n' roll met onder meer Jeanette Baker (Crazy With You), Jo-Ann Campbell (Tall Boy), Mary McCoy (Deep Elm Blues), Lilyan Carol (Stop The Clock), Shirley Caddell (The Big Bounce), Norma Brock die iets Tequila-achtig in haar Evergood smokkelt, en Judy & Joyce met wier Washboard Sam ik Kitty, Daisy & Lewis nog wel iets hoor aanvangen. Ook qua rockabilly moesten de ladies niet onderdoen voor de heren, luister maar aan Janis Martin met haar cover van Roy Orbison's Ooby Dooby, Patsy Cline's Stop Look And Listen en Bunny Paul's Sweet Talk die behoren tot de klassiekers van het genre. Leuk is het Work With Me Annie antwoord My Name Ain't Annie van Linda Hayes.
Dit zijn niet allemaal meesterwerkjes om de eenvoudige reden dat elk vogeltje zingt zoals hij/zij gebekt is en niet alle artiesten evenveel talent hadden (een trieste vaststelling die anno 2020 helaas nog steeds geldt), maar Rock 'n' Roll Kittens is ongetwijfeld in zijn geheel zo sterk dat hier voor elk wat wils opstaat, en zowel deze CD als de hele reeks zijn een aanrader voor eenieder die een vrouw op haar rock 'n' roll waarde weet te schatten. Kom hier dat ik u tegen mijn boezem druk! Info: www.atomi-c.at
(Frantic Franky)



Lees hier de oudere recensies

Terug naar de voorpagina