(reclame)


Je recente release (muziek, boek of wat dan ook) gerecenseerd op onze website? Stuur deze dan naar de hoofdredactie!
Your recent release (music, book or whatever) reviewed on our website? Send it to our editor-in-chief!

 

19 juni 2024

Vinyl Recensie

BAMBOOZLED/ BAMBOOZLE
Jimena Records, JMA07V2024

English version: see below

Op 21 juni verschijnt in eigen beheer op 500 exemplaren de nieuwe 10 inch vinyl van het intussen tot een trio afgeslankte Britse, euh, trio in de nieuwe bezetting met drumster Jax Titmus. Bamboozle is hieraan beginnen werken in 2022 en de EP herneemt twee nummers van hun enige full CD, Retrograde uit 2019, meer bepaald Rockin' Man en Ice Cold Beer dat in 2017 zelfs al op hun debuut EP Red Right Hand stond. Het door contrabassiste Serena Sykes gezongen Heathens waarmee de EP opent klinkt verrassend modern, maar dat mag eigenlijk niet verbazen aangezien heel die Retrograde eigenlijk al een moderne sound had en omdat Heathens nu eenmaal een cover is van een hit van de Amerikaanse popgroep Twenty One Pilots uit 2016. Uiteraard klinkt Bamboozle rockender dan de elektro rap van het origineel (al steken ze er ook een parlando in), maar hun versie doet ook denken aan Imelda May toen die nog goed was, en dat mag evenmin verbazen aangezien Bamboozle op Retrograde Imelda May's nummer Mayhem coverde. In Heathens en Bleed hoor ik ook de invloeden van pop en glamrock die op Retrograde bijvoorbeeld in een nummer als The Lowdown staken. Rockin' Man echoot opnieuw Imelda May, maar Ice Cold Beer, het enige nummer gezongen door gitarist Jim Knowler, klinkt meer rockabilly en minder western swing dan de vorige versies - iets meer The Keytones, zeg maar, de nog steeds geliefde band waarin Knowler zijn carrière begon. De pedal steel die op Retrograde in songs als Daddy's Girl en Five Past Ten zat en de invloed van zigeunerswing zoals die in bijvoorbeeld Heebie Jeebies stak horen we niet meer terug op Bamboozled, maar dat wil niks zeggen aangezien ze nog afgewerkte nummers zouden klaar hebben met het oog op een mogelijk tweede full album. Bamboozle gaat er trots op niet je cliché rockabilly trio te zijn, en dat is hun volste recht zolang het live on stage maar flink rockt, en hoe het live rockt kan u hier horen op de B-kant met drie live bonustracks opgenomen in 2023, Stray Cat Strut, Bumble Bee en Choo Choo Ch Boogie. De laatste keer dat wij Bamboozle zagen rockte het inderdaad nog steeds, ook al voelen ze zich naar eigen zeggen "stuck in het niemandsland tussen commerciële muziek en rockabilly". Uit het rockabilly keurslijf treden is nooit makkelijk, maar Bamboozle slaagt er in met glans, wat helaas niet betekent dat ze er ook iets aan overhouden: om een professionele videoclip te maken voor de EP zien ze zich zelfs genoodzaakt een crowdfunding op te zetten, zie www.kickstarter.com/projects/bamboozlehq/bamboozles-rockin-man-music-video. Om de zaken in perspectief te zetten: Bamboozle moet bedelen, terwijl de Heathens videoclip van Twenty One Pilots in 2016 de award voor Beste Rock Video won bij de MTV Video Music Awards... Voorlopig is dit enkel uit op vinyl en als download op alle digitale platforms, mogelijk komt er later ook een CD versie. Info: www.bamboozlehq.com (Frantic Franky)

On June 21 Bamboozle (GB) releases their new 10 inch vinyl record (500 kopies) in the downsized trio line-up with new female drummer Jax Titmus. Bamboozle started working on this in 2022 and the EP contains new versions of two songs from their only full CD, 2019's Retrograde. These are Rockin' Man and Ice Cold Beer and the latter was even already included on their 2017 debut EP Red Right Hand. The opening track Heathens, sung by double bass pixie Serena Sykes, sounds surprisingly modern, which shouldn't really surprise as the entire Retrograde album had a modern sound, and also because it's a cover of a 2016 hit by US pop group Twenty One Pilots. Bamboozle sounds more rockin' than the electro rap of the original (though they also include a spoken part), but their version also reminds us of Imelda May when she was still good, and that shouldn't be surprising either for Bamboozle covered Imelda May's song Mayhem on Retrograde. In Heathens and Bleed I also hear the pop and glam rock influences that could be found on Retrograde in a song like The Lowdown. Rockin' Man again echoes Imelda May, but Ice Cold Beer, the only track here sung by guitar player Jim Knowler, sounds more rockabilly and less western swing than its previous incarnations - say a little more Keytones, the much loved band in which Knowler began his career. The pedal steel that featured in songs like Daddy's Girl and Five Past Ten on Retrograde and the influence of gypsy swing in a song like Heebie Jeebies are nowhere to be found on Bamboozled, but that doesn't mean anything as they apparently have more songs in the can for a possible second full album. Bamboozle prides itself on not being your average cliché rockabilly trio, and they're entitled to as long as they rock big time live on stage, and you can hear how they rock it live on the B-side here with three live bonus tracks recorded in 2023, Stray Cat Strut, Bumble Bee and Choo Choo Choo Boogie. The last time we saw Bamboozle live they sure were rockin', even if in their own words they feel "stuck in the no-man's land between commercial music and rockabilly". Stepping out of the rockabilly straitjacket is never easy, but Bamboozle succeeds with flying colours. Unfortunately that does not mean they reap any benefits or rewards, and to make a professional music video for this EP they're even forced to set up a crowdfunding, see www.kickstarter.com/projects/bamboozlehq/bamboozles-rockin-man-music-video. To put things in perspective: Bamboozle has to beg, while Twenty One Pilots' Heathens music video won the award for Best Rock Video at the MTV Video Music Awards in 2016... For the time being this is only available on vinyl and as a download on all digital platforms, with a CD version possibly in the works for the future. Info: www.bamboozlehq.com (Frantic Franky)

CD Recensie

BREAK IT LOOSE/ THE MIDNIGHT BOPPERS
Géén label, géén cat.nr.

English version: see below


Zelfs vanuit Canada weten ze ons te vinden! Of wij een CD van The Midnight Boppers willen recenseren? Als die iet of wat fatsoenlijk is wel, ja! Rock 'n' roll was in Canada als buurland van de Verenigde Staten reeds populair in de jaren '50, en ook nu hebben ze er nog een rockabilly scene. Dit rockabilly trio uit Montreal klinkt net wat meer power dan de traditionele authentieke bands maar roept met dezelfde basis opstelling van zang-gitaar, contrabas en drums een krachtig geluid met veel twangy gitaar en Burnette licks op, voortgestuwd door de ruwe stem van frontman zanger-gitarist Nick Shivers die indien nodig flink kan bulderen. Ze brachten in 2018 al een (digitale?) EP uit en dit is hun debuut CD met twaalf eigen songs. Nummers als I'm Gonna Make You Mine, Shake It Pretty Baby, het op springbonen gebaseerde Shake And Walk en de hoempabilly On My Way To Tennessee zijn heel catchy en blijven na slechts een paar keer draaien in je hoofd hangen. In Black Top Boogie zit bluesbop, de ballade I'm Cryin' met een solo op gastpiano neemt gas terug, Early Morning klinkt als een swampy Be-Bop-A-Lula en Mexican Standoff is een Malagueña-achtige gitaarinstrumental die de moderne Dick Dale combineert met Mexicana. Sommige nummers doen inderdaad vaagweg aan bekende songs denken: flarden van de titeltrack hebben wat weg van de melodie van Six Days On The Road en Streets Of Fire heeft een Eddie Cochran/Stray Cats vibe, maar dit alles zo weinig dat je eerder van kruisbestuiving dan van kopiëren moet spreken. Al die songs worden tenslotte worden uit dezelfde vijver gevist. Veel woorden moeten we hier niet aan vuil maken: dit is gewoon pure rock 'n' roll over ponytails zonder moeilijkdoenerij of invloeden van pop- of rock, en dat laatste alleen al is soms voldoende om ons over de streep te trekken. The Midnight Boppers zijn niet slechter dan die hele hordes Amerikaanse en Mexicaanse bandjes die door handige promotoren naar hier worden overgevlogen om een paar weken alle muziekcafeetjes in de Benelux af te dweilen, dus waarom het eens niet proberen met een Canadese groep? Info: www.midnightboppers.net (Frantic Franky)

Even in Canada they know how to find us! Would we be interested in reviewing a CD from The Midnight Boppers? If it's somewhat decent, yes please! In the 1950s rock 'n' roll was already popular in the United States' neighbouring country, and they still have a rockabilly scene today. This rockabilly trio from Montreal rocks it just a tad more powerful than traditional authentic bands and with the same basic line-up of vocals-guitar, double bass and drums they conjure up a strong sound with lots of twangy guitar and Burnette licks, propelled by therough voice of frontman-singer-guitarist Nick Shivers who can let out a mighty roar when needed. They already released a (digital?) EP in 2018 and this is their debut CD with 12 selfwritten tunes. Songs like I'm Gonna Make You Mine, Shake It Pretty Baby, the jumping beans based Shake And Walk and the oompah billy On My Way To Tennessee are quite catchy and get stuck in your head after a few spins. There's blues bop in Black Top Boogie, the ballad I'm Cryin' with a solo on guest piano slows down the pace for a couple of minutes, Early Morning sounds like a swampy Be-Bop-A-Lula and Mexican Standoff is a Malagueña styled guitar instrumental that combines modern Dick Dale with mexicana. A few of the tracks are vaguely reminiscent of familiar songs: some of the bars of the title track bear some resemblance to the melody of Six Days On The Road and Streets Of Fire has an Eddie Cochran/Stray Cats vibe, but it's so limited that one should speak of cross-pollination rather than copying. After all all these songs go fishing in the same pond. Let's not waste too much space here: this is unadulterated rock 'n' roll about ponytails without acting difficult nor pop or rock influences, and this in itself is sometimes already enough to win us over. The Midnight Boppers are on a par with all the hordes of American and Mexican bands that play all the music pubs in our neck of the woods, so why not try a Canadian band for a change? Info: www.midnightboppers.net (Frantic Franky)

Streaming Recensie

12 juni 2024

THE BEACH BOYS (2024)
Disney+ Documentaire, Regisseur: Frank Marshall & Thom Zimny
English version: see below

63 jaar bestaan ze intussen als verpersoonlijking van de California dream, de groep die de mythe van het zonnige California in haast bovennatuurlijke samenzang goot en ons deed wishen dat alle meisjes California Girls waren. Uiteraard doen wat ons betreft alleen hun vroege jaren ertoe, laten we zeggen tot en met de LP Pet Sounds uit 1966. Aan albums als het in 1972 deels in Baambrugge bij Amsterdam opgenomen Holland hebben wij geen boodschap, al sluiten we niet uit dat dat misschien ooit nog komt. Uiteraard zijn er al eerder documentaires over hen gemaakt als An American Band (1985), Brian Wilson: I Just Wasn't Made For These Times (1995) en Endless Harmony (1998), maar intussen was het zeker tijd voor een update. Wat daarbij mogelijk een rol speelde is het feit dat de groep in 2021 een deel van hun intellectueel eigendom waaronder hun muziekcataloog en het Beach Boys merk verkocht aan een investeringsgroep, een deal waarbij zijzelf en hun erfgenamen nog steeds aandelen in The Beach Boys behouden. Die investering moet voor beide partijen renderen en een eerste resultaat was het luxe autobiografische koffietafel boek The Beach Boys By The Beach Boys. Nu is er deze docu, en hoewel je 63 jaar niet kan samenvatten in één uur en 53 minuten (ter vergelijking: Peter Jackson distilleerde voor Disney+ uit ongebruikte beelden en audio van de opnames van de Beatles LP Let It Be een documentaire van acht uur die handelde over 21 dagen studiotijd) is The Beach Boys een weelde voor oog en oor dankzij de duizelingwekkende hoeveelheid studio audio (van onder meer de opnames van hun debuutsingle Surfin', van de sessies voor Surfin' Safari, Shut Down Volume 2, Help Me Rhonda, Pet Sounds, Good Vibrations en Smile, en zelfs van geruzie in de studio met vader Murry Wilson ("Brian, I'm a genius too") waarvan ik aanneem dat dit alles eerder verscheen op bootlegs en officiële releases), en dankzij deels nooit eerder gezien video- en fotomateriaal, live clips, TV optredens en home movies. Er zijn gloednieuwe interviews met Brian Wilson (heel beperkt, Brian werd recent gediagnoseerd met dementie, zit op promofoto’s voor de docu in een rolstoel en komt hier voornamelijk aan het woord via archiefinterviews, net als de inmiddels overleden leadgitarist Carl Wilson en drummer Dennis Wilson), Mike Love, Al Jardine, buurjongen David Marks (gitarist van in den beginne tot en met de eerste vier LP’s en sindsdien heel af en toe opnieuw deel uitmakend van de groep), Bruce Johnston (de helft van surfduo Bruce & Terry en Beach Boys basgitarist sinds 1965), Brian Wilson's eerste echtgenote Marilyn Wilson-Rutherford (zangeres in het door Brian geproducede meidentrio The Honeys) en Wrecking Crew studio keyboardspeler Don Randi, naast fragmenten uit interviews uit de archieven met moeder Audree Wilson, producer Nick Venet die The Beach Boys tekende voor Capitol Records, Glen Campbell (interim Beach Boy tourgitarist van december 1964 tot begin maart 1965) en Wrecking Crew studiomuzikanten Hal Blaine (drums) en Carol Kaye (basgitaar). De echte diehards zullen ongetwijfeld elke foto en elk geluidsfragment minutieus dissecteren, maar voor de gewone liefhebber zoals u en ik vormt dit alles samen een vlot, consistent en logisch geheel, knap gedaan, zeker en vast, en professioneel gemonteerd, absoluut.
Alles Fun Fun Fun dus? Ja, maar toch met enige reserve. Om te beginnen is het verhaal op zich natuurlijk bekend (Brian Wilson die steeds meer thuisblijft om zich vanaf 1964 te concentreren op schrijven, producen en opnemen, de invloed van producer Phil Spector en van Rubber Soul en Sgt Pepper van The Beatles, Brian's druggebruik en psychische problemen, het geaborteerde Smile project) en leren we hier op een aantal details na eigenlijk niets nieuws. Iedereen weet immers al dat vader Murry Wilson als manager een tirannieke figuur met losse handjes was die zich met alles moeide en toen hij zich ook met de muziek begon te moeien in 1964 door de groep op een zijspoor werd gezet als hoofd van hun muziekuitgeverij.
Opvallend is hoe leadzanger Mike Love, altijd al een polariserende figuur, de geschiedenis begint te herschrijven door zich meer en meer naar voor te schuiven als de centrale figuur van de groep zodat niet Brian Wilson maar hij de opper Beach Boy zou zijn, terwijl eigenlijk Carl de leider van de tourgroep was nadat Brian thuis bleef. Dat doet Love heel subtiel, bijvoorbeeld door over Brian te praten als "mijn neef Brian" en over de vader van de drie Wilson broers als "mijn oom Murry" en door uitspraken als "ik was niet de enige met wie Brian songs schreef" en "Brian en ik namen die beslissing". Je merkt de frustratie dat mastermind Brian gelabeld werd als genie terwijl de rol van de andere groepsleden ondergewaardeerd bleef. Love heeft in het verleden al vaak verkondigd dat hij als tekstschrijver meewerkte aan 79 Beach Boys songs maar voor de helft daarvan nooit credit en dus evenmin centen kreeg. Dat was uiteraard een dikke streep door zijn rekening toen Murry de Beach Boys catalogus in 1969 buiten het medeweten van de groep verkocht. "These days we don't really talk much", zegt Love ergens in de docu, al blijft hij met tranen in de ogen beweren dat ie van Brian houdt.
De documentaire eindigt met Endless Summer, de greatest hits dubbel-LP die in 1974 de top van de hitlijsten haalde en de carrière van The Beach Boys een nieuwe impuls gaf als oldies groep toen ze commercieel en artistiek op hun gat lagen, tegelijk het moment waarop ze er alles aan deden om hun zorgeloze begin jaren '60 imago van zich af te schudden. De onderlinge rechtszaken die volgden (Brian Wilson, Mike Love en Al Jardine treden sinds jaar en dag apart op) worden slechts zijdeling vermeld, en de duistere kantjes van het Beach Boys verhaal komen evenmin aan bod. De overlijdens van Dennis (in 1983 verdronken na een drank- en drugsverslaving) en Carl (1998, longkanker) worden niet vermeld, en de link tussen Dennis, producer Terry Melcher (zoon van actrice Doris Day en de andere helft van Bruce & Terry) en sekteleider annex moordenaar Charles Manson wordt snel snel vermeld in amper drie minuten. Manson was in spé een mislukt muzikant: The Beach Boys namen in 1968 als B-kant van hun cover van Ersel Hickey's Bluebirds Over The Mountain het nummer Never Learn Not To Love, Dennis Wilson's bewerking van Manson's Cease To Exist.
Er volgt nog een postscript wanneer de overlevende Beach Boys Brian Wilson (81), Mike Love (83), Al Jardine (81), David Marks (75) en Bruce Johnston (81) elkaar in september 2023 opnieuw ontmoeten op het strand van Paradise Cove in Malibu waar de hoesfoto’s van de LP’s Surfin' Safari en Surfin' USA werden gemaakt (de makers sleuren er zelfs de originele surfplank die op die hoezen staat bij). Helaas wordt dat onderonsje ons onthouden, want de beelden duren slechts één minuut en we mogen niet horen wat de heren zeggen.
Mag ik tot slot nog even mijn ongenoegen uiten over iets dat intussen mijn strot begint uit te komen? Waarom schuiven dit soort documentaires altijd zogenaamde "talking heads" naar voor, mij onbekende mensen (Janelle Monáe? zanger-producer Ryan Tedder? "cultuurhistorisch muziekcriticus" Josh Kun?) die om de een of andere reden beroemd of belangrijk zijn en meestal in een indrukwekkend ogende studio hun zegje mogen doen maar weinig tot niets bijdragen omdat hun commentaar beperkt blijft tot platitudes als "toen ik The Beach Boys voor het eerst hoorde zingen, nou, dat was wel wat"? De enige talking heads die hier iets interessants weten te vertellen zijn Don Was (regisseur en producer van I Just Wasn't Made For These Times) en Lindsey Buckingham, gitarist van rockband Fleetwood Mac. Beide deden overigens ook al hun zegje in I Just Wasn’t Made For These Times.
Trivia: co-regisseur Frank Marshall is de zoon van jazz gitarist en producer Jack Marshall, de man die het arrangement van Peggy Lee's Fever bedacht, gitarist op The Call Of The Wildest van Louis Prima, componist van het thema van The Munsters Theme en maker van de surf parodie LP My Son The Surf Nut (1963). (Frantic Franky)

For 63 years now and counting they've been the personification of the California dream, the band that cemented the myth of sunny California into almost supernatural harmonies and that made us wish they all could be California Girls. Obviously as far as we're concerned it's only their early years that matter, say up to and including the 1966 LP Pet Sounds. We are not interested in albums like 1972's Holland, even though we do not rule out the possibility that one day we might be. Of course there have been documentaries about The Beach Boys before like An American Band (1985), Brian Wilson: I Just Wasn't Made For These Times (1995) and Endless Harmony (1998), but it was definitely time for an update. What also may have played a role is the fact that in 2021 the group sold part of their intellectual property including their music catalogue and the Beach Boys brand to a group of investors, a deal in which the band members themselves as well as their heirs still retain shares in The Beach Boys. That investment must maximize return for both parties, and the first result was the luxurious autobiographical coffee table book The Beach Boys By The Beach Boys, followed by this documentary. Although it's impossible to condense 63 years in one hour and 53 minutes (in comparison: Peter Jackson condensed unused footage and audio of the recording of the Beatles LP Let It Be into an eight hour Disney+ documentary about 21 days of studio time), The Beach Boys is a feast for the eyes and ears thanks to the staggering amount of studio audio (from among others the recording sessions for their debut 45 Surfin’, for Surfin‘ Safari, Shut Down Volume 2, Help Me Rhonda, Pet Sounds, Good Vibrations and Smile, and even of the in-studio arguments with their dad Murry Wilson (’Brian, I'm a genius too"), all of which I assume previously appeared on both bootlegs and official releases), and thanks to partly never-before-seen videos and photos, live clips, TV appearances and home movies. There are new interviews with Brian Wilson (very few, Brian was recently diagnosed with dementia, is seen sitting in a wheelchair in the promo photos for this documentary, and appears here mainly through vintage interviews, as do lead guitarist Carl Wilson and drummer Dennis Wilson who both already passed away), Mike Love, Al Jardine, neighbour David Marks (guitarist from the very beginning up to the first four LP’s and since then very occasionally onboard), Bruce Johnston (half of surf duo Bruce & Terry and Beach Boys bass player since 1965), Brian Wilson's first wife Marilyn Wilson-Rutherford (singer in girl trio The Honeys who were produced by Brian) and Wrecking Crew studio keyboard player Don Randi, in addition to excerpts from archive interviews with mother Audree Wilson, producer Nick Venet who signed The Beach Boys to Capitol Records, Glen Campbell (interim Beach Boy touring guitarist from December 1964 to early March 1965) and Wrecking Crew studio musicians Hal Blaine (drums) and Carol Kaye (bass guitar). No doubt the real diehards will meticulously dissect every picture and every second of audio, but for the average fan like you and me all of this combined forms a smooth, consistent and logical story, cleverly put together, sure, and professionally edited, absolutely.
So it's all Fun Fun Fun Fun? Yes, but definitely with some reservations. For starters the story told is familiar (Brian Wilson staying more and more at home to concentrate on writing, producing and recording from 1964 onwards, the influence of producer Phil Spector and of The Beatles' Rubber Soul and Sgt Pepper, Brian's drug use and mental problems, the aborted Smile project) and we don't really learn anything new here apart from some details. After all everyone already knows that dad Murry Wilson was a tyrannical manager who did not shy away from verbal and physical abuse and tried to control everything, so when he started to try to control their music too the group sidelined him in 1964 by putting him in charge of their music publishing company.
It's remarkable how lead singer Mike Love who's always been a polarizing character rewrites history by putting himself more and more forward as the central figure of the group in order to give the impression that Brian Wilson was not the head of The Beach Boys, while in reality it was Carl who became the leader of the touring group once Brian Wilson stayed at home. Love does this very subtly, for instance by talking about Brian as ‘my cousin Brian’ and about the father of the three Wilson brothers as ‘my uncle Murry’, and by using phrases like ‘I wasn't the only one Brian wrote songs with’ and ‘Brian and I made that decision’. You can sense his frustration about the fact that mastermind Brian was labelled a genius while the role of the other group members remains underappreciated. In the past Love has often stated that he collaborated as a lyricist on 79 Beach Boys songs but never received credit and therefore money for half of them, which became even more important when Murry sold the Beach Boys catalogue in 1969 without the group's knowledge. ‘These days we don't really talk much,’ Love says in the documentary, though he continues to claim with tears in his eyes that he loves Brian.
The documentary ends with Endless Summer, the greatest hits double LP that topped the charts in 1974 and reinvigorated The Beach Boys' career as an oldies group at a time when they hit rock bottom commercially and artistically while at the same time desperately trying to shake off their carefree early sixties image. The lawsuits between them that followed (Brian Wilson, Mike Love and Al Jardine have been performing separately for many years now) are only mentioned as a side note, nor are the darker sides of the Beach Boys story covered. The deaths of Dennis (he drowned in 1983 after a drinking and drug addiction) and Carl (1998, lung cancer) are not mentioned, while the link between Dennis, producer Terry Melcher (son of actress Doris Day and the other half of Bruce & Terry) and sect leader/ murderer Charles Manson is quickly mentioned in barely three minutes. Manson was a failed would be musician: in 1968 The Beach Boys recorded Never Learn Not To Love, Dennis Wilson's reworking of Manson's Cease To Exist, as the B-side of their cover of Ersel Hickey's Bluebirds Over The Mountain.
As a postscript surviving Beach Boys Brian Wilson (81), Mike Love (83), Al Jardine (81), David Marks (75) and Bruce Johnston (81) meet up again in September 2023 at Paradise Cove beach in Malibu where the cover photos of the LP’s Surfin‘ Safari and Surfin’ USA were taken (the producers even came up with the original surfboard featured on the album covers). Unfortunately we are not allowed to be part of this gettogether, as the footage lasts only one minute and the audio has been turned off.
May I end this review by expressing my displeasure at something that has been turning me off for some time now when watching music documantaries? Why do they always feature ‘talking heads’, people whom I've never heard of (Janelle Monáe? singer-producer Ryan Tedder? ‘cultural-historical music critic’ Josh Kun?) but for some reason are considered famous or important and usually get to have their say in an impressive looking studio but invariably contribute little to nothing because their comments are limited to platitudes like ‘when I first heard The Beach Boys sing, wow, that was really something’? The only talking heads who manage to say some things of interest here are Don Was (director and producer of I Just Wasn't Made For These Times) and Lindsey Buckingham, guitarist of rock band Fleetwood Mac. Both, incidentally, were also featured in I Just Wasn't Made For These Times.
Trivia: co-director Frank Marshall is the son of jazz guitarist and producer Jack Marshall, the guy who came up with the arrangement of Peggy Lee's Fever, played guitar on Louis Prima's The Call Of The Wildest, wrote The Munsters Theme and recorded the surf parody LP My Son The Surf Nut (1963). (Frantic Franky)

CD Recensies

ROCKS/ ROY BROWN
Bear Family, BCD17749
English version: see below


Dit keer staat weer een zwarte pré-rock 'n' roll pionier centraal in de nieuwste Rocks, Roy Brown, een artiest die je soms tegenkomt op rockabilly compilaties met het door Johnny & Dorsey Burnette geschreven Hip Shakin' Baby (de Burnette touch zit onmiskenbaar in de melodie) en het door Crazy Cavan gecoverde Saturday Night (denk u een nerveuzere versie van Fats Domino in). Die nummers verschenen namelijk in 1956-1958 op Imperial, het label waarop ook Ricky Nelson zat. Saturday Night werd door Crazy Cavan & the Rhythm Rockers drie keer zo snel en vier keer zo wild gecoverd onder de titel It's Saturday Night, maar is net als Hip Shakin' Baby geen rockabilly, wél gezellige opgewekte rock 'n' roll geproduceerd door Fats Domino's bandleider Dave Bartholomew als de ultieme New Orleans gezelligheid. Brown was toen evenwel in het kielzog van Louis Jordan al tien jaar aan de weg aan het timmeren, want hij maakte zijn eerste opnames reeds in 1947 en was in essentie een blues shouter met een hoge tenorstem die hij had ontwikkeld in de kerk. En shouten kon Roy Brown, een van de eerste artiesten die rhythm 'n' blues zong als ware het gospel, even goed als zingen: hij begon zijn carrière met het nazingen van Bing Crosby en Frank Sinatra. Fast forward en u kan op deze CD op zoek naar de gelijkenissen tussen de manier van zingen van Roy Brown en Jackie Wilson. Met die eerste opnames was het meteen raak voor Roy Brown, want in retrospect is zijn Good Rockin' Tonight uit 1947 zijn belangrijkste opname. Het werd door Roy Brown geschreven, opgenomen in Cosimo Matassa's J & M Studio in New Orleans, en is de originele opname van één van die scharniermomenten in de evolutie van rhythm 'n' blues boogie swing en jump blues tot rock 'n' roll, al staat Brown's krakkemikkige versie misschien in de schaduw van de bekendere - en toegegeven, energieker boogie-ënde - cover door Wynonie Harris, en toen Elvis het in 1954 opnam bij Sun Records als opvolger van zijn debuutsingle That's All Right was het hek helemáál van de dam. Tegen het succes van de rock 'n' roll kon Brown evenwel niet opboksen, en als pionier die de rock 'n' roll highway mee aanlegde was hij tijdens de hoogdagen ervan commercieel al op zijn retour: het hitsucces van Let The Four Winds Blow in 1957 (het origineel was twee jaar eerder van Dave Bartholomew maar Fats scoorde in 1961 beter) was nog slechts een laatste korte stuiptrekking in vergelijking met zijn grootste hits in het begin van zijn carrière op DeLuxe Records toen hij veertien keer de zwarte hitlijsten haalde.
De CD bevat 30 tracks uit 1947-1951 (DeLuxe), 1952-1955 (King), 1956-1958 (Imperial) en 1960 (Home of the Blues), en luister eens hoe stevig Brown al rockte in 1949 op het dubbelzinnige Butcher Pete, en wat een geweldige blazersband erachter zit met tenorsax, baritonsax en trompet. Riding High is uptempo swingjazz, Mr. Hound Dog's In Town is een bewerking van Big Mama Thornton's oerversie van Hound Dog, en Hurry Hurry Baby (alt. take) klonk in 1952 zoals Little Richard een paar jaar later zou klinken. Nummers als Love Don't Love Nobody (in 1960 gecoverd door James Brown, géén familie), Black Diamond, Shake 'Em Up Baby, Rock-A-Bye Baby, I've Got The Last Laugh Now, Gal From Kokomo, Cadillac Baby en de New Orleans rocker Good Man Blues hebben een heel geprononceerde en dus tot dansen uitnodigende beat die de toeterende saxofoons en djingel djangelende piano’s genadeloos op de hielen zit. Het strafste is dat dit bijna 30 nummers aan één stuk doorgaat en de jive nauwelijks stopt, want de vele trage, bluesy nummers dan wel crooners als - ik noem willekeurig - Hard Luck Blues, Long About Midnight (die twee waren zijn grootste hits), No Love At All, Trouble At Midnight, Travelin' Man, Big Town, Brown Angel, Double Crossing Woman, Ain't It A Shame, Wrong Woman Blues, A Fool In Love en Long About Sundown die je kan tegenkomen op Roy Brown albums zijn gelukkig weggelaten. Uiteraard staan er een aantal songs op die inspeelden op Good Rockin' Tonight zoals Rocking At Midnight, Boogie At Midnight, Good Rockin' Man, We're Goin' Rockin' Tonight, Rocking All The Time en Ain't No Rocking No More, en ze zijn allemaal goed. Toch is niet alles hier even wild (Bar Room Blues en het teveel op rhythm 'n' blues gitaar drijvende Letter From Home zijn me net iets te gezapig) en waren niet al zijn opnames voor Imperial even stevig: Ain't Gonna Do It (u kent het van Sonny Burgess op Sun) en I'm Ready To Play werden al veel gestroomlijnder aan de teugels gehouden. In de plaats daarvan had ik hier bijvoorbeeld liever Miss Fanny Brown (historisch gezien toch een belangrijk nummer) en vooral het vervolg Fanny Brown Got Married, Mighty Mighty Man, Good Looking And Foxy Too, Up Jumped The Devil, de Buddy Knox cover Party Doll, de Jimmy Bowen cover I'm Stickin' With You, Stop The Twist of School Bell Rock gehoord, want geeneens àl zijn rockers staan op deze Rocks. Keuze genoeg! Je kan nu eenmaal niet alles hebben in dit leven, net zoals je nooit genoeg Roy Brown kan hebben. Hé, misschien is er wel genoeg materiaal voor nog een tweede Roy Brown Rocks - dat zou een primeur zijn voor deze reeks! Roy Brown overleed in 1981 aan een hartaanval. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)

It's time for another black pré-rock 'n' roll pioneer to take centre stage in the newest Rocks CD, Roy Brown, an artist you sometimes find on rockabilly compilations with Hip Shakin' Baby written by Johnny & Dorsey Burnette (the Burnette touch is unmistakable in the melody) and Saturday Night (imagine a more nervous version of Fats Domino) which was covered by Crazy Cavan & the Rhythm Rockers. These songs appeared in 1956-1958 on Imperial Records, the label that had Ricky Nelson. Cavan covered Saturday Night three times as fast and four times as wild under the title It's Saturday Night, but like Hip Shakin' Baby rockabilly it ain't, even though it sure is dang good cosy upbeat rock 'n' roll produced by Fats Domino's bandleader Dave Bartholomew as the ultimate New Orleans conviviality. By that time Roy Brown was already a decade into a career in the wake of Louis Jordan, for he had made his first recordings as early as 1947 and was essentially a blues shouter with a high tenor voice he had developed in church. And shouting came to Roy Brown, one of the first artists to sing rhythm 'n' blues as if it were gospel, just as naturally as singing: he began his career copying Bing Crosby and Frank Sinatra. Fast forward and on this CD one can look for the similarities between Roy Brown and Jackie Wilson's style of singing. With those first recordings Brown hit it right off, because in retrospect his 1947 Good Rockin' Tonight was his most important recording. Written by Roy Brown and recorded at Cosimo Matassa's J & M Studio in New Orleans it's the original recording of one of the defining moments in the evolution from rhythm 'n' blues boogie swing and jump blues to rock 'n' roll, though Brown's ramshackle version stands in the shadow of Wynonie Harris' better known - and admittedly more energetic boogie-ing - cover version, and by the time Elvis recorded it in 1954 at Sun Records as the follow-up to his debut 45 That's All Right, the revolution was on its way. Brown could however not keep up with rock 'n' roll's success , and although being one of the pioneers who helped construct the rock 'n' roll highway, he was already commercially on his way out during its heyday: the hitparade success of Let The Four Winds Blow in 1957 (the original version having been recorded by Dave Bartholomew two years before but Fats had the last laugh in 1961) was only one last brief convulsion compared to his greatest hits on DeLuxe Records early on in his career when he made the black charts 14 times.
This CD contains 30 tracks from 1947-1951 (DeLuxe), 1952-1955 (King), 1956-1958 (Imperial) and 1960 (Home of the Blues), and I encourage you to listen how solidly Brown was already rockin' in 1949 on the double entendre Butcher Pete, and what a great band is behind it featuring tenor sax, baritone sax and trumpet. Riding High is uptempo swing jazz, Mr Hound Dog's In Town is a rewrite of Big Mama Thornton's original Hound Dog, and Hurry Hurry Baby (alt. take) sounded in 1952 just like Little Richard would sound a few years later. Songs like Love Don't Love Nobody (covered in 1960 by James Brown, no relation), Black Diamond, Shake 'Em Up Baby, Rock-A-Bye Baby, Gal From Kokomo, Cadillac Baby and the New Orleans rocker Good Man Blues have a very pronounced and therefor danceable beat mercilessly leading the honking saxophones and boogie woogie pianos. The jive goes on almost non stop for 30 songs in a row, as all the slow and bluesy songs and the crooners like - picking 'em randomly - Hard Luck Blues, Long About Midnight (his two biggest hits), No Love At All, Trouble At Midnight, Travelin' Man, Big Town, Brown Angel, Double Crossing Woman, Ain't It A Shame, Wrong Woman Blues, A Fool In Love and Long About Sundown usually found on Roy Brown albums thank God and Elvis have been left out. The tracklisting obviously includes several songs cashing in on Good Rockin' Tonight such as Rocking At Midnight, Boogie At Midnight, Good Rockin' Man, We're Goin' Rockin' Tonight, Rocking All The Time and Ain't No Rocking No More, and all of them are good. Not everything here is equally wild though (Bar Room Blues and the for my taste too much rhythm 'n' blues guitar driven Letter From Home are just a tad too lame for me) and not all his recordings for Imperial were equally solid: Ain't Gonna Do It (you know it from Sonny Burgess on Sun) and I'm Ready To Play were already much more streamlined and reserved. I much rather would have preferred to hear for instance Miss Fanny Brown (after all a historically important song) and especially its sequel Fanny Brown Got Married, Mighty Mighty Man, Good Looking And Foxy Too, Up Jumped The Devil, the Buddy Knox cover Party Doll, the Jimmy Bowen cover I'm Stickin' With You, Stop The Twist or School Bell Rock, because Rocks does not even àll of his rockers. Plenty of tracks to choose from! Guess you can't have everything in life, just like you can never have enough Roy Brown. Say, maybe there is enough material left for a second Roy Brown Rocks? Now that would be a first for this series! Roy Brown died of a heart attack in 1981. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)

5 juni 2024

BIRD ON A WIRE/ SUPERSONICS
El Toro, ETCD 7040
English version: see below

Hoe lang speelt al Supersonics frontman Pascal Snijders al rock 'n' roll? Zeker al van in de vorige eeuw met The Taildraggers. Snijders kent zijn rock 'n' roll van binnen en van buiten, wat zich uit in het feit dat ie hier niet alleen alle nummers componeerde maar ook de leadzang én de leadgitaar én de ritmegitaar én de backing vocals (akkoord, die laatste drie gedeeld met Jeroen van Delden) op zich neemt én de CD arrangeerde én die deels opnam in zijn eigen studio én de prémix deed én de lay out van de CD maakte én samen met de rest van de groep de productie op zich nam, en waarschijnlijk heeft ie achteraf de studio nog opnieuw geschilderd ook. Vaak resulteert zulk alles naar zichzelf toetrekken in een blindheid voor de eigen tekortkomingen, maar dat geldt niet voor Supersonics die heel gefocuseerd weten wat ze willen, en dat is in de eerste plaats niet je typische rockabilly band zijn. Dit is hun derde album sinds 2016, net als 69 Automobile uit 2019 verschenen op het Spaanse rock 'n' roll label El Toro, net als beide andere albums ook uit op good old vinyl, en met net als op die twee vorige albums met alles songs zoals gezegd gevloeid uit de pen van Pascal Snijders. Bird On A Wire is nog met "oude" drummer John Rietberg die na deze opnames na zeven jaar Supersonics met rock 'n' roll pensioen ging (zijn opvolger is Ronnie Smit, zie ook Tinstars), en tegelijkertijd het eerste album met "nieuwe" contrabassist Joery Rutten, inmiddels ook al vijf jaar bij de band. Voorganger 69 Automobile bewees met zijn invloeden van swamp rock en CCR en zijn orgeltje reeds dat de groep zich niet wil vastpinnen op die rockabilly, en Bird On A Wire is in vergelijking met hun Close To You debuut uit 2017 misschien zelfs nog minder pure rock 'n' roll, maar wel even opgewekt en vrolijk, stapt blijgezind door het leven stapt en geeft je onmiddellijk die instant good feeling vibes die de intussen heel herkenbare eigen Supersonics sound steevast vergezelt. Het orgeltje is terug (Not About The Money) maar stoort nergens en het geheel is misschien ietsje meer poppy (de backing vocals in Tangled Up). Daar staat tegenover dat het album meer countryrockende americana is: de twangy countrygitaren in de titeltrack, nummers die deinen op een Sir Douglas Quintet She's About A Mover groove, dat vleugje pedal steel gitaar op drie nummers door Haico Comans, ook al iemand met een rock 'n' roll pedigree even lang als zijn baard, het zonnige van The Byrds en andere Gram Parsons engelen, het toetsenwerk dat de songs invult, meer funky groovende nummers als Foolproof Heart en het wat bluesy mysterieuze van Closer To The Fire, dat alles verpakt in een lichtgewicht sound. Dat laatste is niet negatief bedoeld, begrijp me niet verkeerd: Supersonics handelen in gitaren die sprankelen als een verfrissende lentebui, niet in agressiviteit die klinken als kettingzagen en bassen waar je broek van afzakt, maar altijd melodieus, zelfs wanneer we ons in Truth Or Consequences en Billy's Lament aan de overkant van de Rio Grande in gunfighter territorium tussen de ratelslangen begeven, en altijd uptempo, uitgezonderd de blue eyed soul ballade die het album afsluit. Bird On A Wire is 14 tracks en drie kwartier bijzonder mooie muziek om op te cruisen in een '69 automobiel op een Amerikaanse highway (bijvoorbeeld Highway 101, de titel van een van de nummers), maar bij ons in de file op de A2 van Maastricht naar Eindhoven klinkt ze even goed en tovert ze een glimlach op je gezicht. Ook uit als LP op El Toro vinylafdeling Bullseye, bestelnummer BE155. Info: www.eltorecords.com en www.supersonics.nl (Frantic Franky)

How long has frontman Pascal Snijders from Dutch band Supersonics been playing rock ‘n’ roll now? At least since the last century with The Taildraggers. Snijders knows his rock ‘n’ roll inside out, which shows in the fact that he not only wrote all the songs here, but also took care of the lead vocals, lead guitar, rhythm guitar and backing vocals (well, those last three he shared with Jeroen van Delden), arranged the CD, recorded it partly in his own studio, did the pre-mix and the CD layout and the production together with the rest of the band, and he probably also repainted the studio afterwards as well. This taking care of everything yourself attitude often results in a blindness to one's own shortcomings, but that's not the case with Supersonics who know very focused what they want, which is probably in the first place not to be your typical rockabilly band. This is their third album since 2016, just like 69 Automobile from 2019 released on Spanish rock ‘n’ roll label El Toro, just like both other albums also out on good old vinyl, and with as mentioned only songs from the pen of Pascal Snijders just like on the two previous albums. Bird On A Wire was still recorded with ‘old’ drummer John Rietberg who retired from rock ‘n’ roll after these recordings after seven years of Supersonics (his successor is Ronnie Smit, see also Tinstars), and is at the same time the first album with ‘new’ double bass player Joery Rutten who's been with them for five years new. The swamp rock and CCR influences and the use of an organ on predecessor 69 Automobile already indicated that the band does not want limit itself to rockabilly, and Bird On A Wire is perhaps even less pure rock ‘n’ roll than their 2017 debut Close To You, but at the same time just as cheerful and upbeat, walking happy go lucky through life and immediately radiating those instant good feeling vibes that we've come to expect from the in the meantime very recognisable Supersonics sound. The hammond organ is back (Not About The Money) but never obnoxious and the whole thing is probably a little more poppy (the backing vocals in Tangled Up). On the other hand this album is more country rockin' americana: the twangy country guitars in the title track, songs that sway to a Sir Douglas Quintet She's About A Mover groove, a touch of pedal steel guitar on three tracks courtesy of Haico Comans, also someone with a rock ‘n’ roll pedigree as long as his beard, the sunny spell of The Byrds and other Gram Parsons angels, the keyboards that fill out the songs, more funky grooving songs like Foolproof Heart and the somewhat bluesy mystery of Closer To The Fire, all tightly performed with a lightweight sound. Now don't get me wrong, that's not in any way meant to be negative way: Supersonics deal in guitars that sparkle like a refreshing spring shower, not in aggressiveness that sound like chainsaws and basses that make your trousers fall off. The melodies always take center stage, even when we find ourselves across the Rio Grande among the rattlesnakes in gunfighter territory in Truth Or Consequences and Billy's Lament, and it's always uptempo, except for the blue eyed soul ballad that rounds out the album. Bird On A Wire is 14 tracks and 45 minutes of exceptionally beautiful music perfect for cruising in a ‘69 automobile on America's wide open roads like for example Highway 101, the title of one of the songs, but its just sounds as good and puts a smile on your face when you're stuck in a traffic jam on the A217 in London. Also available on longplay on El Toro's vinyl division Bullseye BE155. Info: www.eltorecords.com en www.supersonics.nl (Frantic Franky)


HALF ASLEEP HALF AWAKE/ HOWLIN' JAWS
Bellevue Music, BMCD13
English version: see below

Lang geleden dat we nog iets hoorden van dit Parijse trio, meer bepaald van de vinyl single Comin' Home/ I'm Howlin uit 2016. Wat ze in die tussentijd uitvraten blijkt uit dit nieuwe album dat gepromoot wordt als hun tweede terwijl het eigenlijk hun derde is, want in 2012 verscheen hun titelloze albumdebuut op Rock Paradise. Toen waren Djivan Abkarian (zang, basgitaar), Lucas Humbert (gitaar) en Baptiste Léon (drums) een jaar of vijftien, tien jaar later blijken ze heel andere muziek te maken en zo'n beetje de muziekgeschiedenis te volgen, want Half Asleep Half Awake, net als voorganger Strange Effect uit 2021 opgenomen in de analoge Toe Rag studio in Londen met Liam Watson, producer van onder meer The White Stripes en Madness, is Tour Of Duty muziek! Daarmee bedoel ik eind jaren '60 Vietnam rock met oosterse melodieën, pop en kaleidoscopische psychedelica, orgel, veel vervorming en wah wah, en gitaren die klinken als sitars en bouzoukis. Over de kwaliteit ervan kan en wil ik me niet uitspreken, en vergelijken kan ik al helemaal niet wegens te weinig thuis in die muziek. The Kinks misschien, The Small Faces, John Lennon midden jaren '60, The Beatles ten tijde van Revolver, een beetje Byrds? Ze haalden er de cover van de Franse rockbladen Rolling Stone France en Rock & Folk mee, maar met rock 'n' roll heeft het absoluut niets meer te maken, en kuiven hebben ze ook niet langer. Ook uit op vinyl (BMLP13). Info: www.facebook.com/Howlin.Jaws and www.bellevue-music.myshopify.com (Frantic Franky)

It's been a while since we heard from this Parisian trio, in fact from the 2016 vinyl 45 Comin' Home/ I'm Howlin'. Their new album explains why, an album oddly enough being promoted as their second album while it's actually their third, for they released their self-titled album debut on Rock Paradise in 2012. Back then Djivan Abkarian (vocals, bass guitar), Lucas Humbert (guitar) and Baptiste Léon (drums) were about 15 years old, ten years later they are making completely different music and pretty much following the history op pop music: Half Asleep Half Awake, just like its 2021 predecessor Strange Effect recorded at the analogue Toe Rag studio in London with Liam Watson, producer of The White Stripes and Madness, is Tour Of Duty music! By that I mean late sixties Vietnam rock with oriental melodies, pop and kaleidoscopic psychedelia, organ, lots of distortion and wah wah, and guitars that sound like sitars and bouzoukis. I can't and won't comment on its quality, and I certainly can't compare because I'm not familiar enough with that style of music. The Kinks perhaps, The Small Faces, John Lennon in the mid sixties, The Beatles at the time of Revolver, a bit of Byrds? They made the cover of French rock magazines Rolling Stone France and Rock & Folk, but their music no longer has anyhing to do with rock 'n' roll any more, and their quiffs are gone as well. Also out on vinyl (BMLP13). Info: www.facebook.com/Howlin.Jaws and www.bellevue-music.myshopify.com (Frantic Franky)

29 mei 2024


PRESLEY STYLE Vol. 1/ RANDY STARR
Bear Family, BCD17703
English version: see below

Na de vergelijkbare PJ Proby Presley Style (BCD17678) en in een ver verleden de Don Robertson CD Songs For Elvis (BCD16654 en de gelijkaardige Glen Campbell Sings For The King CD uit 2018 op Universal Music/Capitol) brengt Bear Family nu een CD uit met 35 demo’s voor Elvis geschreven door Randy Starr. Voor de Jiving Walters onder u: Randy Starr bracht als zanger van 1957 tot 1960 een handjevol voornamelijk folk-achtige teen rock singles uit die bij ons weten nog niet zijn gecompileerd. Zijn enige hit was als componist van en gitarist op The Enchanted Sea, in 1959 een instrumentaal easy listening nummer van een studiogroep genaamd The Islanders. Starr legde zich naast zijn echte baan als tandarts (!) toe op het schrijven van liedjes voor artiesten als Jackie Wilson (Right Now) en Connie Francis (Empty Chapel), en van 1963 tot 1968 schreef hij in totaal een 70-tal songs voor Elvis (in het booklet zegt hij in totaal 84 Elvis demo’s te hebben opgenomen) waarvan Elvis er twaalf effectief opnam voor zijn film soundtracks, te weten Adam And Evil, Almost In Love, Carny Town, Could I Fall In Love, Datin', The Girl I Never Loved, Kissin' Cousins, Look Out Broadway, Old MCDonald, There Is So Much World To See, Who Needs Money en The Yellow Rose of Texas die in de films Clambake, Double Trouble, Frankie And Johnny, Kissin' Cousins, Live A Little Love A Little, Paradise Hawaiian Style, Roustabout, Spinout en Viva Las Vegas zaten. Elvis' entourage bestelde bij een vijftal songwriter teams songs op maat van specifieke filmscenes in het script, die dienden aangeleverd in de vorm van bladmuziek voorgelegd. Na een eerste selectie werden dienden de liedjes in de vorm van demo’s voorgelegd aan Elvis zelf die de definitieve keuze maakte waar zelfs Colonel Parker zich niet mee bemoeide. 35 door Randy Starr geschreven demo’s, een deel daarvan in samenwerking met Fred Wise, staan nu op deze Volume 1 CD waarvan er zes eindigden op het witte doek, en dat zijn Kissin' Cousins, The Yellow Rose Of Texas, het vaudeville liedje Look Out Broadway, Datin', Adam And Evil waarvan de demo trager dan Elvis en daardoor meer popcorn is, en de ballade The Girl I Never Loved. Ze werden allemaal professioneel opgenomen en zijn dan ook van studiokwaliteit, soms zelfs met een Jordanaires-achtig achtergrondkoortje, alleen Don't Stand Under The Mistletoe kon wel een betere mix gebruiken. De arrangementen daarentegen zijn minder uitgewerkt en de opnames zelf minder geproduced, want 't is meer een nog uit te werken en verder in te vullen schabloon: de focus ligt op de tekst en de melodie, niet op de solo’s - Elvis' aandacht mocht immers niet afgeleid worden. Let in deze ook op de verschillen in tekst tussen Starr's blauwdruk en Elvis' uiteindelijke opname. 14 demo’s werden ingezongen door Randy Starr zelf, veertien door Kenny Karen waarvan drie in duet met Mimi Roman, vijf door Malcolm Dodd(s) en twee door Jerry Keller en da's dezelfde Jerry Keller van Here Comes Summer. Het booklet heeft het over nog een vijfde zanger die niet op de CD staat, dus ik ga er van uit dat Bernie Knee, één van The Five Blobs die The Blob zongen, aan bod komt op Volume 2. Slechts één nummer werd eerder uitgebracht (de sympathieke sixties rocker Kissin' Cousins stond in 2006 op de FTD dubbel-CD Writing For The King), wat betekent dat deze opnames niet meer gehoord zijn sinds Elvis zelf ze beluisterde! Eén ander nummer, My Christmas Won't Be Merry This Year, heb ik al zien passeren op YouTube en werd daar door Randy Starr zelf opgezet. Het vormt samen met Don't Stand Under The Mistletoe en Let's Have A Christmas Party twee swingende uptempo nummers en één rockaballad geschreven met het oog op een tweede Elvis kerstalbum in 1966-1967 in het kielzog van zijn tweede gospel album How Great Thou Art in 1966, maar dat plan moest uiteindelijk wachten tot Elvis Sings The Wonderful World Of Christmas in 1971. Hoewel demo’s voor Elvis normaliter werden ingezongen door iemand die heel hard zijn best deed om vocaal zoveel mogelijk op Elvis te lijken, is dat hier niet altijd het geval want de vier zangers hier hebben verschillende gradaties in Elvisness, maar het is uiteraard logisch dat zo goed als alle songs muzikaal in Elvis stijl zijn. Daarom is het een interessante denkoefening je in te beelden hoe enerzijds songs als I'll Take Love, Wheel Of Love of de orgel rocker Love On The Rocks hadden geklonken moest Elvis ze toch hebben opgenomen, en anderzijds om ze te vergelijken met de door andere componisten geschreven nummers die uiteindelijk de films wèl haalden. Zou deze Viva Las Vegas even iconisch zijn geworden als de echte? Wat zou de beste Easy Come Easy Go of Clambake geweest zijn? Charro is een Mexicaanse gunfighter ballad in tegenstelling tot de spaghetti western versie waarvoor uiteindelijk werd geopteerd. Lady Luck Is A Gypsy bedoeld voor Frankie And Johnny is een tango (in die scene werd Chesay gebruikt). Bring On The Dancing Girls en A Thousand And One Nights mengen sixties met buikdanseres exotica. Polynesian Paradise is Hawaiiana, We Can See Him Everywhere is een uptempo gospel bedoeld voor Change Of Habit, The Chautauqua is een fanfare mars. En zo valt hier heel wat te ontdekken en te genieten. Was Strange Vibrations te psychedelisch? Was Come Hell Come Sundown te western?
Randy Starr leeft nog en is nu 93 jaar, in tegenstelling tot de in januari 2024 overleden Britse Elvis kenner Trevor Simpson die deze CD samenstelde. Hopelijk heeft zijn dood geen invloed op Volume 2 (BCD17748), want dat zou zonde zijn gezien de kwaliteit van deze release, inclusief Starr's eigen commentaar bij de tracks in het booklet van 34 pagina’s. Overigens (wij zetten graag de pintjes op de -i) zal één door Randy Starr geschreven song, Almost In Love, niet op de twee CD’s komen te staan omdat er geen demo van bestaat. Almost In Love was een tekst op een instrumentaal nummer getiteld Moonlight In Rio van de Braziliaanse Bossa Nova componist Luiz Bonfa - Elvis kreeg Bonfa's instrumental te horen samen met Starr's lyrics. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

Following the similar PJ Proby Presley Style (BCD17678) and, a long time ago, the Don Robertson CD Songs For Elvis (BCD16654 as well as the 2018 Glen Campbell Sings For The King CD on Universal Music/Capitol), Bear Family released a CD with 35 demo’s for Elvis written by Randy Starr. From 1957 till 1960 Starr released a handful of mostly folk styled teen rock 45s which to our knowledge have not yet been compiled. His only hit was as the composer of and guitarist on The Enchanted Sea, a 1959 instrumental easy listening tune attributed to a studio group called The Islanders. By day Starr was a dentist (! ) and at night he wrote songs for artists like Jackie Wilson (Right Now) and Connie Francis (Empty Chapel), and from 1963 to 1968 he wrote some 70 songs for Elvis (in the booklet he says he recorded a total of 84 Elvis demo’s), twelve of which Elvis did recorded for his film soundtracks: Adam And Evil, Almost In Love, Carny Town, Could I Fall In Love, Datin‘, The Girl I Never Loved, Kissin’ Cousins, Look Out Broadway, Old MCDonald, There Is So Much World To See, Who Needs Money and The Yellow Rose of Texas, heard and seen in the films Clambake, Double Trouble, Frankie And Johnny, Kissin' Cousins, Live A Little Love A Little, Paradise Hawaiian Style, Roustabout, Spinout and Viva Las Vegas. Elvis' entourage ordered songs tailored to specific film scenes in the script from some five songwriter teams, to be submitted in the form of sheet music. After an initial selection the songs were demo-ed for Elvis who made the final decision which even Colonel Parker did not interfere with. 35 demo’s written by Randy Starr, some of them in collaboration with Fred Wise, are now on this Volume 1 CD, six of which ended up on the big screen: Kissin‘ Cousins, The Yellow Rose Of Texas, the vaudeville song Look Out Broadway, Datin’, Adam And Evil of which the demo is slower than Elvis and therefore more popcorn, and the ballad The Girl I Never Loved. All of these demo’s were professionally recorded in studio quality, sometimes even with a Jordanaires-styled background chorus, only Don't Stand Under The Mistletoe could use a better mix. The arrangements on the other hand are less elaborate and the recordings themselves less produced, for they were considered a template to be further worked out and filled in: the focus is on the lyrics and the melody, not on the solo’s - after all, a solo could distract Elvis' attention. This also accounts for the differences in the lyrics between Starr's blueprint and Elvis' final recordings. 14 demo’s here were sung by Randy Starr himself, 14 by Kenny Karen three of which were duets with Mimi Roman, five by Malcolm Dodd(s) and two by Jerry Keller, the same Jerry Keller from Here Comes Summer. The booklet talks about another fifth singer not on the CD, so I assume Bernie Knee, one of The Five Blobs who sang The Blob, will be featured on Volume 2. Only one song has been released previously released (in 2006 the enjoyable sixties rocker Kissin' Cousins made its debut on the FTD double CD Writing For The King), which means that these recordings have not been heard since Elvis himself listened to them! One other song, My Christmas Won't Be Merry This Year, I've already came across on YouTube, put up there by the one and only Randy Starr. With Don't Stand Under The Mistletoe and Let's Have A Christmas Party these two swinging uptempo songs and one rockaballad were intended for a second Elvis christmas album to be recorded in 1966-1967 in the wake of his second gospel album How Great Thou Art in 1966, but this idea was shelved until 1971's Elvis Sings The Wonderful World Of Christmas. While Elvis demo’s were usually sung by people who tried very hard to sound as much like Elvis as vocally possible, that is not always the case here as the four featured singers have varying degrees of Elvisness, but it obviously makes sense that pretty much all the songs are musically in Elvis style. That makes for an interesting exercise trying to imagine how songs like I'll Take Love, Wheel Of Love or the organ rocker Love On The Rocks would have sounded like if Elvis had indeed recorded them, and to compare them with the songs written by other composers that did make it into the movies. Would this Viva Las Vegas here have become as iconic as the real one? Which would have been the best Easy Come Easy Go or Clambake? Charro is a Mexican gunfighter ballad as opposed to the spaghetti western version they eventually went for. Lady Luck Is A Gypsy intended for Frankie And Johnny is a tango (they used Chesay in that scene). Bring On The Dancing Girls and A Thousand And One Nights mix sixties with belly dancing exotica. Polynesian Paradise is Hawaiiana, We Can See Him Everywhere is an uptempo gospel meant for Change Of Habit, The Chautauqua is a marching band tune. Lots to explore and enjoy here! Was Strange Vibrations considered too psychedelic? Was Come Hell Come Sundown too western?
Randy Starr is still alive at the age of 93, unlike the British Elvis expert Trevor Simpson who compiled this CD before passing away in January 2024. Hopefully his death will not affect Volume 2 (BCD17748), for that would be a shame given the quality of this release, including Starr's own comments on thetracks in the 34 page booklet. Incidentally (yes, we are Elvis nuts), one song written by Randy Starr will not appear on the two CD’s because there exists no demo of Almost In Love, lyrics written to an instrumental titled Moonlight In Rio by Brazilian bossa nova composer Luiz Bonfa - Elvis heared Bonfa's instrumental alongside with Starr's lyrics.
Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


THE CHUCK BERRY SOUND
Atomicat Records, ACCD162
English version: see below

De invloed van rock 'n' roll pionier Chuck Berry kan moeilijk overschat worden. Deze CD met 30 tracks uit 1955-1963, Berry's hoogdagen, toont zijn invloed aan de hand van covers, tributes en copycats. Dat Chuck Berry vanaf de jaren '60 door iedereen werd gecoverd, The Beatles en The Rolling Stones op kop, is genoegzaam bekend, maar ook in zijn eigen tijd eigenden mindere goden zich graag zijn liedjes toe. Voorbeelden hier zijn Scotty McKay (ooit een halve maandag lid van Gene Vincent's Blue Caps) met Brown Eyed Handsome Man, Wes Reynolds in 1963 met een mondharmonica versie van Forty Days die meer geïnspireerd is op Ronnie Hawkins dan op Berry's Thirty Days, Terry Gale met Betty Jean, Gootch Jackson met Johnny B. Goode, Jimmy Breedlove met Rock 'n' Roll Music, een swingend Too Much Monkey Business door The Gadabouts en zo te horen een paar apen, Jim Miller wiens Carol bijna truckin' country is, en Margaret Lewis die voor haar Roll Over Beethoven een hele stoet blazers meebracht. Veel van deze covers zijn early sixties rock 'n' roll. Anderen waren financieel uitgekookter. Je kan het je vandaag de dag niet voorstellen dat iemand de laatste hit van Taylor Swift of Beyoncé half herschrijft en dat dan een antwoord noemt, maar in de jaren '50 was het een normale praktijk. Sterker nog: het werd gezien als een bewijs van je succes, dus luister in verwondering naar Johnny B. Goode Is In Hollywood van Eddy Bell & the Bel-Aires met Eddie Clearwater op gitaar en Don't Want You Maybelline van Rayvon Darnell. Je kon ook gewoon aan heel nieuwe tekst schrijven op bestaande songs: Brownie McGhee's Anna Mae is eenvoudigweg een kopie van Maybelline in uptempo semi-akoestische fox chase stijl ondanks de nadrukkelijke mondharmonica door Sonny Terry gespeeld als rock 'n' roll, Buddy Lucas vond Maybelline opnieuw uit als Oh Mary Ann, aan Take Your Hands Off Me Baby te horen moet Johnny B. Goode de lievelingssong van Buddy Howard geweest zijn, en Rhythm Feet is eigenlijk Memphis in een Round And Round jasje gestoken door Carroll (Wild Red) Pegues. Of is het Round And Round in een Memphis jasje? Glenn Garrison volgde de structuur van Sweet Little Sixteen voor zijn Pony Tail Girl, Knockin' On Your Door van Jimmy King (bekender als Lou Josie) is een trager School Days (Ring Ring Goes The Bell), en Reelin' And Rockin' was al even duidelijk de inspiratie voor Mother Goose Twist van Oliver & the Twisters, officieel geen cover van Chuck Berry maar van een nummer van... Teddy Randazzo!
Maar Chuck Bery is meer dan enkel Chuck Berry songs: hij tekende de blauwdruk voor de gitaar rock 'n' roll met unieke riffs, en omdat je geen auteursrecht kan claimen op een riff namen heel wat artiesten nummers op in de stijl van Chuck Berry, zoals Dee Clark die in Dance On Little Girl zingt als Little Richard op een nummer dat teruggrijpt naar Chuck Berry. Billy Peek die net als Berry uit St. Louis, Missouri kwam zette de intro van Carol (nu ja, al die intros waren allemaal variaties op elkaar) voor Roll Over Beethoven, plakte er een eigen tekst op en noemde het Rock To The Top. Zelfs Tommy Roe was niet te beroerd om in 1960 zijn Caveman te kruiden met een fikse dosis Chuck. Weer anderen deden het subtieler: Ray Sharpe's Justine (niet dezelfde Justine van Don & Dewey) klinkt minder Chuck dan zijn Monkey's Uncle dat niet op de CD staat, en van die andere Berry cloon Eddie Clearwater viel de keuze niet op zijn bekende 3 x 9 maar op de stroll I Was Gone. In Tony Casanova 's geweldige Showdown is het de manier van gitaar spelen in een song die qua feel evenzeer schatplichtig is aan de sound van een andere grootheid, Eddie Cochran. School Day Blues van Johnny & the Jammers, in 1960 de debuutsingle van de latere bluesrock gitarist Johnny Winter, haalde de mosterd deels bij Brown Eyed Handsome Man, en ook het instrumentale Rock 'n' Roll Guitar Part 1 van The New Blockbusters die op het eerste gehoor een standaard gitaarboogie lijkt echoot elementen van Chuck Berry's gitaar. Berry was in die dagen zo groot dat er zelfs toen al aan hem opgedragen tribute plaatjes werden gemaakt, zoals Big Berry (Boss Man Guitar) van Big Daddy G met surfecho op de Berry riffs en Rock At The Hop van The Dusters die in de tekst ook Jerry Lee Lewis en saxofonist Sam "The Man" Taylor vermelden. Ja, Chuck Berry was een hele grote mijnheer, en deze CD legt voor zover nog nodig dertig bewijzen op tafel voor Berry's verstrekkende invloed op het rock 'n' roll toneel. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

It would be hard to overestimate the influence of rock 'n' roll pioneer Chuck Berry. This 30 track CD covering the years from 1955 to 1963, Berry's golen decade, shows his impact through covers, tributes and copycats. It's common knowledge that Chuck Berry from the sixties onwards was covered by everyone led by The Beatles and The Rolling Stones, but even in his glory years lesser gods happily appropriated his songs. Examples here include Scotty McKay (once half a forthnight a member of Gene Vincent's Blue Caps) with Brown Eyed Handsome Man, Wes Reynolds in 1963 with a harmonica version of Forty Days inspired more by Ronnie Hawkins than by Berry's Thirty Days, Terry Gale with Betty Jean, Gootch Jackson with Johnny B. Goode, Jimmy Breedlove with Rock 'n' Roll Music, a swinging Too Much Monkey Business by The Gadabouts and by the sound of it a couple of monkeys, Jim Miller whose Carol is almost truckin' country, and Margaret Lewis who brought in an entire horn sectionfor her Roll Over Beethoven. Many of these covers are early sixties rock 'n' roll. Other artists were more financially savvy. Today you can't imagine anybody rewriting half of Taylor Swift or Beyoncé's latest hit and calling it an answer record, but in the 1950s this was normal practice. It was even seen as proof of one' success, so listen in wonder to Johnny B. Goode Is In Hollywood by Eddy Bell & the Bel-Aires featuring Eddie Clearwater on geetar and Don't Want You Maybelline by Rayvon Darnell. One could also simply put new lyrics to existing songs: Brownie McGhee's Anna Mae is a copy of Maybelline in uptempo semi-acoustic fox chase style despite the prominent harmonica played rock 'n' roll style, Buddy Lucas reinvented Maybelline as Oh Mary Ann, judging from the sound of Take Your Hands Off Me Baby Johnny B. Goode must have been Buddy Howard's favourite song, and Carroll (Wild Red) Pegues' Rhythm Feet is actually Memphis done Round And Round style. Or is it Round And Round done Memphis style? Glenn Garrison followed the structure of Sweet Little Sixteen for his Pony Tail Girl, Jimmy King's (better known as Lou Josie) Knockin' On Your Door is a slower School Days (Ring Ring Goes The Bell), and Reelin' And Rockin' was just as clearly the inspiration for Oliver & the Twisters' Mother Goose Twist, officially not a Chuck Berry cover but a cover of a song from... Teddy Randazzo!
Chuck Bery is however more than only Chuck Berry songs. His unique riffs drew the blueprint for guitar rock 'n' roll, and since you can't claim copyright on a riff a lot of artists recorded songs in the style of Chuck Berry, like for instance Dee Clark whose Dance On Little Girl sounds like Little Richard singing a song that harks back to Chuck Berry. Billy Peek who like Berry came from St Louis, Missouri put the intro of Carol at the beginning of Roll Over Beethoven (after all all these intros were variations on one another), replaced Berry's lyrics with his own, and called it Rock To The Top. Even Tommy Roe didn't mind spicing up his Caveman with a hefty dose of Chuck in 1960. Others did it more subtly: Ray Sharpe's Justine (which is not Don & Dewey's Justine) sounds less Chuck than his Monkey's Uncle which is not on the CD, and compiler Mark Armstrong did not opt for the well known 3 x 9 from that other Berry clone, Eddie Clearwater, instead going for the stroll I Was Gone. In Tony Casanova 's superb Showdown it's the guitar playing in a song that is equally indebted in feel and sound to another rock 'n' roll pionier, Eddie Cochran. Johnny & the Jammers's School Day Blues, in 1960 the debut 45 from future blues rock guitarist Johnny Winter, was partly inspired by Brown Eyed Handsome Man, while The New Blockbusters' instrumental Rock 'n' Roll Guitar Part 1, at first hearing a standard guitar boogie, also echoes elements of the Chuck Berry guitar book. Hell, Berry was so big in those days that there were even tribute records dedicated to him, like Big Daddy G's Big Berry (Boss Man Guitar) with surf echo on the Berry riffs and Rock At The Hop by The Dusters who also mention Jerry Lee Lewis and saxophonist Sam "The Man" Taylor in the lyrics. Yes, Chuck Berry was a big, big man, and this CD contains plenty of proof, in as far as still needed, of Berry's gigantic influence on the rock 'n' roll scene.
Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

15 mei 2024

BLUES MEETS DOO-WOP VOL. 3
Koko Mojo, KM-CD 196
English version: see below

Nummer 3 in de rock 'n' roll reeks die de link legt tussen bluesmuziek en doo-wop, een wisselwerking tussen twee genres waarbij je eerst vragend je wenkbrauwen optrekt maar die niet onlogisch is. Tussen twee uit dezelfde etnische smeltkroes ontstane genres bestaat onvermijdelijk een wisselwerking en die leverde luidens deze CD reeks heel wat mooie plaatjes op. Er staan uiteraard heel wat blues artiesten op, maar hun songs hier zijn niet altijd blues. Wat dacht u van Albert King als onwaarschijnlijke teen rockaballadeer in This Funny Feeling? Little Milton's I'm In Love is zonder meer een pure doo-wop stroll, zelfs met zulke gloedvolle soulzang, ondersteund door een hele resem oop pap paps van een doo-wop groep genaamd The Rockers. Kan je meer blues zijn dan Elmore James en John Lee Hooker? Nee, maar wel minder, zelfs als je zelf Elmore James en John Lee Hooker bent: James' Good-Bye is een slide blues ballade maar wel met backing vocals en Hooker's She Shot Me Down is een variatie op zijn Boom Boom opgenomen één jaar na Boom Boom met ruggensteun van een vrouwenkoortje. Van Detroit Junior heb ik nog nooit gehoord, maar een bluesier naam kan je niet hebben als artiest. In elk geval is zijn Too Poor een early sixties soul stroll met rhythm 'n' blues gitaar. De bluesroots van het hier gebodene hoor je in een nummer als My Kind Of Woman uit 1954 van Allen Bunn, pseudoniem of beter gezegd de echte naam van... Tarheel Slim! Jimmy Witherspoon was geen blues artiest maar een jump blues shouter die opnam vanaf 1945. Just For You hier dateert van tien jaar later en is een perfect voorbeeld van rhythm 'n' blues swing gespeeld als rock 'n' roll jive. Ook Roy Brown kwam uit de jump blues. Hij slaagde erin zijn carrière nog even te rekken door zijn wagonnetje aan de rock 'n' roll trein te hangen, maar zijn Tired Of Being Alone is een bluesy ballade opgehangen aan backing vocals die heel af en toe doen denken aan Goodnite Sweetheart Goodnite van The Spaniels, al ligt dat natuurlijk ook aan de melodie. Het nummer was in 1960 de B-kant van Brown's single Rocking All The Time, een nummer dat meer aanleunt bij zijn typische stijl dan Tired Of Being Alone.
Andere artiesten op de CD behoren dan weer tot de rock 'n' roll, in de eerste plaats Chuck Berry. Almost Grown is terecht een klassieker, en daar zitten de racktatack doo-wops van The Moonglows zeker voor iets tussen. Twist 62 was een poging om de uitbundige maar soms superprimitieve stijl van Jerry McCain te keurslijven in een twist-achtig nummer dat door zijn piepende zang en ongewone stembuigingen op sommige momenten gek genoeg klinkt als Charlie Feathers, want het heeft dezelfde groove als sommige Charlie Feathers songs. Het ballade In The Dark van The Johnny Otis Show werd in 1957 indrukwekkend gezongen door Marie Adams op de ommekant van Ma (He's Making Eyes At Me), begint met rhythm 'n' blues gitaar en houdt het midden tussen soul, crooner en doo-wop. Uiteraard bevat de tracklisting heel wat rock 'n' roll en doo-wop groepen als The Dominoes wier uptempo stroll Have Mercy Baby doet denken aan The Midnighters die natuurlijk de groep van Hank Ballard zijn en ons hier verblijden met de medium tempo gitaar/piano stroll Open Up Your Back Door geheel in hun meeslepende stijl. Medium tempo doo-wop wordt ons aangereikt door The Orioles (een van de vele variaties op bluestraditional Baby Please Don't Go) en The Clovers (Easy Lovin'), terwijl je in het zo te horen al wat oudere uptempo I Don't Have To Ride No More van The Ravens en vooral in I Keep On Worrying van Rosetta Howard de vocal harmony wortels van de doo-wop hoort. Het bekendste nummer op de CD is Framed van The Robins, een variatie op hun Riot In Cell Block # 9. Met een bandnaam als The Five Echoes kan je niet anders dan doo-wop vertolken en met een titel als Fool's Prayer kan dat niet anders dan een ballade zijn. Het bekendste nummer van Eugene Church is wellicht Pretty Girls Everywhere, maar zijn Geneva hier van een paar jaar na datum is een rechtdoor swampblues met mondharmonica. You Can't Stay Here is een rockende variatie op het aloude Step It Up And Go/ Bottle It Up And Go door Pearl Reaves & the Conchords. Er zijn nog mooie doo-wop staaltjes met bijvoorbeeld I Won't Be Back van The Kidds, maar het wat gospel-achtig gezongen My Eyes Keep Me In Trouble van The Gales klinkt rauwer. De tekst heeft helemaal niets met gospel te maken! The Four Duchess plaatsen dat blues/ doo-wop paradigma dan weer in de context van de meidengroepen. Een CD en een reeks waarop heel wat te ontdekken valt! Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Number 3 in this rock 'n' roll series that links blues music with doo-wop, an interaction between two genres that at first makes you raise your eyebrows but is not illogical. There is inevitably a crossover between two genres that emerged from the same ethnic melting pot, and judging from this series the mixture resulted in a lotta good records. There are obviously a lot of blues artists on the CD but their tracks are not necessarily blues. How about Albert King as an unlikely teen rock balladeer in This Funny Feeling? Little Milton's I'm In Love is without a shadow of a doubt a doo-wop stroll, even with its scorching soul vocals, backed by oop pap paps from a doo-wop group called The Rockers. Can one be more blues than Elmore James and John Lee Hooker? No, but you can be less, even if you are Elmore James or John Lee Hooker yourself: James' Good-Bye is a slide blues ballad but with backing vocals, and Hooker's She Shot Me Down is a variation on his Boom Boom recorded one year after Boom Boom backed by a female chorus. I've never heard of Detroit Junior but you can't have a more bluesy name. His Too Poor is an early sixties soul stroll with rhythm 'n' blues guitar. The blues roots of all of this can be heard in a song like 1954's My Kind Of Woman by Allen Bunn, a pseudonym or rather the real name of... Tarheel Slim! Jimmy Witherspoon was not a blues artist but a jump blues shouter whose recording career started in 1945. Just For You here is from ten years later and a perfect example of rhythm 'n' blues swing played as rock 'n' roll jive. Roy Brown also came out of the jump blues and managed to prolong his career for a while by jumping on the rock 'n' roll train, but his Tired Of Being Alone is a bluesy ballad with backing vocals that are sometimes reminiscent of The Spaniels' Goodnite Sweetheart Goodnite, though of course that's also because of the melody. The song was the flip of Brown's 1960 outing Rocking All The Time, a song more in keeping with his signature style than Tired Of Being Alone.
Other artists on the CD are known as rock 'n' roll, primarily Chuck Berry. Almost Grown is a classic and rightly so, and no doubt partly thanks to The Moonglows' racktatack doo-wops. Twist 62 was an attempt to streamline Jerry McCain's exuberant but sometimes superprimitive style into a twist-styled song that due to its squeaky vocals and unusual vocal inflections oddly enough at times sounds like Charlie Feathers at times, as it has the same groove as some Charlie Feathers songs. The Johnny Otis Show's In The Dark is a ballad dramatically sung by Marie Adams which in 1957 adorned the flip of Ma (He's Making Eyes At Me), starts out with rhythm 'n' blues guitar and iwalks the blurred line between soul, crooner and doo-wop. Needless to say the track listing includes a lot of rock 'n' roll and doo-wop groups like The Dominoes whose uptempo stroll Have Mercy Baby sounds not unlike The Midnighters, Hank Ballard's group who delight us here with the medium tempo guitar/piano stroll Open Up Your Back Door in their compelling style. Medium tempo doo-wop is offered by The Orioles (one of the many variations on the bluestraditional Baby Please Don't Go) and The Clovers (Easy Lovin'), while you can hear the vocal harmony roots of doo-wop in The Ravens' apparently older uptempo I Don't Have To Ride No More and especially in Rosetta Howard's I Keep On Worrying. The best known song on the CD is The Robins' Framed, a variation on their Riot In Cell Block #9. With a band name like The Five Echoes you canonly sing doo-wop and with a title like Fool's Prayer it's bound to be a ballad. Eugene Church's best known song is probably Pretty Girls Everywhere, but his Geneva here from a few years later is a straight ahead swamp blues with harmonica. Pearl Reaves & the Conchords' You Can't Stay Here is a rockin' variation on the old Step It Up And Go/ Bottle It Up And Go tune. There are more nice examples of doo-wop with for instance The Kidds' I Won't Be Back, but The Gales' slightly gospel inspired My Eyes Keep Me In Trouble sounds more raw. The lyrics however have nothing to do with gospel at all! The Four Duchess on the other hand put the blues/ doo-wop paradigm in the context of girl groups. To sum it up: a CD and a series with a lot to offer! Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


ROCKIN' WITH THE KRAUTS VOL. 5
Bear Family, BCD17730
English version: see below

Bear Family vond het na vier deeltjes welletjes maar wegens groot succes is hier nummer 5, goed voor 33 tracks opgenomen in Duitsland. Zoals de vier andere volumes is dat een erg gevarieerde selectie geworden, wat alleen al blijkt door de periode van 1956 tot 1966 waaruit de songs stammen. Wanneer we beginnen met de meer traditionele nummers valt toch op dat zoals in alle Europese landen waar ze geen Engels spraken de lokale rock 'n' roll sterk beïnvloed was door de plaatselijke variété orkesten door de platenfirma’s gebruikt om in de studio de muzikale begeleiding van hun rock 'n' roll artiesten te verzorgen: zangers laat staan zangeressen met een eigen band waren in de tweede helft van de jaren '50 zeldzaam bij onze zuiderburen. Sexie Hexy (zangeres Danny Mann vertaalt Connie Francis' Stupid Cupid), de geïmporteerde Brit Billy Sanders met een Duitstalige versie van Dede Dinah van Frankie Avalon, Ralf Bendix met een Duitstalige versie van het Italiaanse Buona Sera en Peter Kraus' door de trompet wat detective-achtig Die Strasse Der Vergessenen leunen verdacht veel aan bij het reguliere variété "dankzij" Das Orchester Max Greger of Das Paul Kuhn Ensemble die een poging deden te rock 'n' rollen. Zulke nummers vormen een rechtstreekse link met de big band swing, hier vertegenwoordigd door de Britse import actrice Suzi Miller (3 Minuten Rock) en Ted Herold voor één keer in het Engels met Lionel Hampton's Hey Ba Ba Re Bop met zelfs een orgeltje in de bezetting van Das Orchester Johannes Fehring. Die begeleiding is echter niet altijd per sé een slechte zaak: Lubo D'Orio mitt seinem Ensemble benadert de knallende sound van Bill Haley & the Comets in Mr. Patton Aus Manhattan die niets te maken heeft met generaal Patton uit de tweede wereldoorlog maar een vertaling is van See You Later Alligator door Werner Hass die op Volume 2 van deze reeks stond vermomd als Bob Gerry. Niettemin krijg je toch de indruk dat rock 'n' roll vooral werd beschouwd als een verschijnsel waarmee eens goed gelachen mocht worden, luister naar Ich Liebe You (Rudi Büttner vertaalt Chantilly Lace van The Big Bopper) of naar de tekst van Hans Blum's Es Ist Schon Wieder Gleich Zehn oftewel Eddie Hodges' I'm Gonna Knock On Your Door.
Echter in de zin van meer the real deal, zij het evenzeer met een gestroomlijnde studioproductie, klinken ondanks de trompetsolo het Duitstalige Billy Boy van de scattende Billy Mo, ondanks de vibrafoonsolo So Geht Das Jede Nacht van Freddy Quinn (begeleiders Die Horst Wende Tanz-Solisten waren een pseudoniem voor het orkest van Roberto Delgado), Ted Herold, één van de Duitse Elvissen, met vertalingen van A Big Hunk O' Love (Hey Baby) en I'm A Man van Fabian (Ich Bin Ein Mann), en het door de import Amerikaan Mal Sondock half in het Engels en half in het Duits gezongen Hey Hallo Baby, en als dat geen vertaling van Hey Baby van Bruce Channel is dan is het er toch wel verdacht veel op gebaseerd. Een gestroomlijnde en onweerstaanbare twist is het Engelstalige Well Allright van Fats & his Cats.
Zoals op de vorige Rockin' With The Krauts staat hier ook veel jaren '60 rock 'n' roll op zoals een onherkenbaar Shout in het Duits als Aus door Peggy Peters, een Duitstalige twistversie van Lucille door Peter und die Midnights uit 1964, een live Whole Lotta Shakin' Goin' On door Peter Reese & the Pages uit 1964, een live I'm A Hog For You Baby met die geweldige gitaarriff in 1964 door The German Bonds, en What'd I Say in 1965 met een orgeltje in onverstaanbaar Engels door The Gisha Brothers. Over geweldige gitaarriffs gesproken: Louie Louie blijft overeind in de cover van The Rollicks, en The Bats maakten in 1964 Gib Mir Liebe van Money (That's What I Want). De melodie van Tell Me What Can I Do uit 1964 van The Rattles lijkt op Twist And Shout maar is een cover van de Doc Pomus & Mort Shuman compositie voor Tony Orlando. Die sixties "rock 'n' roll" gaat ver: The Rollicks komen een tweede keer langs als The Shouters met Little By Little, live cover van een nummer van The Rolling Stones uit 1964 waar vreemd genoeg Phil Spector's naam mee onder staat (Spector schudde bij de opname met de maraccas) terwijl het gewoon een snellere kopie was van Shame Shame Shame uit 1963 van Jimmy Reed die de auteursrechten aan zijn neus zagen voorbijgaan. De versie van The Shouters hier is bijna garagerock. En net als op die andere Krauts CD’s rijkt in die jaren '60 rock 'n' roll de schaduw van Chuck Berry ver middels covers van Talkin' 'Bout You van The Pralins (1965), een beheerst Memphis Tennessee in het Duits door Bernd Spier (1964), en Beautiful Delilah live at the Star-Club in Hamburg in 1966, al zitten The Phantom Brothers met die laatste eerder in de Britse sixties rhythm 'n' blues dan in de rock 'n' roll, net als het live Mashed Potatoes van The Rattles uit 1963, cover van het semi-instrumentale nummer uit 1959 dat James Brown met door radio DJ Carlton "King" Coleman overgedubde zang uitbracht onder de naam Nat Kendrick (de naam van James Brown's drummer) & the Swans omdat zijn eigen label het niet wou uitbrengen. Auteur van Mashed Potatoes was James Brown onder het pseudoniem Dessie Rozier, maar de Rattles cover verschijnt sinds jaar en dag onder de componistennamen Clyde Otis & Nancy Lee die geen van beiden iets met Mashed Potatoes te maken hebben: Clyde Otis schreef bijna 800 songs maar daar is Mashed Potatoes niet bij. De bekendste zijn Baby (You've Got What It Takes) en A Rockin' Good Way van Brook Benton & Dinah Washington en The Stroll van The Diamonds, en bij The Stroll staat ook weer de naam Nancy Lee bij die echter niet meeschreef aan het nummer. Lee was de dochter van een hoge omes van muziekuitgeverij Meridian Music Corporation die The Stroll bezat, wat Otis 1/3de van zijn auteursrechten kostte....
Om het plaatje compleet te maken bevat de CD ook beat pop met The 5 Liverpools wier in het Duits gezongen Tokio meer geïnspireerd was door Japanse namaak exotica dan door de nieuwe muzikale wind uit Liverpool, en orgel met trompet pop als Kein Alibi van Michael Holm, een vertaling van She Rides With Me met een wat surf-achtig vokaal refrein - het liedje werd geschreven door Brian Wilson en Roger Christian die wel meer vroege nummers pende voor The Beach Boys en Jan & Dean. De originele Amerikaanse versie werd opgenomen door Paul Petersen. Een nauwelijks herkenbare cover is Skinny Minnie van Bill Haley & the Comets in het Duits als Hey Balla Balla door Die Crazy Combo: je herkent de gitaarintro en de riff, maar het lijkt meer op een vertraagd Balla Balla van The Rainbows uit 1965, auch aus Deutschland, een nummer dat nog ontbreekt in deze reeks en alleen al daardoor een zesde volume rechtvaardigt. De knappe, wat dreigende primitieve gitaarsound doet denken aan Europese Shadows als The Jokers (B). Het blijft me trouwens verbazen hoe songs de wereld rondzwerven: Billy Sanders' popcorn variété nummer Doch Du Lässt Mich Nie Allein is Bandstand Doll van Johnny Carroll! En hoe kwam het detective noir jazz Ninety Nine Years (Dead Or Alive) van Guy Mitchell uit 1956 in Duitsland terecht? Geen idee, maar Ralf Bendix zong het in 1957 als 99 Jahr' (Geht Meine Post Jetzt Nach Sing Sing), inclusief de akkoordenprogressie en de blazers die zo hard lijken op het James Bond thema uit 1962....
Uit bovenstaande moge duidelijk wezen dat de "real rock 'n' roll" uit de ondertitel van deze reeks heel ruim dient geïnterpreteerd en uw appreciatie zal afhangen van uw persoonlijke definitie van rock 'n' roll. Maar hoe u ook meegaat in dat verhaal, elkeen zal moeten erkennen dat dit een boeiende excursie in zeldzame muziek is, met voor wie een woordje Duits verstaat een booklet van 34 pagina’s achtergrond informatie. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


After four CD’s Bear Family decided to put an end to this series but its success prompted a fifth volume with another 33 tracks recorded in Germany. Like the other four CD’s it contains a very varied selection, which is already evident from the 1956 to 1966 time frame. Starting with the more traditional songs it's striking that like in all European non-English speaking countries the homegrown rock 'n’ roll was strongly influenced by the local variety orchestras the record companies used to provide the musical accompaniment to their rock ‘n’ roll artists in the studio: singers let alone female singers using their own bands were rare in the second half of the 1950s in Europe. As a result Sexie Hexy (female singer Danny Mann translates Connie Francis‘ Stupid Cupid), import Brit Billy Sanders' German language version of Frankie Avalon's Dede Dinah, Ralf Bendix's German language version of the Italian hymn Buona Sera and Peter Kraus’ Die Strasse Der Vergessenen which sounds kinda detective due to its trumpet lean suspiciously towards mainstream variety music ‘thanks to’ Das Orchester Max Greger or Das Paul Kuhn Ensemble who attempted to rock ‘n’ roll. These songs are a direct link to big band swing as represented here by British import actress Suzi Miller (3 Minuten Rock) and Ted Herold for once singing in English with Lionel Hampton's Hey Ba Ba Re Bop with even an organ in Das Orchester Johannes Fehring's line up. The accompaniment is however not always necessarily a bad thing: Lubo D'Orio mitt seinem Ensemble approaches the hard hitting Bill Haley & the Comets sound in Mr. Patton Aus Manhattan which has nothing to do with World War II's general Patton being a translation of See You Later Alligator by Werner Hass who appeared on Volume 2 in the guise of Bob Gerry. Nevertheless one still gets the impression that rock ‘n’ roll was mainly considered good for a laugh, listen to Ich Liebe You (Rudi Büttner translates The Big Bopper's Chantilly Lace) or to the lyrics of Hans Blum's Es Ist Schon Wieder Gleich Zehn, Eddie Hodges' I'm Gonna Knock On Your Door. More real in the sense of more the real deal, albeit also with a streamlined studio production, are despite the trumpet solo scatting Billy Mo's German language Billy Boy, despite the vibraphone solo Freddy Quinn's So Geht Das Jede Nacht (Die Horst Wende Tanz-Solisten who provided the musical backing were a pseudonym for Roberto Delgado), Ted Herold, one of the German Elvises, with translations of A Big Hunk O' Love (Hey Baby) and Fabian's I'm A Man (Ich Bin Ein Mann), and Hey Hello Baby sung by import American Mal Sondock half in English and half in German, and if that's not a translation of Bruce Channel's Hey Baby it's suspiciously sounds a lot like it. A streamlined yet irresistible twist is Fats & his Cats' English language Well Allright.
As on the previous Rockin‘ With The Krauts there's a lot of sixties rock 'n' roll on here such as Peggy Peters' unrecognisable Shout in German as Aus, a 1964 German language twist version of Lucille by Peter und die Midnights, a 1964 live Whole Lotta Shakin’ Goin‘ On by Peter Reese & the Pages, a 1964 live I'm A Hog For You Baby with its phenomenal guitar riff by The German Bonds, and The Gisha Brothers' 1965 cover of What'd I Say with an organ and incomprehensible English. Speaking of great guitar riffs: Louie Louie holds up in The Rollicks' cover version and in 1964 The Bats made Gib Mir Liebe out of Money (That's What I Want). The melody of The Rattles' 1964 Tell Me What Can I Do resembles Twist And Shout but is a cover of the Doc Pomus & Mort Shuman composition for Tony Orlando. That sixties "rock 'n' roll" takes some liberties: The Rollicks appear a second time as The Shouters with Little By Little, live cover of the 1964 Rolling Stones song which strangely enough has Phil Spector's name in between brackets it (Spector shook the maraccas during its recording) while it was just a faster copy of 1963's Shame Shame Shame by Jimmy Reed who lost out on the royalties. The Shouters' version here is almost garage rock. And just like on those other Krauts CD’s Chuck Berry cast his shadow on that sixties rock ‘n’ roll via covers of Talkin‘ 'Bout You by The Pralins (1965), a restrained Memphis Tennessee in German by Bernd Spier (1964), and Beautiful Delilah live at the Star-Club in Hamburg in 1966, although it puts The Phantom Brothers more in British sixties rhythm 'n’ blues territory than in rock ‘n’ roll, in the company of The Rattles' 1963 live Mashed Potatoes, cover of the 1959 semi-instrumental James Brown tune with overdubbed vocals by radio DJ Carlton “King” Coleman released under the name Nat Kendrick (the name of James Brown's drummer) & the Swans because Brown's own label wouldn't release it. It was written by James Brown using the name Dessie Rozier, but the Rattles cover has long appeared under the composer names Clyde Otis & Nancy Lee, neither of whom had anything to do with Mashed Potatoes: Otis wrote almost 800 songs but Mashed Potatoes is not among them. His most famous songs are Brook Benton & Dinah Washington's Baby (You've Got What It Takes) and A Rockin' Good Way, and The Diamonds' The Stroll, another song that lists Nancy Lee as co-writer the song. Lee was the daughter of one of the big shots from music publisher Meridian Music Corporation who owned The Stroll, which cost Otis 1/3rd of his royalties...
To complete the picture the CD also includes beat pop with The 5 Liverpools whose German sung Tokyo was more inspired by fake Japanese exotica than by the new musical wind from Liverpool, and organ with trumpet pop like Michael Holm's Kein Alibi, a translation of She Rides With Me with a surfy vocal refrain - the song was written by Brian Wilson and Roger Christian who penned several other early Beach Boys and Jan & Dean songs. The original US version was recorded by Paul Petersen. A barely recognisable cover is Bill Haley & the Comets's Skinny Minnie in German as Hey Balla Balla by Die Crazy Combo: you recognise the guitar intro and the riff, but it's more like a slower version of The Rainbows' 1965 Balla Balla, auch aus Deutschland, a song that has not yet appeared in this series and in itself justifies a sixth volume. The great somewhat menacing primitive guitar sound is reminiscent of European Shadows like The Jokers (B). It never ceases to amaze me how songs travel around the world: Billy Sanders' popcorn variety song Doch Du Lässt Mich Nie Allein is Johnny Carroll's Bandstand Doll! And how did Guy Mitchell's 1956 detective noir jazz Ninety Nine Years (Dead Or Alive) end up in Germany? No idea, but Ralf Bendix sang it in 1957 as 99 Jahr' (Geht Meine Post Jetzt Nach Sing Sing), including the chord progression and horns that so closely resemble the 1962 James Bond theme....
It should be clear that the "real rock 'n' roll" from the subtitle of this series has to be interpreted very broadly and your appreciation will depend upon your personal definition of rock ‘n’ roll. But however how far you wish to go along with that narrative, no one can deny that this is a fascinating excursion into rare music, and if you understand a bit of German there's a bonus 34 page with background information. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


ROCKIN' SCHLAGER PARTY NR. 3
Atomicat, ACCD136
English version: see below

Als liefhebber van de internationale rock ‘n’ roll uit de jaren '50 en '60 uit meer dan 60 landen en wonende aan de Duitse grens ben ik opgegroeid met de toenmalige Duitse schlagers en rock ‘n’ roll. Het was de tijd waarin al die landen nog hun nationale herkenning hadden, er werd weinig in het Engels gezongen doch voornamelijk in de eigen taal. Natuurlijk werden gewaagde passages uit de Amerikaanse en Britse originelen vertaald naar nette zoete teksten die de toenmalige oudere generatie tekstdichters wel passend vond voor de paardestaart melktandjes in petticoats en de lippenpruilende vetkuiven. Dan hoef je ook de wenkbrauwen niet te fronsen bij titels als Edelstein, Sommerzeit of 26 Meilen. Hoe verzin je het! Pakkende titels klinken anders, maar dat was nu eenmaal die tijd. Titels als Denn Du Küsst So Heiß, Ich Will Dich Immer Wieder Küssen en Immer Zieht Es Mich Zu Dir waren op zijn minst pogingen de teenagers warm te krijgen voor deze Amerikaanse ‘Heisse Musik‘ zoals rock ‘n‘ roll toen genoemd werd. Zoals in de USA vele oudere country artiesten een poging deden om de jeugdige rockabilly met meer of minder succes op plaat te zetten, zo was het buiten de USA gebruikelijk dat met name jazz combos als eerste niet-rock acts deze opwindende muziek oppikten en rock ‘n’ roll de stiefzoon van de jazz doopten. Zo horen we op deze verzamelaar zowel wervelende teenies als swingende mid-agers. De eerste twee openingsduos zijn daar een voorbeeld van. Het eerste duo is een teenager combinatie van de Zuid-Duitser Peter Kraus die geen introductie behoeft en de jonge importduitser, ex-Amerikaan Gus Backus, in de USA nog actief als lid van de Come Go With Me Del-Vikings. Hun Das Haben Die Mädchen Gern uit de gelijknamige schlagerfilm uit 1961 is highschool. Het tweede duo bestaat uit een andere in Duitsland hangen gebleven mid-dertiger, de Amerikaan Bill Ramsey die uit de jazzhoek kwam maar ook al verdienstelijk was in het schlagergebeuren in combinatie met de Oostenrijkse mid-dertiger operette- en schlagerzanger Peter Alexander. Beiden waren eveneens te zien in diverse speelfilms en zijn hier te horen met Immer Zieht Es Mich Zu Dir (Let’s Go, Let’s Go, Let’s Go van Hank Ballard & the Midnighters). Het rockt er waarlijk lustig op los. Een andere Oostenrijker, Boy Berger, behoorde wederom tot het teenager idioom en nam als wederhelft van Michael Holm in het country/schlagerduo Die Missouris Adriano Celentano’s twist 24 Mila Baci op als Ich Will Dich Immer Wieder Küssen, hier ten lande nog in 1961 opgenomen door Peter Koelewijn & zijn Rockets als 24.000 Kussen. Duitsland had een magneetwerking op tal van artiesten in de vele buurlanden van onze oosterburen. Zo nam ook Little Gerhard uit Zweden, bekend van schitterende songs als Rocking Ghosts en What You’ve Done To Me, enkele singles op in Duitsland waaronder Jung Und Verliebt, een cover van Dion & the Belmonts’ Teenager In Love. Hij is tevens te horen met Allright, een tin pan alley rockertje. Paul Würges, de Duitse Bill Haley, ook in enkele speelfilms optredend met zijn band The Rocking Allstars, nam met Amerikaans accent (net als Peter Koelewijn in Nederland) in 1959 Mary Mary Lou op, toen op plaat vermeld als Paul Würges und sein Hitparados, een fantastisch rock ‘n’ roll nummer met ruig gitaarwerk. Würges was gewoon een echte rocker! Ted Herold die in 2021 omkwam is bij een brand in zijn woning mag nu de hemel op stelten zetten met stevige rock ‘n’ roll. Eind jaren'50 waren inmiddels de scherpe kantjes er natuurlijk al vanaf gehaald door de platenmaatschappijen en mochten zelfs echte rockers alleen zoete ballades en schoonmoeders-welgevallige rock zingen. Echte ruwe tonen moeten dan ook van Ted Herold helaas niet verwachten, al zijn de twee rockers van hem op deze CD zeker meer dan de moeite waard. Dat Ted Herold niet alleen succesvol was met covers maar ook met eigen voor hem geschreven songs bewees hij met Carolin (Darf Ich Dein Boyfriend Sein), een echte rocker, en dat geldt eveneens voor zijn andere nummer hier, de heerlijk meedeinende rocker Hast Du Fünf Minuten Zeit Für Mich oftewel Bobby Rydell’s Swingin' School, in 1961 een bescheiden hit voor Ted Herold die zijn muzikale kunstjes mocht vertonen in enkele schlagerfilms, het medium bij uitstek om jonge sterren bij de teenagers te brengen. Meer daarover vinden jullie in mijn drietalige boek Film, Popcorn And Rock 'n' Roll. Gus Backus staat nog tweemaal op deze sampler: met Honolulu Baby en het rustiger Thank You, twee nummers waarin je overduidelijk zijn doo-wop roots terughoort. "Conny" is de enige echte Conny Froboess die destijds ook enkele rockige songs opnam. Hier genieten we nog een keer van haar swingende schlagerrocker Holiday In Honolulu, ook te horen in de speelfilm Hula Hopp Conny. Daarnaast bevat dit album ook haar uptempo toprocker Little Girl, origineel van Ruth Brown als This Little Girl's Gone Rockin, ongetwijfeld het rockendste nummer uit de gehele carrière van Conny Froboess. Ook diverse Nederlanders probeerden hun geluk in Duitsland waaronder Elias Glas die hier te lande als bijna onbekende zanger toch enkele rockige singles mocht opnemen met zijn band Het Quintet Dominique (hoe verzin je die naam!) en de wat bekendere John Lamers met zijn eigen Skyliners (ze scoorden in 1961 een hit met zijn eigen compositie Crazy Love, zijn eigen compositie). Elias is hier vertegenwoordigd met Jimmy Soul’s If You Wann Be Happy als Wenn Du Die Sterne Am Himmel Zählst, bij ons door hem in 1963 opgenomen als Je Bent Nog Niet Gelukkig. John Lamers mocht het in het Duits proberen met de collectors item Bitte Bleib Bei Mir, Lover Please van Clyde McPhatter. Kerkradenaar Jack van Doorn van hier om de hoek bij mij verhuisde vanwege de liefde over de grens en nam aldaar Curtis Lee’s Under The Moon Of Love op als Das War Nicht Nett Von Dir. Uit Italië begroeten we Vittorio Casagrande (bekend van de schitterende rocker Tintarella di Luna uit 1960) met Luna Fortuna, een schlagerrocker uit 1962. Conny Quick, een schuilnaam net als one hit wonder Benny 'Motorbiene' Quick die ook op de CD staat met de uptempo rocker Denn Du Küsst So Heiss = The Two Of Us van Jess Conrad, kwam uit Denemarken en luisterde naar de burgerlijke naam Jørgen Brandt. Hij nam verdienstelijk, en geheel doo-wop-achtig Buddy Holly’s That’ll Be The Day op als Immer Mehr. Daarnaast horen we hem een tweede keer met het lekker in het gehoor liggende Herzensdieb alias Bird Dog van The Everly Brothers. De inmiddels 95-jarige Zweedse jazz icone Bibi Johns laat groeten. De knappe blondine was in tal van Duitse schlagerfilms te zien en horen en wist ondanks haar jazz en schlager roots in 1958 ook het rock ‘n’ roll publiek heel goed te bedienen met Bobby Day’s Rockin’ Robin als Rocky Robby. Een andere bloedmooie vrouw, Miss Finland 1958 Pirko Manola, is inmiddels 86 jaar. Ook zij werd opgezogen door de schlagerscene, maar wist er zich af en toe aan te onttrekken zoals met het schitterende Bam-Schi-Bam, Barry Mann’s Who Put The Bomp. Bobby Franco, in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden gewoon een Duitser, was succesvol als schlagerzanger maar ontkwam evenmin aan de door Duitsland daverende rock ‘n’ roll trein. Toen die bij hem stopte sprong hij op de trein met Heute Möchte Ich Dich Küssen (Your Love Is A Good Love van The Harptones). Hij is te zien in Auf Wiedersehen Am Blauen Meer, een speelfilm uit 1962 met goeie rock 'n' roll erin. Zangeres Danny Mann die voor mij altijd de gekuiste versie was van actrice Trude Herr kwam uit de jazz hoek en deed in 1955 ook Den Haag en Amsterdam aan. Anno 1957 was de rock ‘n’ roll ook in Europa een blijvertje geworden en Danny sprong op de voortdravende trein met de voettappende rocker Mein Zweites Ich. De mid-ager Bully Buhlan die voor het Oostduitse Amiga Records diverse boogie woogies opnam en in 1948 naar het westen wisselde (net als tien jaar later Werner Hass, te horen op Rockin’ Schlager Party Nr. 2) brengt de novelty rocker Du Bist Ja Viel Zu Schade (Perry Como’s Just Born) ten gehore. Een Amerikaan die reeds faam bereikt had, Leroy van Dyke, probeerde in 1961 de Duitse harten te veroveren met Geh Nicht Vorbei, een Duitse versie van zijn eigen grote hit Walk On By. Claus Herwig, beter bekend als Ted Parker, nam in 1959 Conway Twitty’s Hey Little Lucy opmaar bleef ondanks enkele bescheiden hitjes steeds in de schaduw van de grote ‘Hitraketen’ als Peter Kraus en Ted Herold. Duitsland is niet alleen het land van de orkestrockers maar ook van de quartetten. Al dan niet als studiomuzikanten of achtergrondzangers waren deze kwartetten tevens succesvol als solo acts. Daartoe behoorden ook Das Hansen Quartett, in het tieneridioom misschien beter bekend als Hansen Boys & Girls. Hun 26 Meilen alias Santa Catalina van The Four Preps is eerder een meerstemmige schlager dan pure rock ‘n’ roll maar daarmee zeker niet onaardig, echt een nummer waar teenagers bij weg konden dromen en dus zeker tienermuziek met de typische sound van het lichte muziek Duitsland van de jaren '50. De Duitse rocker Bert Suplie zal maar weinigen bekend in de oren klinken. Zijn hiccups in Tinalie mochten deze cover van Frankie Avalon’s Gingerbread desondanks niet tot een hit verhelpen. Teddy Palmer die wel eens verwisseld wordt met Teddy Parker was in tegenstelling tot laatstgenoemde succesvoller, al bleven zijn hits tot een stuk of vier beperkt. Lach' Nicht So is Elvis’ Stuck On You en behoorde daar in ieder geval niet toe. De latere succesvolle Mendocino schlagerzanger Michael Holm probeerde het aanvankelijk in zijn carrière begin jaren '60 ook eens op de rockige toer met Darum Bleib' Ich Bei Dir, een highschool rockertje. De wonderen zijn de wereld nog niet uit: Ralf Bendix, dik in de dertig, jurist, econoom en leider van het Duitse departement van een vliegtuigmaatschappij, hing in de jaren '50 warempel de rocker uit voor gillende teenies. Hij nam diverse stevige rockers opmaar doet het hier wat rustiger aan met de super slowrocker Edelstein oftewel Conway Twitty’s It’s Only Make Believe. Bijna overbodig te vermelden dat ook hij in die tijd in muziekfilms te zien was. Het zingende sluitstuk van deze geweldige CD vormt Leonie Brückner, als achtergrondzangeres een typisch jaren '50 en '60 verschijnsel. Op heel veel platen is ze op de achtergrond te horen, ook op de toen in meerdere Europese landen verkijgbare goedkope ragjob plaatjes die onder obscure labelnamen covers van bekende hits uitbrachten en niet zelden als reclame dienden voor bekende warenhuizen of andere bedrijven. Ze mocht het ook solo proberen, echter zonder succes, en ook het hier te horen Sommerzeit alias de Gershwin klassieker Summertime was in 1962 geen succes beschoren. Conclusie: na de eerdere zeer geslaagde compilaties Rockin’ Schlager Party Nr. 1 en Nr. 2 is dit andermaal een prima verzamelCD, dit keer samengesteld door DJane Doo-wop Baby (Simone Schütze, de echtgenote van Felix Schütze alias DJ Lucky Shooter), niet alleen voor de oudere generatie om nog eens jeugdherinneringen op te halen, maar zeker ook voor de jongere generatie (en dat niet alleen in Duitsland en Oostenrijk) om een kijk te krijgen op de toenmalige interpretatie van Amerikaanse rock ’n’ roll in het Europese continent. Aanbevelenswaardig!Info: www.vintagerockinroots.com (Henri Smeets)

Loving international rock ‘n’ roll from the fifties and sixties from more than 60 countries and living on the Dutch-German border, I grew up with both rock 'n' roll and the German schlagers of the time. These were the days when all those countries still had own national identity with more music being sung in their own language than in English. The most daring sentences from the American and British originals were obviously translated into neat and sweet lyrics that the older generation of songwriters considered more appropriate for the ponytailed milktoothed petticoats and lip curling quiffs. Don't be surprised to come across song titles like Edelstein, Sommerzeit or 26 Meilen. How did they come up with this? These weren't exactly catchy but they do reflect the times. Song titles like Denn Du Küsst So Heiß, Ich Will Dich Immer Wieder Küssen and Immer Zieht Es Mich Zu Dir were at least attempts to get teenagers excited about this American ‘Heisse Musik’ as rock 'n' roll used to be called back then. Just like in the USA where a lot of older country artists attempted to record youthful rockabilly with varying degrees of success, outside the USA it was for the most part jazz combos who were the first non-rock acts to pick up this exciting new music christening rock ‘n’ roll as jazz's stepson. This compilation features both exuberant teenies as well as swinging mid-agers. The first two duos on the CD are a case in point. The first is a teenage combination of Peter Kraus from the south of Germany who needs no introduction with young import German, the former American Gus Backus who in the USA had been a member of the Come Go With Me Del-Vikings. Their Das Haben Die Mädchen Gern from the 1961 schlager film of the same name is high school rock. The second duo consists of another American in his mid-thirties who stuck around Germany, Bill Ramsey, originally a jazz singer who had adapted to the schlager scene, put together in a studio with Peter Alexander, an Austrian operetta and schlager singer in his mid-thirties. Both were featured in several movies and you hear them here with Immer Zieht Es Mich Zu Dir (Hank Ballard & the Midnighters' Let's Go Let's Go Let's Go). It really rocks merrily. Another Austrian, Boy Berger, was a teenager who recording Adriano Celentano's twist 24 Mila Baci as Ich Will Dich Immer Wieder Küssen as half of the duo Die Missoris with Michael Holm. Germany had a magnetic effect on numerous artists in its many neighbouring countries, and Little Gerhard from Sweden, known for brilliant songs like Rocking Ghosts and What You've Done To Me, also recorded a couple of 45s in Germany, including Jung Und Verliebt, a cover of Dion & the Belmonts' Teenager In Love. He is also featured here with Allright, a tin pan alley rocker. Paul Würges, Germany's own Bill Haley, also appeared in films with his band The Rocking Allstars and in 1959 as Paul Würges und sein Hitparados recorded with an American accent Mary Mary Lou, a fantastic rock ‘n’ roll song with some rough guitar. Würges was a real rocker! Ted Herold who died in a fire in his house in 2021 can now put the heavens with solid rock ‘n’ roll. By the late 1950s rock 'n' roll's sharp edges had obviously been filed off by the record companies and even real rockers were allowed to sing only sweet ballads and mother-in-law pleasing rock, so do not expectraw rock 'n' roll from Ted Herold. His two rockers on this CD are nevertheless more than worthwhile. He not only had success with covers but also with songs written specifically for him, as proven by Carolin (Darf Ich Dein Boyfriend Sein), a real rocker, just like his other song here, the wonderfully inviting rocker Hast Du Fünf Minuten Zeit Für Mich aka Bobby Rydell's Swingin' School, in 1961 a modest hit for Ted Herold who was allowed to show some of his musical chops in a few schlager films, the medium of choice to bring the young stars to the teenagers. You can find read more about this in my tri-lingual book Film, Popcorn And Rock ‘n’ Roll. Gus Backus appears two more times on this CD, with Honolulu Baby and the more held back Thank You, two songs in which you can clearly hear his doo-wop roots. "Conny" is the one and only Conny Froboess who also recorded some rockin' songs at the time. Here we enjoy her swinging schlager rocker Holiday In Honolulu as heard in the feature film Hula Hopp Conny. The CD also features her uptempo top rocker Little Girl, originally Ruth Brown's This Little Girl's Gone Rockin, undoubtedly the rockinest song Conny Froboess' ever recorded. Several Dutch singers tried their luck in Germany as well including Elias Glas who recorded a few some rockin' 45s in Holland without much success with his band Het Quintet Dominique (how do you come up with that kinda name!) and the to some extent better known John Lamers with his Skyliners (they scored a hit in Holland in 1961 with the selfpenned Crazy Love). Elias is represented here with Jimmy Soul's If You Wann Be Happy as Wenn Du Die Sterne Am Himmel Zählst, which he recorded in Dutch in 1963 as Je Bent Nog Gelukkig. John Lamers got to try his hand in German with the collector's item Bitte Bleib Bei Mir, Clyde McPhatter's Lover Please. Kerkrade (NL) resident Jack van Doorn moved across the border because of love and proceeded to record Curtis Lee's Under The Moon Of Love as Das War Nicht Nett Von Dir. From Italy we salute Vittorio Casagrande (known for the brilliant 1960 rocker Tintarella di Luna) with Luna Fortuna, a 1962 schlager rocker. Conny Quick, a pseudonym just like one hit wonder Benny ‘Motorbiene’ Quick who also appears on the CD with the uptempo rocker Denn Du Küsst So Heiss = Jess Conrad's The Two Of Us, came from Denmark and answered to the civil name Jørgen Brandt. Immer Mehr, his cover of Buddy Holly's That'll Be The Day, has a lot of merit and is influenced by doo-wop. His second track here, The Everly Brothers' Bird Dog as Herzensdieb, is deliciously catchy. Pretty blonde and Swedish jazz icon Bibi Johns is now 95 years and can be seen and heard in numerous German schlager film. Despite her jazz and schlager roots she served the rock ‘n’ roll public very well in 1958 with Bobby Day's Rockin' Robin as Rocky Robby. Another stunningly beautiful woman, Miss Finland 1958 Pirko Manola, is now 86. She too got sucked in by the schlager scene but managed to free herself from it from time to time, for example with the brilliant Bam-Schi-Bam, Barry Mann's Who Put The Bomp. Bobby Franco, contrary to what the name suggests just a German, was successful as a schlager singer but didn't escape the rock ‘n’ roll train roaring through Germany either. When it stopped at his place he jumped aboard with Heute Möchte Ich Dich Küssen (The Harptones' Your Love Is A Good Love). He can be seen in Auf Wiedersehen Am Blauen Meer, a 1962 feature film with some decent rock ‘n’ roll in it. To me female singer Danny Mann has always been the sanitised version of actress Trude Herr. She came from the jazz scene but when rock ‘n’ roll had become a fixture in Europe in 1957 she Danny jumped on the rock 'n' roll train with the foottapping rocker Mein Zweites Ich. Mid-ager Bully Buhlan who recorded several boogie woogies for East German label Amiga Records but switched to the West in 1948 (as did ten years later Werner Hass, heard on Rockin' Schlager Party No. 2) performs the novelty rocker Du Bist Ja Viel Zu Schade (Perry Como's Just Born). An American who had already achieved fame, Leroy van Dyke, tried to conquer the German audience in 1961 with Geh Nicht Vorbei, a German version of his own big hit Walk On By. Claus Herwig, better known as Ted Parker, recorded Conway Twitty's Hey Little Lucy in 1959 but despite some modest hits always remained in the shadow of the big ‘Hitraketen’ like Peter Kraus and Ted Herold. Germany is not only the land of the orchestra rockers but also of quartets. Whether as studio musicians or background singers, the quartets were also successful as solo acts, including Das Hansen Quartett, perhaps better known in the teenage idiom as Hansen Boys & Girls. Their 26 Meilen aka The Four Preps' Santa Catalina is more a polyphonic schlager than real rock ‘n’ roll but certainly not unpleasant, for it's really a song that could make teenagers dream and therefor definitely teenage music with the typical sound characterising Germany's light music of the 1950s. German rocker Bert Suplie's name will probably not ring a bell. Unfortunately his hiccups in Tinalie did not turn this cover of Frankie Avalon's Gingerbread into a hit. Teddy Palmer was more successful than Teddy Parker who he's sometimes mistaken for, even he only had like four hits. Lach’ Nicht So, Elvis' Stuck On You, was not one of them. The later successful Mendocino schlager singer Michael Holm also tried his hand at rock'n' roll early in his career with Darum Bleib' Ich Bei Dir, a highschool rocker. Whaddaya know: Ralf Bendix, well into his thirties, a lawyer, economist and head of the German department of an airlinecompany, was rockin' in front of sreaming teenagers in the 1950s. He recorded several solid rockers but slows down the pace here with the super slow rocker Edelstein, Conway Twitty's It's Only Make Believe. I don't need to mention that he too was featured in music films at the time. The last track of this great CD is by Leonie Brückner, a typical fifties and sixties phenomenon as she was a backing vocalist who can be heard in the background on many records, including on the cheap budget records available in several European countries at the time from labels that released covers of popular hits under obscure label names often used as publicity for department stores or other companies. She also recorded as a solo artits, without any success however, and Sommerzeit, the Gershwin classic Summertime heard here, did not become a hit in 1962. Our verdict: after the previous excellent compilations Rockin' Schlager Party Nr. 1 and Nr. 2, this is another fine various artists CD, this time selected by DJane Doo-wop Baby (Simone Schütze, wife of Felix Schütze aka DJ Lucky Shooter), not only for the older generation to relive childhood memories, but certainly also for the younger generation (and not only in Germany and Austria) to get a glimpse of how American rock 'n' roll was interpreted on the European continent. Highly recommended! Info: www.vintagerockinroots.com (Henri Smeets)


BLACK PEARLS VOL. 5: LET'S ROCK AND ROLL
Koko Mojo, KM-CD-43
English version: see below

Let’s rock 'n' roll! Dat laten wij ons geen twee keer zeggen! De CD trapt af met de titeltrack, de medium tempo mondharmonica stroll van Shy Guy Douglas in Excello Records stijl die in recentere tijden werd gecoverd door The Seatsniffers (B, ik hoor hun kenmerkende sound ook terug in Raise Some San van Jay Nelson & his Jumpers hier), het startschot voor 28 tracks die focussen op inktzwarte rock 'n' roll als Kansas City Dog van Little Cameron en Oooh Wee Pretty Baby van Joe Hudson & his Rockin' Dukes met Lester Robertson op leadzang, jivers als het op Hound Dog lijkende What's The Matter Baby van The Royal Demons gezongen in de stijl van Clyde McPhatter, het op Please Don't Leave Me en The Fat Man lijkende Wow Wow van Willie Egan, Deacon Dan Tucker van de vooral van trage nummers bekende Jesse Belvin en Sadie Green van Big T. Tyler, en gestoorde New Orleans chaos als Hey Hey Baby van Eugene Isom & his Van-Glorians featuring William French en Rock 'n' Roll Baby van Mercy Baby. Er staan heel wat screamers en shouters op de CD zoals H-Bomb Ferguson (No Sackie Sack), ex-Willows leadzanger Tony Middleton (Lover), McKinley Mitchell (Lazy Dizzy Daisy, een zusje van Dizzy Miss Lizzy waarin de zanger van Rock Everybody Rock op de mambo tour gaat) en The Blue Dots met in het nummer Saturday Night Fish Fry op lead de in een gospel mood verkerende Grover Mitchell die zo hoog zingt dat ie klinkt als een big fat mama. Big fat mamas staan er ook op: Big Mama Thornton bijvoorbeeld die klinkt als een man in Don't Talk Back, een nummer dat verdacht veel lijkt op Don't Let Go van Roy Hamilton (beide nummers kwamen uit in 1958, dus de vraag rest wie eerst was), en Little Miss Jessie Smith die van 1961 tot 1965 deel uitmaakte van de populairste bezetting van The Ikettes. Haar My Baby Has Gone is helemaal gebaseerd op Ike & Tina Turner met op gitaar Benny Smith, de plaatselijke Ike Turner van St Louis. Peg Leg Woman van Willie King lijkt dan weer heel sterk op Rocket 88 van Jackie Brenston & his Delta Cats, in werkelijkheid Ike Turner & his Kings of Rhythm. Peg Leg Woman is een nummer van de hand van Ike Turner, die ook zou hebben meegeschreven aan Rocket 88, al staat zijn naam daar niet tussen de haakjes, en op beide opnames wordt de begeleiding verzorgd door Ike Turner. Marvin & Johnny zijn vooral bekend van doo-wop ballades als Cherry Pie, maar hun Ain't That Right hier is een wild Bo Diddley ritme! Een andere invloedrijke figuur in de zwarte rock 'n' roll was Little Richard en zijn manier van zingen horen we terug in de vocals van Willie West's A Man Like Me, hetzelfde nummer als Baby van Little Richard. De grootste verrassing is They Just Rocking And Rolling van V & BB, de originele versie van het nummer waarmee decennia later Ronnie Dawson een clubhit scoorde. Ook straf is hoe rockend een nummer als I'm A Good Rockin' Baby van Ray Snead uit 1951 reeds is! De CD sluit af met een muur van gitaardistortie die door Philip Walker, de gitarist op Clifton Chenier's Specialty opnames, werd uitgebracht als Louisiana Walk. Een paar tracks hebben een stevige rhythm 'n' blues gitaar in de rangen die evenwel nergens storend werkt. Sterker: ik vind zo goed als alle wilde en wacky tracks hier fantastisch, en dit is voor mij dan ook het beste deeltje in deze reeks tot nu toe, wat je merkt aan het aantal uitroeptekens in deze recensie. Nummers als New Hound Dog door Frank Motley & the Motley Crew met "zang" van Curly Bridges, eigenlijk gewoon een steeds sneller rockende trompetversie van Hound Dog waar Motley zijn eigen naam onder zette, moet je horen om te geloven! Of om het anders te zeggen: volume 5 bevat minder mondharmonica, meer saxofoon en dus meer rock 'n' roll. Rock 'n' roll met rhythm 'n' blues gitaar, dat spreekt. Samensteller Ronni Boysen, ex-gitarist van The Kokomo Kings (S), zit ondertussen al aan de tiende Black Pearls. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

You don't have to tell me twice to rock 'n' roll, so let's go! The CD kicks off with the title track, Shy Guy Douglas' Excello Records style medium tempo harmonica stroll that was covered in more recent times by The Seatsniffers (B, their typical sound can also be traced back to Jay Nelson & his Jumpers' Raise Some San here), the first of 28 tracks focusing on black rock 'n' roll from the likes of Little Cameron (Kansas City Dog) and Joe Hudson & his Rockin' Dukes (Oooh Wee Pretty Baby with Lester Robertson on lead vocals), jivers like The Royal Demons' Hound Dog inspired What's The Matter Baby sung in the style of Clyde McPhatter, Willie Egan's Please Don't Leave Me and The Fat Man inspired Wow Wow, Deacon Dan Tucker by Jesse Belvin who's mostly known for slow songs, and Big T. Tyler's Sadie Green, peppered with deranged New Orleans chaos like Eugene Isom & his Van-Glorians featuring William French's Hey Hey Baby and Mercy Baby's Rock 'n' Roll Baby. The CD features a lot of screamers and shouters, for example H-Bomb Ferguson (No Sackie Sack), former Willows leadsinger Tony Middleton (Lover), McKinley Mitchell (Dizzy Miss Lizzy's sister Lazy Dizzy Daisy in which the Rock Everybody Rock singer goes mambo) and The Blue Dots whose Saturday Night Fish Fry is led by the gospel voice of Grover Mitchell who sings so high he sounds like a big fat mama. There's a couple of those included as well, for example Big Mama Thornton who sounds like a man in Don't Talk Back, a song suspiciously similar to Roy Hamilton's Don't Let Go (both songs were released in 1958, so the question remains who was first), and Little Miss Jessie Smith who was part of The Ikettes' most popular line-up from 1961 to 1965. Her My Baby Has Gone is clearly based upon Ike & Tina Turner and features Benny Smith, St. Louis' answer to Ike Turner, on guitar. Willie King's Peg Leg Woman on the other hand sounds a lot like Rocket 88 from Jackie Brenston & his Delta Cats, in reality Ike Turner & his Kings of Rhythm. Peg Leg Woman was written by Ike Turner who was involved in composing Rocket 88, even though his name is not in between the brackets, and on both recordings the accompaniment is provided by a band led by Ike Turner. Marvin & Johnny are best known for doo-wop ballads like Cherry Pie, but their Ain't That Right here sports a wild Bo Diddley rhythm! Another key figure in black rock 'n' roll was Little Richard and his style of singing can be heard in the vocals of Willie West's A Man Like Me, the same song as Little Richard's Baby. The biggest surprise is They Just Rocking And Rolling by V & BB, the original version of the song which became a club hit for Ronnie Dawson decades later, and it strikes me how hard rockin' a 1951 song like Ray Snead's I'm A Good Rockin' Baby already is! The CD finished with a wall of guitar distortion released as Louisiana Walk by Philip Walker who played guitar on Clifton Chenier's Specialty recordings. A few tracks are characterized by a prominent rhythm 'n' blues guitar which however nowhere distracts from the rockin' going on. In fact IMHO pretty much nearly all the wild and wacky tracks here are fantastic, so as far as I'm concerned this is the best volume in this series so far, which you can tell by the number of exclamation marks in this review. Songs like New Hound Dog by Frank Motley & the Motley Crew with "vocals" by Curly Bridges(basicly an increasingly faster rockin' trumpet version of Hound Dog under which Motley put his own name, have to be heard to be believed! In other words: volume 5 has less harmonica, more sax and therefor more rock 'n' roll. Rock 'n' roll with rhythm 'n' blues guitar, that is. In the meantime compiler Ronni Boysen, former guitar player of The Kokomo Kings (S), is already at Black Pearls Vol. 10. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

CD Recensies

8 mei 2024

BIG LOVE/ THE BLUESANOVAS
Timezone Records, TZ 2456
English version: see below

Het komt wis en waarachtig niet elke dag voor dat je op de radio, in dit geval de Duitse radio, hoort dat een rock ‘n’ roll band een grote prijs in de wacht sleept. Dat lukte echter wel The Bluesanovas uit het Duitse Münster (Rijnland), misschien ook omdat het geen pure rock ‘n’ roll band maar een rock 'n' roll, blues en boogie woogie band is die sterk doet denken aan de befaamde Paladins (USA) in de jaren '80 en '90. Er is overigens ook een Canadese rock ‘n’ roll band The Paladins uit die tijd. Natuurlijk hebben The Bluesanovas net als vele Europese rockabilly bands acte de presence gegeven in de legendarische Sun Studio in Memphis en aldaar in 2020 een EP opgenomen. Ze waren toen tevens halffinalist in de International Blues Challenge gehouden te Memphis. Uiteraard moest ik hun nieuwe CD meteen bestellen en ik heb er geen spijt van. 160 muziekcritici uit Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland kunnen zich niet vergissen! Geheel terecht heeft hun album Big Love Der Preis Der Deutschen Schallplatten Kritik 2024 gewonnen in de categorie Blues, met lof voor het authentieke geluid en de geleefde speelvreugde, en daarmee staanze naast grote namen als BB King en Duke Robillard. De band heeft zich tot doel gesteld de blues en aanverwanten bij een groot publiek generatie-overstijgend bekend of zoals het in mooi Duits heet ‘salonfähig’ te maken. Het album heeft een week in de prestigieuze Deutsche Top 100 Album charts gestaan op een 55ste plaats vòòr Taylor Swift, momenteel de meest succesvolle artieste ter wereld, en achter Rammstein, niet bepaald onbekend hier ten lande. Niet slecht! Till Seidel (zang), de kersverse vervanger van Melvin Schulz die nog op het album te horen is, Filipe Henrique (leadgitaar), Nico Dreier (piano), Philipp Dreier (drums) en Tim Kirschke (contrabas) willen weg van het cliché van de droevige betroffenheidsblues naar de dansbare en vrolijkere rhythm 'n' blues, dus is het niet vreemd dat rock ‘n’ roll en boogie woogie eveneens hun pad kruisen. Wat vooral opvalt is de beleving waarmee de muziek ten gehore wordt gebracht. Wat een drive, wat een power! De opener klinkt alsof Little Richard himself uit zijn graf is gekropen om nog eens Lucille te spelen, ook al luistert de song naar de titel Back On My Feet met een overheerlijke gitaarsolo. You Hurt Me klinkt zo fris en swingend dat je bijna denkt dat ‘you hurt me’ de uitspraak is van een SM freak, extase door zelfpijniging. Niet dat de muziek pijn zou doen aan de oren, integendeel, die is puik met een heerlijk Hammond orgeltje erbij - deze jongens weten waar Abraham de blues vandaan haalde. Time To Leave is een midtempo blueser zoals ook zwarte rockers die in de jaren '50 regelmatig opnamen. Ain’t Even Sorry met een begin dat erg doet denken aan Ray Charles’ Georgia On My Mind gaat over in een lekker honkende rhythm 'n' blues. Maar het kan met nog meer tempo, zoals in Won’t You Make Up Your Mind, Louis Prima laat groeten. De ruimte vult zich met nostalgie, de geest van The Paladins vult de kamer met het oppeppende Big Love. Het midtempo Meant For You laat Fats Domino in zijn graf heen en weer ‘schunkelen’. Brown Haired Angel ademt een behoorlijke sfeer High Heel Sneakers uit. Tom’s Feet daarentegen steken in muzikale sportschoenen, niet op de 100 meter maar op de lange afstand oftewel een midtempo rocker. Be Mine en I Owe You My Heart zijn beide funky blues zoals we dat ook op de latere albums van The Paladins al hoorden. Kwestie van smaak. Met Live It Or Leave It gaan we rustig het album bijna afsluiten. Toch nog klagende blues? Het muzikale licht gaat al sniffend definitief uit met de rustige bluesy wegkwijner What Love Really Means, het slotakkoord van een verdienstelijk album dat zeker, net als hun overige albums, ook eens gehoord zou moeten worden door rock ‘n’ roll liefhebbers die eerder de mainstream vintage rock ‘n’ roll of zelfs rockabilly aanhangen. Ook uit op rood vinyl TZ 2478! Info: www.thebluesanovas.de en www.timezone-records.com (Henri Smeets)

It is not every day that you hear on the radio, in this case the German radio, that a rock ‘n’ roll band wins a major award. That is however what The Bluesanovas from Münster in Rhineland, Germany managed to do, perhaps also because they're not a pure rock ‘n’ roll band, but a rock ‘n’ roll, blues and boogie woogie band that reminds me a lot of the famous Paladins (USA) in the 1980s and 1990s. At that time there was also a Canadian rock ‘n’ roll band called The Paladins by the way. Like so many European rockabilly bands The Bluesanovas also performed at the legendary Sun Studio in Memphis and they recorded an EP there in 2020 when they were semi-finalists in the International Blues Challenge held in Memphis. Needless to say I had to order their new CD rightaway and I do not regret buying it. 160 music critics from Germany, Austria and Switzerland can't be wrong! The album has deservedly won Der Preis Der Deutschen Schallplatten Kritik 2024 in the Blues category, with praise for its authentic sound and its lively joy of playing, which ranks them alongside big names like BB King and Duke Robillard. The band decided its goal is going to be making the blues and related music forms known to a large audience across different generations, or as they say in beautiful German to make it "salonfähig". The album spent one week in the prestigious Deutsche Top 100 Album charts on # 55 before Taylor Swift, at this moment in time the most successful female artist in the world, and behind Rammstein, not exactly unknown in this here parts either. Not bad, not bad at all! Till Seidel (vocals), the brand new replacement for Melvin Schulz who can still be heard on this album, Filipe Henrique (lead guitar), Nico Dreier (piano), Philipp Dreier (drums) and Tim Kirschke (double bass) want to move away from the cliché of the sad I lived through it all to tell the tale type of blues towards danceable and happier rhythm 'n' blues, so it's not surprising that rock 'n' roll and boogie woogie also cross their path. What is particularly striking is the liveliness with which they play the music. Such a drive, such power! The opening track sounds like Little Richard himself has crawled out of his grave to play Lucille again, even though it's titled Back On My Feet with a fantastic guitar solo. You Hurt Me sounds so fresh and swinging that you almost think ‘you hurt me’ is the motto of an SM adept, ecstasy through self inflicted pain. Not that the music would hurt your ears, on the contrary, it's great with a mighty fine Hammond organ thrown in - these guys know how to cut the blues mustard. Time To Leave is a mid tempo blues the way black rockers used to record them in the 1950s. The intro of Ain't Even Sorry is reminiscent of Ray Charles' Georgia On My Mind but turns into a nice honking rhythm 'n' blues. They can also pick up the pace as in Won't You Make Up Your Mind aka best wishes from Louis Prima. Nostalgia invades the air and the spirit of The Paladins fills the room with the uplifting Big Love. The mid tempo Meant For You has Fats Domino swaying back and forth in his grave. Brown Haired Angel exudes a distinct High Heel Sneakers vibe. Tom's Feet on the other hand wear musical sneakers, not for the 100 metres but for the long distance in a mid tempo rocker. Be Mine and I Owe You My Heart are both funky blues the way they were heard on The Paladins' later albums. A matter of taste! Live It Or Leave It almost finishes the album on a quiet note. A plaintive blues after all? The musical light finally goes out crying with the calm blues lament What Love Really Means, the finishing touch of an album which has a lot of merit and should, as well as their other albums, certainly also be heard by rock ‘n’ roll fans who are more into mainstream vintage rock ‘n’ roll or even rockabilly. Also available on red vinyl TZ 2478! Info: www.thebluesanovas.de en www.timezone-records.com (Henri Smeets)


TRIPLE AGENT RECORDS VOLUME VI
Triple Agent Records, géén cat.nr.
English version: see below

Soms is er ook een goeie kant aan al die streaming toestanden. Triple Agent Records is een label uit Mexico dat via Bandcamp een aantal moderne surf compilaties aanbiedt die je gratis kan downloaden in verschillende bestandsformaten. Je kan desgewenst ook betalen voor die downloads en dan mag je er zelf een prijs op plakken. Dit soort digitale release is uiteraard in de eerste plaats bedoeld als reclame en visitekaartje voor de bands die er op staan, dus mag het niet verwonderen dat ik de meeste van die bands niet ken. Dit Volume 6 bevat 22 tracks van 22 internationale bands waarvan ik er slechts drie ken, en dat zijn in de eerste plaats Sant Anna Bay Coconuts uit Antwerpen, vertegenwoordigd met het oosters klinkende Magic Mushrooms afkomstig van hun tweede album, Wheels And Waves uit 2022, gelijk een van de meest traditionele nummers op deze compilatie, traditioneel in de stijl van Dick Dale ten tijde van Unknown Territory en Tribal Thunder. Voorts ken ik The Greasy Gills (USA) omdat die recent een paar optredens speelden in de Benelux. Ze spelen hard en luid maar niet persé trashy, en daarmee is hun bijdrage, de alternatieve versie van Tequila Bill die eerder op hun Greasiest Hits CD stond, een goed voorbeeld van de stijl die deze compilatie ten dele domineert. Pollo Del Mar (USA) draait al twintig jaar mee maar hun En Mi Mundo hier ken ik niet. De trage surfballad met daarover een Spaanse parlando van El Vez is een vertaling van In My Room van The Beach Boys. Ik schreef dat ik drie bands kende, maar ga dat bijstellen naar drie en een half, want op Codename Tremstar van The Tremolo Beer Gut (DK) doet Svetlana "Zombierella" Nagaeve, de bassiste van Messer Chups (RUS), mee. Ze speelt niet op dat nummer maar doet wel de Russische parlando op deze surf stomper met een orgeltje in de background verluchtigd met liftbellen op vibrafoon en spooky tremolo effecten. Steel? Theremin? Ik moet u het antwoord schuldig blijven. Het nadeel van dit soort downloads is immers dat je alleen een hoesje meekrijgt en voorts elke info ontbreekt. Het voordeel daarvan is dan weer dat je je 100 % kan focuseren op de muziek. Harder en met nog meer verspringende reverb veren zijn The Creature Preachers (USA) met een orgel maar ook met een synthesizer-achtige sound in Haunted Swamp, een digitale klank die terugkeert in verschillende nummers hier en je ook vaak hoort op de drums, bijvoorbeeld in Drac'd Raw Dot Com van Genki Genki Panic (USA) en Abduction van Surf Terráneos (MEX), wat me doet veronderstellen dat veel van deze opnames thuisvlijt zijn.
Traditioneler zijn Inter Umbras van Systilus (MEX), Infinite Space van Sys Malakian (MEX), Crash And Burn van The Serfers (GB) en El Macabro Plan Del Dr. Breuer van de twangy Tormentos (AR), traditioneler én rustiger maar ook alweer met een orgeltje in de gelederen is het nummer Ape Love van gitarist Sys Malakian's Grieks-Mexicaanse groep Thalasses. Het meer dan zes en een halve minuut durende Cowboy Junkie van Chewbacca's (E) is zoals de titel reeds aangeeft een western soundscape, in Caverna Ruidosa van Los Ruido (MEX) doet een schele trompet mee, en Los Surfer Compadres (MEX) vermengen in Stomp Dream melodielijnen uit popmuziek met frat rock. Los Bronson (Puerto Rico) serveren in Alacrán poprock vermomd als surf, opnieuw met gebruikmaking van een orgeltje, en ik hoor ook pop in República Banana van Los Resonadores (AR). Het gezongen Love In A Post War van Secret Agent is zelfs pure synthpop waarvan ik me afvraag wat het hier komt zoeken. Skip! Een ander gezongen nummer, Tic-Tac van Reverendo Frankenstein (BRA), houdt het midden tussen psychobilly en popmetalpunk, en het al evenzeer gezongen La Máquina Emocional van The Evil Ones (MEX) is garagerock. Skip! Net wanneer je begint te denken dat behalve die vertaling van In My Room alle nummers eigen composities moeten zijn loop je tegen Brebaje De Amor aan, een Spaanstalige cover van Love Potion # 9 door Los Tómbola (MEX). Dat is uiteraard iets helemaal anders, in de eerste plaats omdat het een gezongen nummer is, maar ook omdat het met al die gloedvolle blazers heel sixties klinkt, een beetje Hillbilly Moon Explosion meets Girls In The Garage. Dat nummer is het begin van een tripje naar modernere muziek, culminerend in de bijna elektronica van Wasteland door Ronald Reagan? The Actor? inclusief die twee vraagtekens. Die bandnamen toch....
Sommige van deze nummers verschenen eerder op reguliere CD releases, opvallend veel nummers bezigen orgel, sommige moeten zeker niet onderdoen voor bands van wie ik platen heb steken en sommige noden de skip knop. Een gekregen paar mag je evenwel niet in de bek zien, en het belang van dit soort gratis of afhankelijk van je gulheid bijna gratis muziek is dat je een keuze kan maken uit het aanbod en op basis daarvan verder de bands uitchecken. En dat is precies wat ik ga doen met Sys Malakian, The Serfers, Systilus, The Tormentos en - jawel - Los Tómbola. Doe er uw voordeel mee op www.tripleagentrecords.bandcamp.com waar je intussen al Volume 7 vindt. (Frantic Franky)

Occasionally all this streaming has its good sides too. Triple Agent Records is a Mexican label that offers several modern surf compilations as free downloads in various file formats on their Bandcamp page. You can also pay for those downloads should you wish to, and in that case you can put your own price on them. These kind of digital releases are obviously primarily meant as publicity and business card for the bands, so it should come as no surprise that I don't know the majority of the bands. Volume 6 contains 22 tracks by 22 international bands of which I know only three, starting first and foremost with Sant Anna Bay Coconuts (B), represented by the eastern sounding Magic Mushrooms from their second album, 2022's Wheels And Waves. It's also one of the most traditional songs on this compilation, traditional in the style of Dick Dale at the time of Unknown Territory and Tribal Thunder. Furthermore I know The Greasy Gills (USA) because they recently did a few gigs in my area. They're hard and loud but not necessarily trashy, which makes their contribution, the alternative version of Tequila Bill as previously featured on their Greasiest Hits CD, a good example of the style that partly dominates this compilation. Pollo Del Mar (USA) has been around for 20 years but I did not know their En Mi Mundo here, the slow surf ballad with a Spanish parlando by El Vez being a translation of The Beach Boys' In My Room. I wrote that I knew three bands, but let me augment that to three and a half because on The Tremolo Beer Gut (DK)'s Codename Tremstar Messer Chups (RUS) bass player Svetlana "Zombierella" Nagaeve joins in. She does not play on the track but does the Russian parlando on this surf stomper with an organ in the background enlivened with elevator dings on vibraphone and spooky tremolo effects. Steel? Theremin? I have no idea, for the disadvantage of this kind of downloads is that you only get a sleeve without any information. The advantage of that is that you can focus 100 % on the music. Harder and with even more bouncing reverb springs are The Creature Preachers (USA) with an organ but also with a synthesiser-like sound in Haunted Swamp, a digital sound that returns in several tracks here and which you also often hear on the drums, for instance in Genki Genki Panic (USA)'s Drac'd Raw Dot Com and Surf Terráneos (MEX)'s Abduction, which makes me assume that many of the tracks are home recorded.
More traditional surf sounds are Inter Umbras from Systilus (MEX), Infinite Space from Sys Malakian (MEX), Crash And Burn from The Serfers (GB) and El Macabro Plan Del Dr. Breuer from the twangy Tormentos (AR), more traditional but also calmer yet again with an organ is the track titled Ape Love from guitarist Sys Malakian's Greek-Mexican group Thalasses. Chewbacca (E)'s Cowboy Junkie which lasts more than six and a half minutes is as the title suggests a western soundscape, in Los Ruido (MEX)'s Caverna Ruidosa a drunken trumpet joins in, and Los Surfer Compadres (MEX) mix melody lines from pop music with frat rock in Stomp Dream. Los Bronson (Puerto Rico) serve up pop rock disguised as surf in Alacrán, again with an organ, and I also hear pop in República Banana from Los Resonadores (AR). Secret Agent's vocal track Love In A Post War is even synthpop that makes me wonder why they added it to this CD. Skip! Another vocal track, Tic-Tac from Reverendo Frankenstein (BRA), is somewhere in between psychobilly and pop metal punk, while another vocal recording, La Máquina Emocional from The Evil Ones (MEX) is garage rock. Skip! Just when you assume that with the exception of that translation of In My Room all the tracks are self written, you come across Brebaje De Amor, a Spanish language cover of Love Potion # 9 by Los Tómbola (MEX). This is obviously something completely different, first of all because it's a vocal track, but also because with all those sharp brass it sounds very sixties, kinda like Hillbilly Moon Explosion meets Girls In The Garage. That song is the start of a little trip into more modern music, culminating in the almost electronica of Wasteland by Ronald Reagan? The Actor? including those two question marks. Man, those band names...
Some of the songs previously appeared on regular CD releases, oddly enough several contain organ, some are definitely not inferior to bands whose records I dig, and some need the skip button. Don't be too harsh however for a free download, for the good thing about this sort of free or depending on your generosity almost free music is that you can decide what you like and further investigate the bands on that basis. Which is exactly what I'm going to do with Sys Malakian, The Serfers, Systilus, The Tormentos and indeed Los Tómbola. Get it at www.tripleagentrecords.bandcamp.com where you can already find Volume 7. (Frantic Franky)

1 mei 2024

MEET ME AT THE COFFEE SHOP
Bear Family, BCD17756
English version: see below

Zoals Jommeke placht te zeggen: potvolkoffie! In Nederland staat de koffie altijd klaar en bij Bear Family blijkbaar ook want deze thema CD is gewijd aan de zwarte godendrank. Wij die het vertikken vier euro te betalen voor veel te dure hippe brouwsels als caffé latte en latte macchiato en zelfs niet moeten weten van Nespresso capsules (we krijgen die rotdingen niet warm genoeg) hebben onze koffie graag zoals onze vrouwen: heet en sinds we van de dokter ons suikergebruik drastisch moesten terugschroeven zwart. We gaan de deur niet uit zonder minstens één pot koffie uit de percolateur te hebben geconsumeerd en als we enige uren weg van huis moeten nemen we nog graag een thermosje mee voor onderweg. Je kan immers helaas niet vanaf 7 uur des ochtends beginnen pilsen. Ook in de muziek wordt regelmatig een fikse pot straffe koffie geschonken, denk maar aan Glen Glenn's One Cup Of Coffee And A Cigarette, wat niks is in vergelijking met Bill Haley & the Comets die hun hand niet omdraaien voor Forty Cups Of Coffee. Beide staan op deze CD, en dat doet me denken aan die keer toen de gepensioneerde Comets op een festival arriveerden en ik vroeg of ze iets wilden drinken. Ze wilden allemaal een koffie'tje! Maar terug naar de koffie in de muziek, zowel zinnebeeld van een intiem koffiemoment gedeeld door twee geliefden als de eenzaamheid uitgedrukt door dat kopje koffie alleen te moeten drinken - het heet niet voor niets een bakkie troost. Bear Family brengt hier 25 aan koffie gerelateerde nummers uit 1940-1962 bij elkaar en zoals bij bijna alle thema CD’s van Bear Family komen die nummers niet zozeer uit de rock 'n' roll maar uit de populaire muziek in zijn geheel. Terzijde: ik dacht dat de foto op de front cover uit een film kwam (mijn eerste idee was de koffiebar scene uit Book, Bell And Candle uit 1958) maar het blijkt een geposeerde foto van een Britse fotograaf uit 1959 te zijn.
De uptempo jazzy piano boogie instrumental Coffee Bar Jive klinkt zo opgewonden dat Joe Henderson (GB) inderdaad al een heleboel koppen koffie moet hebben achterover hebben gekapt, en er doet vreemd genoeg wat klinkt als een steelgitaar mee. Ook Googie René's Cafe Roman Candle (verwijst die titel naar koffie of naar een café?) is instrumentale piano jazz, Caffeine Patrol is weer zo'n stratosferische instrumental op steel gitaar en elektrische gitaar van de verenigde krachten van Speedy West & Jimmy Bryant. Voor één keer niét instrumentaal is saxofonist Boots Randolph onder het wat jeugdiger en minder country pseudoniem Randy Randolph met de tot dansen uitnodigende jiver Percolator. Maxine Daniels' (GB) Coffee Bar Calypso is inderdaad calypso, Billy Briggs' Coffee Sippin' Blues is daarentegen geen blues maar een medium tempo country boogie en daardoor toch ook wel weer een beetje een blues, met als gimmick enkele leuke geluidseffecten op de steelgitaar als gimmick. I Can't Afford The Coffee (I'm Tired Of Drinkin' Weak Tea Blues) is een gelijkaardig medium tempo bluesy nummer van Merle Travis. Nog in het country idioom situeert zich de meezing western swing boogie A Cup Of Coffee And A Cigarette van Jerry Irby & his Texas Ranchers. Ella Mae Morse, vaak boogie-ënd, hangt de croonster uit in haar Coffee Date met het orkest van Les Baxter dat een exotica toets toevoegt, en met Abbey Lincoln (Lonesome Cup Of Coffee) en Claire Hogan (You're The Cream In My Coffee) is ze in goed croonergezelschap. Coffee Date van Dick Michaels is teen pop en er is pop variété met Keep That Coffee Hot van Ray Ellington (GB). Koffie is equivalent met Brazilië, dus staan op de CD ook mambo en samba nummers over het ultieme legale pleziertje zoals Cafe Espresso uit de tijd toen Jerry Leiber & Mike Stoller serieus wensten genomen te worden als componisten en dus zelf platen uitbrachten onder de naam The Leiber-Stoller Orchestra, The Coffee Song (They've Got An Awful Lot Of Coffee In Brasil) in de uitvoering van The King Brothers (GB) en de harp (!) instrumental Moliendo Cafe ("koffie malen") van de Venezolaanse bandleider Hugo Blanco. Van dat nummer staat ook een gezongen versie op de CD, meer bepaald gezongen in het Italiaans door Mina, dezelfde Mina van Tintarella Di Luna. Haar versie van Moliendo Cafe doet ons denken aan Sophia Loren, maar dat kan ook komen omdat wij altijd aan Sophia Loren denken. In Japan schijnt het nummer bekend te staan als Coffe Rumba. Java Jive is heerlijk vocal harmony gezoem van The Ink Spots, van Forty Cups Of Coffee, origineel rhythm 'n' blues jive van Danny Overbea with King Kolax & his Orchestra en ook gezongen door Ella Mae Morse, horen we naast de rock 'n' roll cover van Bill Haley een bluesy big band uitvoering door Jo-Anne Greer begeleid door het orkest van Les Brown. Tussendoor horen we nog enkele rock 'n' roll nummers als Coffee Break van The Rock 'n' Rollers, een anonieme studiogroep op het Britse budgetlabel Embassy die qua jive en ruimtelijke echo kunnen wedijveren met Bill Haley & the Comets. Coffee Baby van Buddy Phillips with the Rockin' Ramblers is een voorbeeld van rauwe ongepolijste rockabilly, en Koffee Shop Rock van Mickey Michaels & the Forrestals illustreert de overgang van rockabilly tot white rock. Het mooiste nummer van de hele CD blijft evenwel de zwoele en beeldrijke crooner Black Coffee van Peggy Lee met zijn detective jazz trompet. Om Special Agent Dale Cooper uit Twin Peaks te parafreseren: damn good CD! Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

Hold my coffee! Coffee is always the answer, not only at my place but apparently also at Bear Family HQ because this theme CD is dedicated to the black gold. We who refuse to pay five pounds for overpriced trendy brews like iced caffè latte and caramel frappucino and don't even like Nespresso pods (they're never hot enough) want our coffee like we want our women: hot and since the doctor told us to drastically reduce our sugar consumption, black. We never go out the front door without having consumed at least one pot of coffee from our trustworthy percolator and if we have to leave home for several hours we always take an extra thermos for the road. After all, unfortunately one can't start boozing at 7 AM. In many a song a strong cup of joe is regularly consumed, just think of Glen Glenn's One Cup Of Coffee And A Cigarette, which is nothing compared to Bill Haley & the Comets who go for Forty Cups Of Coffee, two songs that are on this CD. Which reminds me of that time when the retired Comets arrived at a festival and I asked them if they wanted something to drink. They all wanted a coffee! But back to the relation between coffee and music, be it the intimate coffee moment shared between two lovers or the inherent loneliness of having to drink your coffee alone - it's not called a cup of comfort for nothing. This CD brings together 25 coffee related songs from 1940-1962 and like almost all of Bear Family's theme CD’s the songs are not so much rock 'n' roll but picked from all styles of popular music. On a side note I thought the photo on the front cover was from a film (my first idea was the coffee bar scene from 1958's Book, Bell And Candle) but it turns out to be a posed photo by a British photographer from 1959.
The uptempo jazzy piano boogie instrumental Coffee Bar Jive sounds so excited that Joe Henderson (GB) must indeed have knocked back a lot of coffee, and strangely enough what sounds like a steel guitar joins in. Also Googie René's Cafe Roman Candle (does the title refer to coffee or to a café?) is instrumental piano jazz, Caffeine Patrol is one of the stratospheric steel guitar vs electric guitar instrumentals from the combined forces of Speedy West & Jimmy Bryant. For once not instrumental is saxophone player Boots Randolph using the more youthful and less country alias Randy Randolph for Percolator, a jiver so good that it really invites you to the dance floor. Maxine Daniels' (GB) Coffee Bar Calypso is indeed calypso, Billy Briggs' Coffee Sippin' Blues on the other hand is not blues but a medium tempo country boogie and therefore indeed a bit of a blues, with some nice sound effects on the steel guitar thrown in as a gimmick. I Can't Afford The Coffee (I'm Tired Of Drinkin' Weak Tea Blues) is a similar medium tempo bluesy number from Merle Travis. Also situated in the country idiom is Jerry Irby & his Texas Ranchers' sing-along western swing boogie A Cup Of Coffee And A Cigarette. Ella Mae Morse, often heard singing the boogie, goes crooner on her Coffee Date with Les Baxter's orchestra who add a touch of exotica, and she's in good crooner company with Abbey Lincoln (Lonesome Cup Of Coffee) and Claire Hogan (You're The Cream In My Coffee). Dick Michaels' Coffee Date is teen pop and there's pop variety music with Ray Ellington's (GB) Keep That Coffee Hot. Coffee spells Brasil, so it's no surprise that the CD also features some mambo and samba songs about the ultimate legal pleasure, for example Cafe Espresso from the time when Jerry Leiber & Mike Stoller wished to be taken seriously as composers by releasing albums under the name The Leiber-Stoller Orchestra, The Coffee Song (They've Got An Awful Lot Of Coffee In Brasil) in the version of The King Brothers (GB) and the harp (!!!!) instrumental Moliendo Cafe ("grinding coffee") from Venezuelan bandleader Hugo Blanco. There's also a vocal version of Moliendo Cafe on the CD sung in Italian by Mina of Tintarella Di Luna fame. Her version of Moliendo Cafe reminds us of Sophia Loren, but that could also be because we always think of Sophia Loren. In Japan the song is apparently known as Coffe Rumba. Java Jive is beautiful vocal harmony humming courtesy of The Ink Spots, and from Forty Cups Of Coffee, originally rhythm 'n' blues jive by Danny Overbea with King Kolax & his Orchestra and also sung by Ella Mae Morse, we hear in addition to Bill Haley's rock 'n' roll cover a bluesy big band rendition by Jo-Anne Greer & Les Brown's Orchestra. Mixed in between are a couple more rock 'n' roll tunes like Coffee Break by The Rock 'n' Rollers, an anonymous studio group on the British budget label Embassy who rival Bill Haley & the Comets in terms of jive-ability and spacious echo. Buddy Phillips with the Rockin' Ramblers' Coffee Baby is an example of raw unpolished rockabilly, and Koffee Shop Rock by Mickey Michaels & the Forrestals illustrates the evolution from rockabilly to white rock. The best song of the whole CD is however Peggy Lee's sultry and visual crooner Black Coffee with its detective jazz trumpet. To paraphrase Special Agent Dale Cooper from Twin Peaks: damn good CD! Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


BLACK PEARLS VOL. 4: RHYTHM ROCKIN' BOOGIE
Koko Mojo, KM-CD-42
English version: see below

Rhythm Bomb blijft de compilaties zo snel uitbrengen dat ze volgens mijn in hun eentje een hele CD perserij overuren laten draaien, en mocht dat niet het geval zijn dan zouden ze er goed aan doen zelf een perserij te beginnen. Dit is in een recordtijd alweer Volume 4 van de door ex-Kokomo Kings gitarist Ronni Boysen samengestelde reeks met, euh, zwarte parels. Die zwarte parels boort hij vooral aan in de rockende rhythm 'n' blues, meer dan in de zwarte rock 'n' roll. Op Volume 4 vertaalt zich dat onder meer in primitieve bluesbop uit 1948 (John Lee Hooker's Who's Been Jiving You cover van Arthur Crudup's akoestische Who's Been Foolin' You), een sterk staaltje slidegitaar als Take Five van Hound Dog Taylor dat niets te maken heeft met Dave Brubeck's jazz instrumental, en de groovy early sixties bluesstroll Henry Lee van Betty James. De dames kunnen op de dansvloer blijven voor Frankie Lee Sims' venijnige Yeh Baby waarin de gitaar weerhaakjes lijkt te hebben. Tot de bluesrock met mondharmonica behoren You're Too Bad van Birmingham Junior, Goin' To New Orleans van Little Sam Davis, Lovin' You van JB Hutto, Wonderin' And Goin' van Lightning Slim, Well You Know van Dusty Brown, de mondharmonica/gitaar instrumental Harmonica Boogie die werd opgenomen in de gevangenis want de groep heet The Confiners Of Mississippi State Penitentiary, en de Rhythm Rockin' Boogie van John Lee die niet John Lee Hooker is want zijn volledige naam was John Lee Henley. Een andere Hooker is Earl Hooker met de gitaar boogie On The Hook, en een derde instrumental is Lightnin' Hopkins' verschroeiende Hopkins' Sky Hop. Meer pure blues daarentegen is er van Eddie Burns met het oud klinkende Hello Miss Jessie Lee, Homesick James Williams (Lonesome Old Train), Kid Thomas (Wolf Pack), Calvin Frazier (het trage Lilly Mae) en semi-akoestische opnames van Baby Face Turner (Gonna Let You Go) en Dr. Ross (Come Back Baby op Sun Records).
Allemaal goed en wel, maar kan er ook gerockt worden? Jazeker, bijvoorbeeld op My Sweet Woman van Drifting Slim, Pleadin' van Mercy Baby en het door Jimmy Reed beïnvloede Want To Jump With You Baby van Clifford King. Gemoedelijker gaat het er aan toe bij Bumble Bee Slim en zijn Ida Red. Het bekendste nummer op de CD is Sun 192, Love My Baby van Little Junior Parker & the Blue Flames, de original van Hayden Thompson's rockabilly classic ook op Sun. Er staat nog een derde Sun opname op de CD, Sun 206, Hold Me In Your Arms van James Cotton dat helemaal in diezelfde Love My Baby zwarte rockabilly stijl maar zelfs nog iets sneller is. What You Gonna Do van Lena Hall is dan weer een beetje een medium tempo ragtime versie van What'cha Gonna Do van Clyde McPhatter & the Drifters, het nummer dat bij Sonny Burgess op Sun dan weer Higher zou worden. Oordeel: voor wie niet thuis is in de zwarte muzikale parels maar er wel voor open staat zal zich met deze 28 tracks een nieuwe wereld met meer bluesgitaren dan rock 'n' roll saxofoons ontvouwen. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Rhythm Bomb brings out their comps so fast that I suspect they are singlehandedly responsable for their local CD pressing plant working overtime, and if that's not the case they would do well to start their own pressing plant. In a, err, record time this is already Volume 4 of former Kokomo Kings guitarist Ronni Boysen's CD series of, err, black pearls, digging them up mainly in rockin' rhythm 'n' blues more than in black rock 'n' roll. On Volume 4 this translates into among other things primitive blues bop from 1948 (John Lee Hooker's Who's Been Jiving You cover of Arthur Crudup's acoustic Who's Been Foolin' You), some mean slide guitar like Hound Dog Taylor's Take Five which has nothing to do with Dave Brubeck's jazz instrumental, and Betty James' groovy early sixties blues stroll Henry Lee. The ladies can stay on the dance floor for Frankie Lee Sims' vicious Yeh Baby in which the guitar seems to have barbs. Blues rock tracks with harmonica include Birmingham Junior's You're Too Bad, Little Sam Davis' Goin' To New Orleans, JB Hutto's Lovin' You, Lightning Slim's Wonderin' And Goin', Dusty Brown's Well You Know, a harmonica/guitar instrumental titled Harmonica Boogie recorded by inmates called The Confiners Of Mississippi State Penitentiary, and the Rhythm Rockin' Boogie by one John Lee who is not John Lee Hooker since his full name was John Lee Henley. Another Hooker is Earl Hooker with the guitar boogie On The Hook, and a third instrumental is Lightnin' Hopkins' scorching Hopkins' Sky Hop. We hear pure blues on the other hand courtesy of Eddie Burns with the rather old sounding Hello Miss Jessie Lee, Homesick James Williams (Lonesome Old Train), Kid Thomas (Wolf Pack), Calvin Frazier (the slow Lilly Mae) and semi-acoustic recordings by Baby Face Turner (Gonna Let You Go) and Dr. Ross (Come Back Baby on Sun Records).
Okay, but can we rock? We sure can, for instance on Drifting Slim's My Sweet Woman, Mercy Baby's Pleadin' and on Clifford King's Want To Jump With You Baby. Things get more convivial with Bumble Bee Slim and his Ida Red. The best known song on the CD is Sun 192, Little Junior Parker & the Blue Flames' Love My Baby, the original of Hayden Thompson's rockabilly classic also on Sun. There is a third Sun recording on the CD, Sun 206, James Cotton's Hold Me In Your Arms which is in that exact same Love My Baby black rockabilly style but even a little bit faster, whereas Lena Hall's What You Gonna Do is a kind of medium tempo ragtime version of Clyde McPhatter & the Drifters' What'cha Gonna Do, the song Sonny Burgess would turn into Higher on Sun. Verdict: for those of us not really familiar with black musical gems but open to them, these 28 tracks will unfold a new world ruled by blues guitars instead of rock 'n' roll saxophones. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


SCHOOL HOUSE ROCK VOL. I: SCHOOL IS IN
Bear Family, BCD17668
English version: see below

Dat er veel rock 'n' roll songs de school als onderwerp hadden mag niet verbazen: rock 'n' roll mikte op de tieners wier leefwereld zich voor het grootste deel afspeelde op de school die in de jaren '50 in Amerika in tegenstelling tot Nederland gemengd was en daarmee het terrein bij uitstek voor amoureuze avonturen, sowieso het belangrijkste thema van àlle muziek. Bekende voorbeelden op deze CD zijn School Day (Ring Ring Goes The Bell) van Chuck Berry die als geen ander de leefwereld van tieners wist te condenseren in rock 'n' roll rijmelarij, Jerry Lee Lewis' nog immer imponerende High School Confidential, Gene Summers' bruisende School Of Rock 'n' Roll, Billy Harlan's stroller School House Rock, Don Willis' verschroeiende echo bopper Boppin' High School Baby en Benny Joy's broeierig dreigende Hey High School Baby. Minder bekend maar zeker niet minder goed is de prima de luxe jiver ABC Rock van Bill Haley & the Comets met voor één keer steel gitarist Billy Williamson achter de zangmicrofoon. Frankie Lymon maakt dans rock 'n' roll van Ricky Nelson's rockabilly Waitin' In School en kan niet wachten tot de school gedaan is zodat ie met zijn lief naar de drugstore kan om te gaan rocken bij de jukebox, drugstore die zich luidens de tekst bevond "on the corner of Lincoln and 46", een kruispunt dat echt bestaat in Los Angeles, de stad waar in 1958 zowel Ricky Nelson als componisten Johnny & Dorsey Burnette woonden. Enig etablissement van betekenis schijnt op dat adres evenwel nooit gevestigd geweest. Little School Girl van Wilbert Harrison is een gezellige doo-wop-achtige song met een lichte invloed van het ritme van ska die door zijn maracas en Caraïbische invloeden ook doet denken aan sommige nummers van Bo Diddley. Larry Williams' ballade High School Dance is meer swamp pop dan New Orleans, en Larry Birdsong trekt in Little School Girl de New Orleans sound door naar de soulvolle begin jaren '60. Ook early sixties extra gelardeerd met violen zijn The Falcons in Drifters stijl in The Teacher. Edwin Korn & the Winstons coverden Fats Domino's Little School Girl (Are You Going My Way) uit 1953 in 1957 als pure rocker, en Conway Twitty is een vrolijke fluiter in Platinum High School, titelsong uit de gelijknamige film. Een ander nummer dat opdook in een film is Teacher's Pet van Frankie Avalon, een niet onaardige rocker waarmee Avalon in 1957 in de rock 'n' roll film Jamboree zat. De rest van de in totaal 34 tracks omvat wilde zwarte rock 'n' roll (Pretty Little School Girl van Bird Rollins), crooners vermomd als zwarte rock 'n' roll (Hey Little School Girl van Artie Lewis), genadeloze strolls (School Bus van The Shades, Don & Bob's Good Morning Little School Girl), uptempo zwarte en blanke doo-wop (The Girl I Walk To School van Joey Dee & the Starliters met op zang Rogers Freeman, On Our Way From School van Doug Connell & the Hot Rods, (I Wanna) Dance With The Teacher waarin The Olympics de rif van Bony Maronie jatten, melodie die ook terugkomt in Ronnie Allen's rocker High School Love), doo-wop ballades als het existentialistische Letter To A School Girl van The Delacardos waarin de 21-jarige ik-persoon uit de tekst zijn "strange sensations" beschrijft wanneer hij zijn zestienjarige liefje tegen zich aandrukt alvorens te concluderen dat ze nog te jong is, teen ballads (Yearbook van John D. Loudermilk, en Sonny James probeert in The Talk Of The School een graantje mee te pikken van de sound en het succes van Ricky Nelson), vocal harmony (School Girl van The "5" Royales), teen rock (School Bell Dreams van The Kalin Twins), teen rockaballads (School Bus Love Affair van Wynn Stewart), begin jaren '60 feestmuziek (School Is In van Gary US Bonds) en novelty met de tongbreker High School USA van ex-Blue Cap Tommy Facenda en het geinige The Class waarin Chubby Checker Elvis, Fats Domino, The Coasters, Fabian, Ricky Nelson, Frankie Avalon en drummer Cozy Cole parodieert. High School Affair, de enige single van een groep die The Five Chums heette, is een merkwaardige kruising tussen doo-wop, relaxte jive en hillbilly boogie. Om in schooltermen te blijven: deze CD krijgt de hoogste onderscheiding! Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

It should not come as a surprise that many rock 'n' roll songs were about life in school: rock 'n' roll was aimed at the teenagers and their life revolved for the most part around the school, which in the 1950s in America was mixed and thus ideally suited for amorous adventures, which after all is the main subject of all music. Well known examples on this CD are School Day (Ring Ring Goes The Bell) by Chuck Berry who like no other knew how to condense the teenage world into rockin' rhymes, Jerry Lee Lewis' still impressive High School Confidential, Gene Summers' effervescent School Of Rock 'n' Roll, Billy Harlan's stroller School House Rock, Don Willis' scorching echo bopper Boppin' High School Baby and Benny Joy's brooding, menacing Hey High School Baby. Less known but certainly as good is Bill Haley & the Comets' prima de luxe jiver ABC Rock with steel guitarist Billy Williamson behind the microphone. Frankie Lymon makes dance rock 'n' roll out of Ricky Nelson's rockabilly Waitin' In School and can't wait for school to be over so he and his sweetie can go to the drugstore to rock around at the jukebox, a drugstore according to the lyrics located "on the corner of Lincoln and 46", a real crossroads in Los Angeles, the city where in 1958 both Ricky Nelson and composers Johnny & Dorsey Burnette lived. However there never seems to have been any establishment of particular importance at that address. Wilbert Harrison's Little School Girl is a nice doo-wop styled song with a light ska rhythm that is also reminiscent of some Bo Diddley songs due to the use of maracas and Caribbean influences. Larry Williams' ballad High School Dance is more swamp pop than New Orleans, and Larry Birdsong's Little School Girl stretches the New Orleans sound into the soulful early sixties. Also early sixties with extra strings are The Falcons singing Drifters style in The Teacher. Edwin Korn & the Winstons covered Fats Domino's 1953 Little School Girl (Are You Going My Way) in 1957 as pure rock 'n' roll, and Conway Twitty is the happy whistler in Platinum High School, title song from the film of the same name. Another song that turned up in a film is Frankie Avalon's Teacher's Pet, a decent rocker Avalon mimed in the 1957 rock 'n' roll film Jamboree. High School Affair, the only by a group called The Five Chums, is a curious cross between doo-wop, laid-back jive and hillbilly boogie. The 34 tracks further include wild black rock 'n' roll (Bird Rollins' Pretty Little School Girl), crooners disguised as black rock 'n' roll (Artie Lewis' Hey Little School Girl), merciless strolls (School Bus by The Shades, Don & Bob's Good Morning Little School Girl), uptempo black and white doo-wop (Joey Dee & the Starliters' The Girl I Walk To School with Rogers Freeman on lead vocals, Doug Connell & the Hot Rods' On Our Way From School, (I Wanna) Dance With The Teacher in which The Olympics steal the riff from Bony Maronie, a melody that also turns up in Ronnie Allen's rocker High School Love), doo-wop ballads like The Delacardos' existentialist Letter To A School Girl in which the 21-year-old first person from the lyrics describes his "strange sensations" when he holds his 16-year-old sweetheart tight before concluding that she is too young, teen ballads (John D. Loudermilk's Yearbook, Sonny James trying to grab a piece of the action of Ricky Nelson's sound and success in The Talk Of The School), vocal harmony (The "5" Royales' School Girl), teen rock (The Kalin Twins' School Bell Dreams), teen rockaballads (Wynn Stewart's School Bus Love Affair), early sixties party music (Gary US Bonds' School Is In) and novelty with former Blue Cap Tommy Facenda's tongue twister High School USA and the amusing The Class in which Chubby Checker parodies Elvis, Fats Domino, The Coasters, Fabian, Ricky Nelson, Frankie Avalon and drummer Cozy Cole. This CD graduates cum laude! Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


WHIP MASTERS INSTRUMENTALS VOLUME 5
Atomicat, ACCD135
English version: see below

Deze reeks zit intussen ook al aan volume 5, en dat betekent een verse lading van dertig instrumentals uit 1952-1963 in alle mogelijke rock 'n' roll stijlrichtingen. De CD opent met Scratchin' van Jerry Neal waarvan de gitaarintro doet denken aan Summertime Blues en de baslijn aan C'Mon Everybody. Het nummer blijkt inderdaad gecomponeerd door Eddie Cochran & Jerry Capeheart, de basgitaar werd bespeeld door Connie "Guybo" Smith en Jerry Neal was een pseudoniem van, jawel, Jerry Capeheart, de producer van Eddie Cochran. Na die typische Cochran intro komt er een op een jungle ritme scratchende spacey gitaar bij, Earl Palmer op drums, en samen vormt dat een goeie jiver voor bijdehante DJ’s. Een andere spacey gitaar is de rhythm 'n' blues gitaar van Young John Watson die in Space Guitar tegen een diep toeterende saxofoon opspeelt. Jong was Johnny "Guitar" Watson toen zeker, want in 1954 was ie 19 jaar. In 1977 haalde hij bij ons Toppop met het funky A Real Mother For You (twee weken op de derde plaats), en in 1996 stierf hij in Japan op zijn 61ste live on stage aan een hartaanval. In de hoek waar de bluesklappen vallen situeren zich verder het mondharmonica werkje Chicken van Baby Boy Warren en de R 'n' B gitaar/sax toeter Cooter Bug van Dave Hamilton & his Peppers. De dobbelstenen rollen in de gitaarrocker Snake Eyes van The Losers, in Ad Lib spelen The Galaxies iets Schots-achtigs op rock 'n' roll gitaren, Tom-Tom van Carl Newman zijn overstuurd rockende indianen op het amper 1:35 durende oorlogspad, en oosterse sferen worden opgerakeld in Hot Sake van Walkin' Charlie Aldrich & the Way Outers, een Frolic Diner nummer dat klinkt als een Chinese versie van Tequila van The Champs. The Starfires kruisen die Champs met surf in Chartreuse Caboose, een titel waarvan ik niet weet wat ie betekent: een "caboose" is een treinwagonnetje en chartreuse is een mooier woord voor geel-groen. Het nummer begint effectief met een vertrekkend treintje en dateert in ieder geval van twee jaar vòòr de gelijknamige filmkomedie. Er is nog meer surf met Penetration van The Pyramids en Devil Surf van Chiyo & the Crescents, en de surfers twisten in Move It (niet de Cliff Richard song) van The Chantays. Voor de liefhebbers is er sixties rock 'n' roll met Braggin' van Bob Moore & the Temps uit 1963 met mondharmonica en orgel, maar je kan er ook op jiven, al zullen de liefhebbers van bluesbop erop in het rond springen. Instrumentals hebben vaak een sleazy tintje en dat is hier het geval met het uptempo sax/gitaar werkje Ali-Baba van The Satellites sneller gespeeld dan The Champs, Brain Twist van The Brain Twist, Cheese Cake van The Nite Sounds en de striptease tune The Grunt van The Fifty Milers. Van Yeah van Johnnie & Jack & the Tennessee Mountain Boys verwacht je iets country-achtigs, maar nee hoor, ook al bevat het mandoline en twangy gitaar is het met zijn bongo'tjes en mambo ritme opnieuw een muzikale dubbelzinningheid die niet zou misstaan op Las Vegas Grind! Nog meer van dat: Disgusting van de Byron Gosh Group, een standaard medium tempo gitaarboogie met stops waarin iemand "disgusting" zegt. Hoe halen ze't in hun hoofd? Je kan je toch niet voorstellen dat iemand dacht dat dàt de manier was om een hit te scoren? En zei daar iemand overstuurd? Overstuurder gitaren dan het white rock klinkende Left Overs van Tiny Lyman & his Jukes zal je niet gauw vinden. Hoe dicht het allemaal bijeen hangt bewijst Woody Wagon van Manuel & the Renegades waarin je zowel surf, indianen als Link Wray hoort, en die laatste is zelf ook aanwezig met de dreigende Rumble variatie Slinky waarop verrassend genoeg een jazzy piano meedoet.
De CD is van alle markten thuis met zelfs een zydeco boogie op accordeon, The Big Wheel van Clifton Chenier, en een halve wereldbol verder het knettergekke Hawaiiaanse gefriedel meets square dans Aungalala van Jenks "Tex" Carman. De enige artiest die er twee keer opstaat is orgelist Ernie Freeman met de groovy uptempo jazzy sixties easy tune Hammond orgel workout Comin' Home Baby uit 1963 die zo in Austin Powers kon, een nummer origineel opgenomen door jazz drummer Dave Bailey in 1961. Zes weken later werd het gecoverd door Herbie Mann, en Mel Tormé haalde een jaar later de Top 40 met een gezongen versie. Freeman's Walking The Beat uit 1956 daarentegen is een meer standaard doch gezellige uptempo strollende saxofoon/piano/gitaar instrumental. Orgeltjes duiken ook op in het wat surfy Tarantula van The Tarantulas (een soort rustiger Telstar) en de alles geven rhythm 'n' blues big band swing jive Rock Rock Rock van het orkest van Willis ''Gator'' Jackson, uit 1952 notabene. Voor elks wat wilsch, gevariëerd maar wel erg goed, en met een licht overwicht van surf en sleaze. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Volume 5 already in this series and that means a fresh load of thirty instrumentals from 1952-1963 in every possible stylistic rock 'n' roll direction. The CD kicks off with Jerry Neal's Scratchy of which the guitar intro is reminiscent of Summertime Blues and the bass line of C'Mon Everybody. It was indeed composed by Eddie Cochran & Jerry Capeheart, the bass guitar was played by Connie "Guybo" Spith and Jerry Neal was an alias for Eddie Cochran's producer's Jerry Capeheart. After that typical Cochran intro a spacey guitar scratching to a jungle rhythm joins Earl Palmer on drums, and together it makes a good jiver for smart DJs. Another spacey guitar is Young John Watson's rhythm 'n' blues guitar playing against a deep honking saxophone in Space Guitar. Johnny "Guitar" Watson was certainly young back then, for in 1954 he was only 19. In 1977 he scored a hit with the funky A Real Mother For You and in 1996 he died of a heart attack live on stage in Japan aged 61. Also hidden in the corner where the blues boys hide we find Baby Boy Warren's harmonica workout Chicken and Dave Hamilton & his Peppers' R 'n' B guitar/sax horn packed Cooter Bug. The dice are rolling in The Losers' guitar rocker Snake Eyes, in Ad Lib The Galaxies play something Scottish on rock 'n' roll guitars, Carl Newman's Tom-Tom stands for distorted injuns on a 1:35 rockin' warpath, and oriental atmospheres are conjured up in Walkin' Charlie Aldrich & the Way Outers' Hot Sake, a Frolic Diner number that sounds like a Chinese version of The Champs' Tequila. The Starfires cross those Champs with surf in Chartreuse Caboose, a title that doesn't mean anything to me: a caboose is a railway wagon and chartreuse is a posh word for yellow-greenish. The tune does start with a departing train and in any case predates the film comedy of the same name by two years. There's more surf with The Pyramids' Penetration and Chiyo & the Crescents' Devil Surf, while the surfers go twistin' in The Chantays' Move It (not the Cliff Richard song). For those who dig it there's sixties rock 'n' roll courtesy of Bob Moore & the Temps' Braggin' from 1963 with harmonica and organ to which you can also jive, though blues bop lovers will be jumpin' around. Instrumentals often have a sleazy touch which is the case here with The Satellites' uptempo sax/guitar tune Ali-Baba played faster than The Champs, Brain Twist by The Brain Twist, Cheese Cake by The Nite Sounds and The Fifty Milers' striptease tune The Grunt. You 'd expect some stylish country from Johnnie & Jack & the Tennessee Mountain Boys' Yeah but nope, even though it contains mandolin and twangy guitar its bongos and mambo rhythms evoke another musical double entendre that wouldn't be out of place on Las Vegas Grind! More of the same: Disgusting by the Byron Gosh Group, a standard medium tempo guitar boogie with stops where someone says "disgusting". What were they thinking? Can you imagine anyone thinking that this was the way to score a hit? And did someone say distortion? You won't find more distorted guitars than Tiny Lyman & his Jukes' white rock sounding Left Overs. Just how closely related all these instros are is evidenced by Manuel & the Renegades' Woody Wagon in which you can hear surf, injuns and Link Wray, and the Linkster himself is present as well with the menacing Rumble variation Slinky on which surprisingly enough a jazzy piano joins in.
Like we said the CD showcases every possible stylistic rock 'n' roll direction with even a zydeco boogie on accordion thrown in, Clifton Chenier's The Big Wheel, and 4000 miles away Jenks "Tex" Carman's wacky Hawaiian picking meets square dance Aungalala. The only artist featured twice is organ player Ernie Freeman with the groovy uptempo jazzy sixties easy tune Hammond workout Comin' Home Baby from 1963 which wouldn't be out of place on an Austin Powers soundtrack. It was originally recorded by jazz drummer Dave Bailey in 1961, six weeks later Herbie Mann covered it, and one year later Mel Tormé made the Top 40 with a vocal version. Freeman's Walking The Beat from 1956 is in contrast a more standard yet cosy uptempo strolling saxophone/piano/guitar instrumental. Organs also pop up in the somewhat surfy Tarantula by The Tarantulas (kind of a slower Telstar) and the no holds barred rhythm 'n' blues big band swing jive Rock Rock Rock by Willis ''Gator'' Jackson's orchestra, incredibly enough dating from 1952. There's something for everyone here with a lot of variation but all very good, with a slight predominance of surf and sleaze. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

17 april 2024

ROCKS/ EDDIE BOND
Bear Family, BCD 17726
English version: see below

Geen slecht woord over Eddie Bond, maar de keren dat ik hem live zag had ik altijd het gevoel dat ie eerder een rockin' opa dan een rockin' daddy from ding dong Tennessee was: een vrij gezette man in een net pak met stropdas die duimendraaiend op zijn buikje zijn rock 'n' roll "hits" zong, hits tussen aanhalingstekens want een nationale hit heeft ie natuurlijk nooit gescoord. Bond was niet zozeer rock 'n' roll zanger als in de eerste plaats een zakenman die in de loop der tijden zijn eigen horecazaak en zijn eigen lokale TV show had (ooit een videotape daarvan gezien waarop hij reclame maakte voor tweedehands auto’s), radio DJ en zelfs een tijdje de lokale sheriff was. Máár: Eddie Bond was there when it happened, en was zelfs een van de weinige rockabilly zangers in Memphis die ook daadwerkelijk in Memphis geboren was. Zij het dat ie niet echt in de frontlijn zat: toen Bond na zijn herontdekking begin jaren '80 in de rock 'n' roll revival stapte om in Europa zijn oude werk te komen zingen kreeg hij gelijk de stempel "Sun artiest", maar ook dat was beperkt. Bond deed immers verschillende keren auditie bij Sun en nam er in 1957 en 1958 verschillende songs op waarvan toen nooit iets is uitgebracht (op deze CD staan Broke My Guitar (alsmede de Boo Bop Da Caa Caa heropname op Stomper Time uit 1959), This Old Heart Of Mine en de country ballade Show Me). In 1962 bracht hij op Sun sublabel Phillips International de LP Sings Greatest Country Gospel Hits (waarvan op deze CD het nummer Satisfied staat) uit, maar ik weet niet zeker of die zoals de hoesnota’s vermelden werd opgenomen in de Sam Phillips Studio op Madison Avenue 639, want ik heb ook al gelezen dat het in de Echo Recording Studio gelegen North Manassas Avenue 14 in Memphis was. In elk geval nam bij die gelegenheid tussen de gospels door ook een paar toen onuitgebracht gebleven rock 'n' roll songs op waarvan op deze CD een heropname van Rockin' Daddy, Big Boss Man zonder het op sommige releases achteraf toegevoegde achtergrondkoortje en de country rocker I Can't Quit staan. Nee, Bond's reputatie berust niet op zijn Sun opnames maar in essentie op zes songs die hij in 1956 opnam en uitbracht op Mercury Records, te weten het verschroeiende Slip Slip Slippin' In, het rockende Rockin' Daddy, het intense Boppin' Bonnie, zijn rock 'n' roll cover van Ray Charles' I Got A Woman, het bluesy Baby Baby Baby (What Am I Gonna Do) en het medium tempo maar niet minder indringende Flip Flop Mama, en zelfs in die nummers hoor je zijn country roots. Vòòr deze opnames had ie immers al twee country singles uitgebracht waarvan Talking Off The Wall en Love Makes A Fool (Every Day) uit 1955 op deze CD staan - Rockin' Daddy heeft trouwens een solo op steel gitaar. De rest van zijn output is gezellige en gezapige, maar daarom niet minder geslaagde rock 'n' roll waarin je regelmatig de invloed van gospel hoort, ik noem Look Like A Monkey en Candy Kisses. Nu we empirisch hebben vastgesteld dat Eddie Bond niet de wildste of meest revolutionaire rocker aller tijden was, dienen we toe te geven dat ie een geweldige neus voor talent en kwaliteit had. In zijn band The Stompers speelde bijvoorbeeld de piepjonge gitarist Reggie Young, en hij had vaak Elvis pré-Sun als gastzanger in The Stompers. Die neus voor kwaliteit betekent dat zo goed als al zijn opnames, en hij heeft er in de jaren véél gemaakt, consistent kwalitatief hoogstaand zijn, en dat geldt zeker voor de 35 tracks op deze Rocks. Het zijn nagenoeg allemaal uptempo country songs op de grens van de rock 'n' roll met een honky tonk piano, een rollende beat en een gedreven, euh, drive, en daarmee in essentie niet veel verschillend van de sound van Love Makes A Fool (Every Day), in 1955 een van zijn allereerste opnames. Eddie Bond heeft altijd aan die stijl en sound vastgehouden, en daardoor zijn ook zijn opnames uit de jaren '60 en '70 tot begin jaren '80 (Gonna Rock My Baby Tonight met de band van Dave Travis uit 1982) de moeite waard, en die beslaan bijna de helft van de CD. Ja, zelfs midden jaren '60 maakte Bond muziek waar niets op af te dingen valt, zoals Here Comes The Train, Look Like A Monkey (de ongedubde versie) en de honky tonk piano swinger Monkey Business. Daar zitten veel covers tussen van zowel rock 'n' roll klassiekers (Memphis Tennessee, Blue Suede Shoes, Long Tall Sally, Tore Up) als minder bekend werk (Hey Joe van Carl Smith, One Way Ticket van Bobby Crown, een country rock/ rockabilly cover van Hank Williams' Fool About You, Lattie Moore's Juke Joint Johnnie), en veel van die nummers vonden later hun weg naar labels als Stomper Time (GB), Rockhouse (NL) en Rarity (NL). Toch is niet alles op deze CD rock 'n' roll: de "originally unissued alternative" take van When The Juke Box Plays die voor het eerst verscheen in 1992 op Bond's Rockin' Daddy comp op Dave Travis' Stomper Time label (Travis kocht het label dat van Eddie Bond zelf was over) is een country honky tonker, I Can't Quit en Running Drunk zijn countryrock met honky tonk piano en zoals reeds vermeld is Show Me een country ballade. Eén nummer, een cover van Shirley & Lee's Let The Good Times Roll met cajun fiddle, wordt niet gezongen door Eddie Bond maar door Cousin Bo-Jack, zijn part-time bassist in de tweede helft van de jaren '60. Er zijn in de loop der jaren veel verzamelalbums van Eddie Bond verschenen, maar voor wie zijn rock 'n' roll graag met een dosis country en piano heeft is deze Rocks zeker een van de beste. Het booklet van 40 pagina’s is een extra troef. Bear Family bracht vorig de 14 track 10 inch Talking Off The Wall uit waarvan alle 14 nummers op deze CD staan. Op de bijhorende 25 track CD stonden 16 Eddie Bond songs die ook op Rocks staan en 9 covers van songs geassocieerd met Eddie Bond gezongen door andere artiesten, maar die staan natuurlijk niét op Rocks. Eddie Bond stierf in 2013 op 79-jarige leeftijd aan Alzheimer. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

You'll never hear me say a bad word about Eddie Bond, but every time I saw him live I always felt he was more of a rockin' grandfather than a rockin' daddy from ding dong Tennessee: an overweight man in suit and tie singing his rock 'n' roll "hits", hits in inverted commas because he never scored a national hit. Bond was not so much a rock 'n' roll singer as first and foremost a businessman who throughout the years ran his own nightclub and had his own local TV show (I once saw a videotape of it where he advertised used cars), was a radio DJ and even the local sheriff for a while. Yet Eddie Bond was there when it happened, and he was even one of the few rockabilly singers in Memphis actually born in Memphis. Nevertheless he was never in the frontline, and when Bond after his rediscovery in the early eighties very quickly took part in the rock 'n' roll revival and flew over to Europe to sing his old songs he was often billed as a "Sun artist", it was a bit of a stretch: Bond did audition several times at Sun and recorded several songs there in 1957 and 1958, but nothing was released at the time (this CD includes Broke My Guitar (as well as its 1959 Stomper Time re-recording titled Boo Bop Da Caa Caa), This Old Heart Of Mine and the country ballad Show Me). In 1962 he released the LP Sings Greatest Country Gospel Hits (this CD features the song Satisfied) on Sun sublabel Phillips International but I'm not sure if it was recorded at the Sam Phillips Studio at 639 Madison Avenue like the sleeve notes state, as I've also read that it was recorded at the Echo Recording Studio located 14 North Manassas Avenue in Memphis. Anyway, in between those gospels he also recorded a couple of then unreleased rock 'n' roll songs of which this CD features a re-recording of Rockin' Daddy, Big Boss Man without the backing chorus overdubbed on some releases afterwards, and the country rocker I Can't Quit. No, Bond's reputation rests not on his Sun recordings but basicy on six songs that he recorded and released on Mercury Records in 1956: the scorching Slip Slip Slippin' In, the rockin' Rockin' Daddy, the intense Boppin' Bonnie, his rock 'n' roll cover of Ray Charles' I Got A Woman, the bluesy Baby Baby Baby (What Am I Gonna Do) and the medium tempo but no less stinging Flip Flop Mama, and even in those songs you can hear his country roots - before these recordings he had already released two country 45s of which Talking Off The Wall and Love Makes A Fool (Every Day) from 1955 are on this CD, and Rockin' Daddy even has a solo on steel guitar. The rest of his output is cosy and relaxed but expertly executed rock 'n' roll in which you sometimes hear the influence of gospel, just listen to Look Like A Monkey and Candy Kisses. Yet while having empirically established that Eddie Bond was not the wildest or most revolutionary rocker of all time, we must admit that he had a great nose for talent and quality. His band The Stompers for instance featured a very young Reggie Young on guitar, and he often had Elvis pré-Sun sitting in as guest singer. That nose for quality means that pretty much all of his recordings, and he made a lot of them over the years, are of a consistently high quality, which is certainly true of the 35 tracks on this Rocks CD. Almost all of them are uptempo country songs on the edge of rock 'n' roll with honky tonk piano, a rollicking beat and a good drive, and thus essentially not much different from the sound of Love Makes A Fool (Every Day), one of his very first recordings in 1955. Eddie Bond always stuck to that style and sound, and as a result his recordings from the sixties and seventies up to the early eighties (Gonna Rock My Baby Tonight with Dave Travis' band from 1982) are also worthwhile, and these make up almost half of the CD. Yes, even in the mid-sixties Eddie Bond recorded some mighty fine music, such as Here Comes The Train, Look Like A Monkey (the undubbed version) and the honky tonk piano swinger Monkey Business. Among these we find many a cover of both rock 'n' roll classics (Memphis Tennessee, Blue Suede Shoes, Long Tall Sally, Tore Up) as well as lesser known song material (Carl Smith's Hey Joe, Bobby Crown's One Way Ticket, a country rock/ rockabilly cover of Hank Williams' Fool About You, Lattie Moore's Juke Joint Johnnie), and many of these later found their way onto labels like Stomper Time (GB), Rockhouse (NL) and Rarity (NL). Not everything on this CD is rock 'n' roll however: the "originally unissued alternative" take of When The Juke Box Plays that first appeared in 1992 on Bond's Rockin' Daddy comp on Dave Travis' Stomper Time label (Travis bought the label from Eddie Bond himself) is a country honky tonker, I Can't Quit and Running Drunk are country rock with honky tonk piano and as already mentioned Show Me is a country ballad. One song, a cover of Shirley & Lee's Let The Good Times Roll with cajun fiddle, is not sung by Eddie Bond but by Cousin Bo-Jack, his part-time bass player in the second half of the sixties. There have been many Eddie Bond compilations over the years, but if you dig rock 'n' roll with a pinch of country and piano then this Rocks ranks among the best of them, with the 40 page booklet a great plus. Bear Family recently released the 14 track Eddie Bond 10 inch Talking Off The Wall of which all 14 songs are on this CD. The bonus 25 track CD contained 16 Eddie Bond songs that are also on Rocks and 9 covers of songs associated with Eddie Bond sung by other artists, but these are obviously not featured on Rocks. Eddie Bond died from Alzheimer's in 2013 at the age of 79. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


GET A HAIRCUT/ MAX MERRITT &THE METEORS
Rockstar, RSR50105
English version: see below

De foto op de hoes van deze 10 inch en CD is zo knap gemaakt dat ik dacht dat Max Merritt een hedendaagse artiest was. Dat blijkt helemaal fout: de opnames van Max Merritt & the Meteors, een van de eerste rock 'n' roll bands in New Zealand, dateren van 1959-1963. Dit onderstreept eens te meer het niet te onderschatten belang van een fatsoenlijke art designer, in dit geval de Braziliaan Dayvk Martins. Deze CD bevat alle vroege opnames van Max Merritt tot 1963 en dat zijn zes singles + de 12 track LP C'Mon Let's Go uit 1960 met enkel covers van andermans hits waar ondanks de LP titel Come On Lets Go van Ritchie Valens niet tussen staat.
Titeltrack Get A Haircut is een knap staaltje desperate rock 'n' roll waarvan je je afvraagt hoe het komt dat het nooit de Desperate Rock 'n' Roll LP reeks heeft gehaald: een dreigende sfeer, een piepende saxofoon en een tekst over dat je je van je ouders je haar moet laten knippen. Ook knap: bruisende, ongebreidelde nummers als Kiss Curl en Shine That Ring. Merritt nam nogal wat covers op, maar die mogen er zeker zijn door de Eddie Cochran-achtige gemeenheid in zijn stem (Dixieland Rock van Elvis, Hallelujah I Love Her So in Eddie Cochran stijl) en de alles geven rock 'n' roll attitude tentoongespreid door de muzikanten waarin gitaar, sax en piano strijden om de aandacht, een rommelige sound die ervoor zorgt dat zelfs ballades als I Was The One van Elvis en Little Angel van Eddie Cochran en teen songs als Mr. Loneliness van Gene Vincent street credibility krijgen. Ook Sea Cruise van Frankie Ford, Weekend van Eddie Cochran en The Way I Walk van Jack Scott maken een goeie beurt, net als de uptempo rechtdoor rock 'n' roll versie van I'll Take You Home Again Kathleen, een nummer waarvan de eerste opname dateert van 1907 en dat later nog werd opgenomen door Elvis. Ook van Tennessee Waltz maakt Max Merritt rock 'n' roll, zij het meer swamp pop dan wild. Minder bekende songs die gecoverd worden zijn If You Want My Lovin' (Gene Vincent, 1961) en Sun Records 306, het voor Sun opvallend gestroomlijnde Diamond Ring van Jimmy Isle, misschien bekender van Adam Faith's violenversie. Met de Dave Sampson & the Hunters cover Easy To Dream zitten we in de teen rock die erg British klinkt, en het instrumentale Too Much Tequila van The Champs blijft uiteraard een zatte bedoening. Teen Beat van Sandy Nelson klinkt opwindender, net als de eigen gitaarinstro Soft Surfie. The Slow One is een typische medium tempo Shadows ballad, Cossack, de vijfde instrumental op de CD, is opnieuw The Shadows maar dan Russisch aandoend uptempo galopperend. Eerder grappig dan goed maar door het je m'en foutisme toch wel weer goed is het platte You Made Me Love You, een ander stokoud nummer (de oudste bekende opname dateert van 1913), u misschien bekend in de versies van Screaming Jay Hawkins, Paul Anka, Connie Francis of Patsy Cline. Het buitenbeentje is de Ral Donner cover She's Everything (I Wanted You To Be), pop uit 1963 waarin je duidelijk de invloed van The Beatles hoort in plaats van Donner's Elvis intonatie. Op de dubbel-CD Volume 5/6 van de Collector reeks Early Rock & Roll From New Zealand stonden destijds heel wat nummers van Max Merritt & the Meteors, maar hier zijn ze hermasterd. Voor velen onder u zal dit een ontdekking zijn en voor de DJs zitten er een aantal prima jivers tussen als Sea Cruise en C'Mon Everybody. Tien van de 24 tracks verschenen apart op 10 inch vinyl RSR50104 en bij die 10 inch steekt gratis de CD bij. Merritt is altijd actief gebleven als artiest en overleed in 2020, het jaar waarin nog een nieuw album van hem verscheen. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

The picture on the cover of this 10 inch and CD is so well done that I thought Max Merritt was a contemporary artist, which turns out to be completely wrong: these recordings of Max Merritt & the Meteors, one of the first rock 'n' roll bands in New Zealand, date from 1959-1963. Just goes to show how important a decent art designer is, in this case Dayvk Martins from Brasil. This CD contains all of Max Merritt's early recordings up to 1963: six 45s + the 12 track LP C'Mon Let's Go from 1960 which only contained covers of other artists' hits, and despite the LP title Ritchie Valens' Come On Lets Go is not one of them.
Title track Get A Haircut is a clever piece of desperate rock 'n' roll that makes you wonder why it never made it onto the Desperate LP series: a menacing atmosphere, a squeaky saxophone and lyrics about your parents forcing you to cut your hair. Also clever are vibrant, unbridled songs like Kiss Curl and Shine That Ring. Merritt recorded quite a few covers but they do stand out because of the Eddie Cochran-like meanness in his voice (Elvis' Dixieland Rock, Hallelujah I Love Her So done Cochran style) and because of the no holds barred rock 'n' roll attitude exhibited by the musicians whose guitar, sax and piano vie for attention, a messy sound that ensures that even ballads like Elvis' I Was The One by Elvis and Eddie Cochran's Little Angel and teen rock songs like Gene Vincent's Mr. Loneliness have street credibility. Frankie Ford's Sea Cruise, Eddie Cochran's Weekend and Jack Scott's The Way I Walk are also expertly sung and played, just like the uptempo straight ahead rock 'n' roll version of I'll Take You Home Again Kathleen, a song of which the first recording dates back to 1907 and which was later recorded by Elvis. Max Merritt also turns Tennessee Waltz into rock 'n' roll, albeit more swamp pop than wild. Lesser known covers are If You Want My Lovin' (Gene Vincent, 1961) and Sun Records 306, Jimmy Isle's for Sun remarkably streamlined Diamond Ring, perhaps better known in the string arrangement of Adam Faith's version. The Dave Sampson & the Hunters cover Easy To Dream is very British sounding teen rock and the Champs' instrumental Too Much Tequila sounds drunk as usual. Sandy Nelson's Teen Beat sounds more exciting, as does the band's own guitar instro Soft Surfie. The Slow One is a typical medium tempo Shadows ballad, Cossack, the fifth instrumental on the CD, is again The Shadows but this time Russian sounding in an uptempo gallop. More funny than good but by thanks to its carefree atmosphere nonetheless still OK is the flat You Made Me Love You, another oldie (the oldest known recording dates from 1913) that you may be familiar with because of the versions by Screaming Jay Hawkins, Paul Anka, Connie Francis or Patsy Cline. The odd one out is the Ral Donner cover She's Everything (I Wanted You To Be), 1963 pop influenced more by The Beatles than by Elvis soundalike Ral Donner. The double CD Volume 5/6 of the Collector series Early Rock & Roll From New Zealand featured quite a few songs by Max Merritt & the Meteors at the time, but here they have been re-mastered. For many of you this will be a discovery and for the DJs there's some mighty fine jivers among the lot like Sea Cruise and C'Mon Everybody. Ten of the 24 tracks appeared separately on 10 inch vinyl RSR50104, an album that also contains the CDat no extra charge. Merritt always remained active as an artist and died in 2020, the year in which he released his final album. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

10 april 2024

THE PINEAPPLE PARADE/ SANT ANNA BAY COCONUTS
Surf Cookie Records, SC042
English version: see below

Derde album van de band die zich noemde naar het Antwerpse Sint-Anna strand, in de jaren '50 een pleisterplaats vol vrolijk vertier voor menig Sinjoor. Opener Pacifica (naar analogie met surf titels als Intoxica zou je denken dat het een cover is, maar 't is wel degelijk een eigen compositie, net als twaalf van de veertien tracks) is gelijk een sterk staaltje surftwang, melodieus maar met een dreigende ondertoon, klassiek van structuur en opbouw maar met pizzicato stukken, zwaardere stukken en elementen uit flamenco, boordevol melodie- en tempowisselingen die het hele album kenmerken. Daarnaast komt er twee keer Squad Car-gewijs een sirene om het hoekje loeien. Ook Habanero Y Piña echoot exotische bestemmingen, zij het ondanks de Mexicaanse titel eerder Oost-Europeana gemixt met cumbia. Op No Pizza On My Pineapple kan je kasatchokken, maar desgewenst evengoed een Italiaanse parlando à la Louis Prima in herkennen - om maar te zeggen hoe gevarieerd de melodietjes zijn die Sant Anna Bay Coconuts uit hun luipaardmouwen schudden. E 4-Ever opent met een rustig stukje akoestische gitaar om te evolueren naar dromerige, melancholieke Mexicaanse spaghetti surf, hetzelfde soort soundscape dat opgeroepen wordt in het begin van het van spoken word fragmenten en extra gehoest voorziene High In The Mountains dat al snel het tempo vrolijk galopperend opdrijft. U het het liever wat harder? U vraagt, Sant Anna Bay Coconuts draaien, en dan zijn La Jolla, Surfing Carpet, Liquid Walls en het gemene Taquiria Diabolica voor u. Ook Egg Burrito N° 4 dat Mexicaanse dialoogfragmenten bevat is heviger, urgenter en fanatieker, maar de melodie blijft zoals altijd centraal staan. De twee covers zijn een twangier heropname van het dromerige Satanica Pandemonia, de instrumentale versie van het gezongen After Dark van Tito & Tarantula uit de film From Dusk Till Dawn (Salma Hayek in bikini die danst met een albino Burmese python) die in 2020 op de B-kant van hun debuutsingle Exorcism stond, en de Finse traditional Tiki Polka, inderdaad een polka, zij het zonder hoempapa.
Ik ga hier niet alle nummers analyseren, maar zonder af te willen dingen op de merites van hun eerste twee albums durf ik stellen dat de Fendermensen van Sant Anna Bay Coconuts zich met deze release kunnen meten met het beste uit de Europese surf scene. The Pineapple Parade bewijst dat Harbor City Surfing uit 2021 en Wheels And Waves uit 2022 geen toevalstreffers waren en Sant Anna Bay Coconuts een blijvertje zijn. Er is een vinyl versie beschikbaar (zelfde bestelnummer) geperst op 300 stuks niet-uniform multicolor vinyl, wat betekent dat de kleur van elke plaat uniek is. Je kan je exemplaar uploaden op Facebook, en daar zie ik allerlei schakeringen van rood en lichtblauw. Info: www.santannabaycoconuts.bandcamp.com and www.surfcookierecords.bandcamp.com
(Frantic Franky)

Third album by the band that named itself after Saint Anna Beach on Antwerp's left bank, in the 1950s a haven of merry amusement for many a local. Right away opening track Pacifica (by analogy with surf titles like Intoxica you'd think it's a cover, but 't is in fact one of the twelve out of fourteen tracks they wrote themselves) is a strong example of surf twang, melodic yet with menacing undertones, classic in structure and build-up but with pizzicato pieces, heavier parts and elements of flamenco, full of the melody and tempo changes that characterise the whole album. A police siren also comes bellowing around the corner twice Squad Car-style. Habanero Y Piña also echoes exotic destinations, but this time despite its Mexican title rather Eastern Europeana mixed with cumbia. You can dance the casatchock to No Pizza On My Pineapple, but should you wish you can just as easily hear an Italian parlando à la Louis Prima in it - goes to show the variation of the tunes dreamt up by these leopard clad surfers. E 4-Ever starts with some quiet acoustic guitar that evolves into dreamy, melancholic Mexican spaghetti surf, the same type of soundscape evoked at the beginning of High In The Mountains which features spoken word fragments and extra coughing and soon happily gallops up the tempo. You prefer your surf a bit louder? You ask and Sant Anna Bay Coconuts deliver La Jolla, Surfing Carpet, Liquid Walls and the vicious Taquiria Diabolica. Egg Burrito N° 4 which contains Mexican dialogue fragments is also fiercer, more urgent and fanatical, but as always the melody takes center stage. The two covers are a twangier re-recording of the dreamy Satanica Pandemonia, the instrumental version of Tito & Tarantula's vocal number After Dark from the film From Dusk Till Dawn (Salma Hayek in bikini dancing with an albino Burmese python) which in 2020 was the flipside of their debut 45 Exorcism, and the Finnish traditional Tiki Polka, indeed a polka, albeit without Bavarian oompah.
I am not going to analyse all the tracks here, but without wanting to diminish the merits of their first two albums I dare say that this release can compete with the best the European surf scene has to offer. The Pineapple Parade proves that 2021's Harbor City Surfing and 2022's Wheels And Waves were no fluke and the Fendermen and -woman on drums of Sant Anna Bay Coconuts are here to stay. A limited vinyl version (same order number) is available of 300 LP’s pressed on non-uniform multicolour vinyl, which means that the colour of each record is unique and slighty different. You can upload your copy on Facebook, where I see different shades of red and light blue. Info: www.santannabaycoconuts.bandcamp.com and www.surfcookierecords.bandcamp.com (Frantic Franky)


GENERATION ROCK N' ROLL/ THE NUT JUMPERS
Rhythm Bomb, RBR 6019
English version: see below

Tweede album van de Frans-Britse gelegenheidsformatie The Nut Jumpers, het trio bestaande uit Hervé Loison alias Jake Calypso (zang, bas), drummer Ricky Lee Brawn (The Stargazers, The Big Six, The Space Cadets, noem ze maar op) en op gitaar Brawn's echtgenote Helen Shadow, vaak te zien en te horen aan Brawn's zijde en in het verleden actief in haar eigen bands als The Queen B's. Van het eerste Nut Jumpers album, Boogie In The Shack (RBR 5879) uit 2018 intussen, een mengeling van strolls, garagerock en songs die het midden hielden tussen rockabilly boppers en bluesbop, was ik ondanks een paar goeie nummers als Pandit en Blow Your Top ten spijt (toevallig de instrumentals?) niet onder de indruk: te rommelig, te veel het ongefilterd repetitie/jam sfeertje van een album dat in één weekend is opgenomen, te veel een "so bad it's gotta be good" attitude. Ik heb Boogie In The Shack dan ook niet gerecenseerd destijds. Deze opvolger recenseer ik wel want hoewel hij waarschijnlijk ook in één of twee weekends is ingeblikt, is ie veel consistenter. Het blijft wild en bij momenten chaotisch (de uptempo striptease grinder Miss Pussy) en Hervé Loison blijft jodelen, knorren en snurken, maar het is beter gespeeld en sommige van de dertien nummers zijn zonder meer geslaagde melodieuze rock 'n' roll, bijvoorbeeld How Could You Be So Cruel, het Crickets/Bobby Fuller Four geïnspireerde So Good So Good en Pearly Doll Got Married, de jiver I Ain't Messin' Around, de dromerige wat country-achtige rockaballad I'll Be Just Fine en de Brits klinkende exotische jaren '60 gitaarinstrumental Timeless. Back In Black is een uitstekend klinkende strakke rockabillybopper gekenmerkt door de geprononceerde backbeat van Ricky Lee Brawn die knalt als vuurwerk, een dansvloermagneet zoals er in de jaren '90 elke week wel een nieuwe werd gelanceerd. Don't Know Where I'm Goin' is dan weer de Sun sound ten tijde van Love My Baby. Nog een verschil is dat er nu meer nummers gezongen worden door Helen Shadow: was op Boogie In The Shack de verhouding pakweg één door Helen Shadow gezongen nummer op drie nummers gezongen door Hervé Loison, is dat nu evenredig verdeeld. Shadow is nog steeds niet bepaald een Judy Garland, net zoals Hervé Loison geen Caruso is, maar zolang ze gewoon zingt gaat het nog. Van zodra ze echter haar platte Blimey O'Reilly cockney accent bovenhaalt lijkt dat eerder een gimmick in uptempo strolls als Chickies. Gelukkig doet ze dat dus niet in alle songs! Alle dertien nummers zijn wat mij betreft goed tot heel goed en daar staat één cover tussen van het in het Frans gezongen A Plein Coeur, één van die gedreven rock 'n' roll songs van God in Frankrijk Johnny Hallyday uit begin jaren '60. Binnenkort zou dit album verschijnen op 10 inch vinyl met bestelnummer RBR 5966. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Second album by the French-British cooperative The Nut Jumpers, the trio consisting of Hervé Loison aka Jake Calypso (vocals, bass), drummer Ricky Lee Brawn (The Stargazers, The Big Six, The Space Cadets, you name 'em) and on guitar Brawn's wife Helen Shadow, often seen and heard at his side and in the past rockin' in her own bands like The Queen B's. In 2018 I was not impressed with the first Nut Jumpers album, Boogie In The Shack (RBR 5879), a mixture of strolls, garage rock and songs in between rockabilly boppers and blues bop. Despite a couple of decent tracks like Pandit and Blow Your Top (coincidentally the two instrumentals?) I still feel that their debut sounded too messy, displaying the unfiltered rehearsal/jam atmosphere of an album recorded in one weekend with too much of a "so bad it's gotta be good" attitude. I choose not to review Boogie In The Shack at the time, but I do review this follow-up for even though it was probably recorded over the course of one or two weekends as well it's much more consistent. It's still pretty wild and at times chaotic (the uptempo striptease grinder Miss Pussy) and Hervé Loison keeps yodeling and snorting and squealing along, but the musicianship and the playing is better and some of the thirteen songs are well executed melodic rock 'n' roll, for example How Could You Be So Cruel, the Crickets/Bobby Fuller Four-inspired So Good So Good and Pearly Doll Got Married, the jiver I Ain't Messin' Around, the dreamy somewhat country-styled rockaballad I'll Be Just Fine and the British sounding exotic sixties guitar instrumental Timeless. Back In Black is an excellent sounding tight rockabilly bopper characterised by Ricky Lee Brawn's pronounced backbeat exploding like fireworks, a dancefloor magnet like there used to be a new one every week back in the nineties. Don't Know Where I'm Goin' on the other hand is the Sun sound at the time of Love My Baby. Another difference is that more tracks are sung by Helen Shadow: on Boogie In The Shack the ratio was roughly one song sung by Helen Shadow to three songs sung by Hervé Loison, this time it's like fifty/fifty. Shadow is still no Judy Garland, just as Hervé Loison is no Caruso, but as long as she sticks to just singing, it's OK. As soon as she uses her Blimey O'Reilly cockney accent however it seems to become more like a gimmick in uptempo strolls like Chickies. Lucky thing she doesn't do this in all the songs! To my taste all thirteen songs range from good to very good, among them being one cover, the French song A Plein Coeur, one of those driven rock 'n' roll songs by French rock 'n' roll god Johnny Hallyday from the early 1960s. Expect this album to be soon out on 10 inch vinyl with order number RBR 5966. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

3 april 2024

WHIP MASTERS INSTRUMENTALS VOLUME 4
Atomicat, ACCD134

Ik heb altijd een zwak gehad voor instrumentals. De instrumental benadert mijn inziens de essentie van de rock 'n' roll omdat de zang niet langer ter zake doet en alles zich 100 % concentreert op de melodie en het arrangement. Een instrumental hoeft zelfs niet noodzakelijk een melodie of een arrangement te hebben: sommige van de allerbeste rock 'n' roll instrumentals zijn niet meer dan een riff, een hook of gewoon maar ritme. In deze reeks brengt samensteller Mark Armstrong er telkens 30 bij elkaar in alle mogelijke stijlrichtingen, wat opnieuw een heel gevarieerde maar boeiende CD oplevert met voor de toegankelijkheid een aantal semi-bekende nummers zoals Jet Tone Boogie van The Jet Tones, The Beat van The Rockin' R's, de vlotte gitaarinstrumental Flying High van Bobby Vee & the Shadows (Vee's debuutsingle), de gitaar/drums afwisseling Taylor's Rock van Bob Taylor & the Counts, het dreigende gitaar/sax Boss van The Rumblers (Caterpillar Crawl van The Strangers klinkt als Boss trager gespeeld), nog meer gitaar/sax met Midnight Express van The Dawnbeats en de onwaarschijnlijke bopper Twitchy van orkestleider René Hall met Willie Joe Duncan op zijn zelf uitgevonden handgemaakte éénsnarige unitar gitaar die je ook kan horen in Cherokee Dance van Bob Landers dat hier uiteraard niet opstaat wegens gezongen. Eén rock 'n' roll subgenre was volledig instrumentaal en dat was de surf. Voorbeelden hier zijn de supersonische gitaarrocker getiteld Rocker van The Montereys, het alles omver blazende Shaften van The Corvettes with Bill Duzan, en de Dick Dale cover Let's Go Trippin' door The Hot Doggers. De meeste nummers volgen de gitaar al dan niet cum sax methode (Thunderbolt van Johnny & the Hurricanes), andere stijlen maar even instrumentaal zijn zwarte blues rock 'n' roll met Lazy Lester (Lester's Stomp, mondharmonica bovenop een uptempo rock 'n' roll gitaarboogie), gepolijste bluegrass met Bill Monroe's Wheel Hoss, en western swing meets Hawaiiana met de gestroomlijnde steel gitaar/fiddle van Red Wing van Little Jimmy Dickens & the Country Boys, nummer dat u misschien kent als de vokale rockabilly Rockin' Red Wing van Sammy Masters. In het piano Haunted By Repetition van The Glenrays steekt exotica de kop op. Link Wray levert de voor zijn doen swingende gitaarjiver Turnpike USA af, en Bumbershoot van Phil Harvey (pseudoniem voor Phil Spector) is nog zo'n heerlijke gitaarjiver. Dave "Baby" Cortez kennen we van The Happy Organ en Rinky Dink maar zijn Hurricane hier koppelt een groovy funkend Hammond orgel aan rock 'n' roll en veel percussie op bongos. Even groovy maar nu vooral op piano en blazers is Spanky van Gus Jenkins, en The Squat van sax god Big Jay McNeely anno 1961 is in tegenstelling tot wat je redelijkerwijs mag verwachten geen sax stomper maar funky orgel in een uptempo Vegas Grind setting, subgenre waartoe je ook Dynamite van Earl Hooker mag rekenen, geen bluesgitaar maar orgel, piano en saxofoon. Het funkiest aller orgels was dat van Booker T en als hij met zijn MGs Twist And Shout onder handen neemt weet u waaraan u zich mag verwachten. Duane Eddy, een van de grote instrumentale helden, staat niet op de CD maar zijn invloed laat zich horen in de indianenbopper Arroongah van Jeujene & the Jaybops. De gitaar instro Twang van The Rhythm Rockers klinkt echter meer Link Wray dan Duane Eddy. Wildcat van The Nite Caps is een wilde white rock rock 'n' roll gitaar/sax boogie met de verplichte drumroffel stops, Knocked Out van Ernie Fields klinkt als een instrumentale kruising tussen Good Golly Miss Molly en Dizzy Miss Lizzy en werd inderdaad geschreven door componist Ernie Marascalco die Good Golly Miss Molly op zijn naam heeft. Vreemde eend in de bijt is The Stripper, het bekende striptease nummer van David Rose hier gespeeld door Ernie Freeman, wegens meer ragtime dixieland als rock 'n' roll. Alles komt uit de periode 1955-1963, de hoogdagen van de instrumental, en ik kan er eindeloos naar blijven luisteren. Merci, Mark Armstrong! Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

I always had a soft spot for instrumentals. In my opinion the instrumental is like the epitome of rock 'n' roll because the vocals are no longer relevant and everything comes 100 down to melody and arrangement. There's more: an instrumental doesn't even necessarily have to have a melody or an arrangement: some of the best rock 'n' roll instrumentals are nothing more than a riff, a hook or just rhythm. In this series compiler Mark Armstrong brings 'em all together 30 at a time showcasing all possible stylistic directions, and once again this makes for a very varied but excellent CD which to enhance its accessibility includes several semi-familiar tracks like The Jet Tones'Jet Tone Boogie, The Rockin' R's' The Beat, Bobby Vee & the Shadows' streamlined guitar instrumental Flying High (Vee's debut45), Bob Taylor & the Counts" guitar/drums alternating Taylor's Rock, The Rumblers' menacing guitar/sax Boss (Caterpillar Crawl by The Strangers sounds like Boss played slower), more guitar/sax with The Dawnbeats' Midnight Express and band leader René Hall's outrageous bopper Twitchy starring Willie Joe Duncan on the handmade one-string unitar guitar he invented which you can also hear on Bob Landers' Cherokee Dance, a track not on the CD as its vocal. The only entirely instrumental rock 'n' roll subgenre was surf music, exemplified here with The Montereys' supersonic guitar rocker titled Rocker, the blazing Shaften by The Corvettes with Bill Duzan, and the Dick Dale cover Let's Go Trippin' by The Hot Doggers. Most songs follow the guitar with or without sax formula (Thunderbolt by Johnny & the Hurricanes), other styles but instrumental too are black blues rock 'n' roll with Lazy Lester (Lester's Stomp, harmonica on top of an uptempo rock 'n' roll guitar boogie), polished bluegrass with Bill Monroe's Wheel Hoss, and western swing meets Hawaiiana with the slick steel guitar/fiddle of Little Jimmy Dickens & the Country Boys' Red Wing, a tune you may know in the form of Sammy Masters' vocal rockabilly Rockin' Red Wing. Exotica turns up in The Glenrays' piano Haunted By Repetition. Link Wray offers the remarkably swinging guitar jiver Turnpike USA, and Bumbershoot by Phil Harvey (pseudonym for Phil Spector) is another delicious guitar jiver. Dave "Baby" Cortez is famour for The Happy Organ and Rinky Dink but Hurricane here pairs a groovy funky Hammond organ with rock 'n' roll and lots of bongo percussion. As groovy but this time concentrated on piano and brass is Gus Jenkins' Spanky, while sax god Big Jay McNeely's The Squat from 1961 is contrary to what one might reasonably expect not a sax stomper but funky organ in an uptempo Vegas Grind setting, subgenre to which also Earl Hooker's Dynamite belongs, not blues guitar but organ, piano and saxophone. The funkiest of all the organs was played by Booker T and when he and his MGs turn take on Twist And Shout you know what to expect. Duane Eddy, one of the great instrumental heroes, is not on the CD but his influence can be heard in Jeujene & the Jaybops' injun boppin' Arroongah. The Rhythm Rockers' guitar instro Twang however owes more to Link Wray than to Duane Eddy. The Nite Caps' Wildcat is a wild white rock guitar/sax boogie with the obligatory drum roll stops, Ernie Fields' Knocked Out sounds like an instrumental cross between Good Golly Miss Molly and Dizzy Miss Lizzy and was indeed composed by Ernie Marascalco who wrote Good Golly Miss Molly. The odd one out is The Stripper, David Rose's famous striptease number played here by Ernie Freeman, for being more ragtime dixieland than rock 'n' roll. Everything is from 1955-1963, the heyday of the instrumental, and I could listen to it forever. Kudos, Mark Armstrong! Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


BLUES MEETS DOO-WOP VOL. 2
Koko Mojo, KM-CD 195
English version: see below

Volume 1 viel reuze mee, dus laten we ook Volume 2 proberen. Opener Somebody Changed The Lock van Champion Jack Dupree with The Empires is al meteen een mooi voorbeeld van waar het in deze reeks om draait: prima doo-wop, maar denk die doo-wop backings eraf en je krijgt inderdaad een blues. Dat geldt ook voor Jump Shake And Move van The Diablos featuring Nolan Strong dat dan toch iets meer blues getint is en dat komt vooral door de gitaar, gitaar die in rhythm 'n' blues vorm ook prominent figureert in bijvoorbeeld Guitar Player van The Evergreens (kan niet anders met die titel) of Bring Yourself Back Here van Little Eddie Mint. Nogal wat nummers hebben stroll tempo’s, ik noem willekeurig Don't Start Me Talking van Johnny Darrow (ook weer erg bluesgetint, dit keer door de mondharmonica), Hurry Baby Please Come Home van Lee Roy Little dat klinkt als een neefje van Money Honey , I Don't Like You That Much van The Royal Jokers en Congratulations Honey van Baby Washington, en er zijn ook een paar slepende strollende bluesrockers als Walkin' van Phil Flowers. Reno Blues van The Big Three Trio is geen rock 'n' roll en evenmin echte blues maar wel zwarte jaren '50 muziek, Housewife Blues van The Enchanters is een jiver, en My Buddy Blues van The Five Breezes is semi-akoestische vocal harmony. Talking Trash van The Marathons is Frolic Diner novelty nonsens parlando met een hilarisch gibberende vrouw, maar de loungy muziek op de achtergrond wordt wel degelijk vergezeld van doo-wopende backing vocalen. Toppers zijn de demente rock 'n' roller Cherokee Dance van Bob Landers with The Cough Drops (hetzelfde gitaargeluid dat klinkt als een zingende zaag horen we in John Bullard's Mary Lou) en jivers als My Girl Ivy (Jimmy Witherspoon with The Quintones), Bye Bye Baby Blues (The Ravens) en (Wake Up) Miss Rip Van Winkle (The Tibbs Brothers) die vaak weinig tot niets met de blues vandoen hebben. Ook de nummers van The Peacheroos with Clarence Gatemouth Brown (Be Bop Baby) en Eddie Boyd with The Daylighters (Come On Home) zijn rock 'n' roll, doo-wop is immers rock 'n' roll, niet? Over doo-wop gesproken: de niet onbekende Dells brengen het sleurende I Wanna Go Home aan. Geen doo-wop zonder ballades en op dit album staat een hele mooie van verrassend genoeg de enige echte Bo Diddley getiteld I'm Sorry die niets te maken heeft met Brenda Lee. Het bekendste nummer is Sent Up van The Falcons een beetje in de stijl van The Robins die zelf figureren met if It's So Baby. Samenvatting: goeie voor het merendeel althans voor mij onbekende muziek uit de archieven. In totaal zouden er vier Blues Meets Doo-Wop CD’s verschijnen. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Volume 1 was rather good, so let's try Volume 2 as well. Opening track Somebody Changed The Lock by Champion Jack Dupree with The Empires is a fine example of what this series is all about: decent doo-wop, but if you should take away the doo-wop backings it would indeed be blues music. The same goes for Jump Shake And Move by The Diablos featuring Nolan Strong which is a bit more blues tinged primarily because of the guitar that also features prominently in rhythm 'n' blues form in for instance The Evergreens' Guitar Player (what do yoiu expect with that title) or Little Eddie Mint's Bring Yourself Back Here. Quite a few songs have stroll tempos, I randomly pick Johnny Darrow's Don't Start Me Talking (again very blues tinged, this time because of the harmonica), Lee Roy Little's Hurry Baby Please Come Home which sounds like a nephew of Money Honey , The Royal Jokers' I Don't Like You That Much and Baby Washington's Congratulations Honey, and there are also a couple of slower stroll blues rockers like Phil Flowers' Walkin'. The Big Three Trio's Reno Blues is neither rock 'n' roll nor really blues but sure is black fifties music, The Enchanters' Housewife Blues is a jiver, and The Five Breezes' My Buddy Blues is semi-acoustic vocal harmony. The Marathons' Talking Trash is Frolic Diner novelty nonsense parlando with a hilariously laughing woman, but the loungy music in the background is indeed accompanied by doo-woppin' backing vocals. Top tracks include the demented rock 'n' roller Cherokee Dance by Bob Landers with The Cough Drops (the same guitar sound that sounds like a singing saw can be heard in John Bullard's Mary Lou) and jivers like My Girl Ivy (Jimmy Witherspoon with The Quintones), Bye Bye Baby Blues (The Ravens) and (Wake Up) Miss Rip Van Winkle (The Tibbs Brothers) that more often than not have little or nothing to do with the blues. The songs by The Peacheroos with Clarence Gatemouth Brown (Be Bop Baby) and Eddie Boyd with The Daylighters (Come On Home) are rock 'n' roll as well, for after all doo-wop is rock 'n' roll, isn't it? Speaking of doo-wop: the not unknown Dells perform the scorching I Wanna Go Home. No doo-wop without ballads and this album contains a very nice ballad surprisingly enough by the one and only Bo Diddley titled I'm Sorry which has nothing to do with Brenda Lee's. The best known song is probably The Falcons' Sent Up a bit in the style of The Robins who are featured themselves with If It's So Baby. Summary: good music from the archives that is for the most part unknown, at least to me. Apparently a total of four Blues Meets Doo-Wop CD’s will be released eventually. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

21 maart 2024

THAT’LL FLAT GIT IT Vol. 45:
ROCKABILLY & ROCK 'N' ROLL FROM THE VAULTS OF IMPERIAL RECORDS

Bear Family, BCD17677
English version: see below

Volume 43 was nog maar pas uit en daar volgt Volume 45 waarmee - belangrijk voor onze OCD - de reeks opnieuw volledig is want Volume 46 verscheen reeds in oktober 2022! Volume 45 grijpt terug naar Volume 12 uit 1997 met een bezoekje aan Imperial Records in Los Angeles dat met Dave Bartholomew als A & R man ook een stevige poot aan de grond had in New Orleans. Het label bracht zowel rhythm 'n' blues, country 'n' western en Mexicaanse muziek uit maar had genoeg rock 'n' roll talent in huis om een volwaardig tweede That'll Flat Git It deel te vullen met zo maar eventjes 35 tracks opgenomen van 1953 tot 1960 die niet moeten onderdoen voor Volume 12. Een aantal artiesten komen uiteraard terug, in de eerste plaats Bob Luman met zijn meer country getinte rockaballad cover van Buddy Holly's Blue Days Black Nights, lang niet zo wild als zijn vuurwerkbom This Is The Night die hier ook op staat. Wild Eyed Woman is een bluesy rockaballad of zo u wil een trage stroll. Gek genoeg werd van zijn vier nummers hier in de jaren '50 enkel Red Cadillac And A Black Moustache uitgebracht, zelfs niet This Is The Night dat in 1957 in de film Carnival Rock te horen en te zien was. Als we Fats Domino even niet meetellen die niét op deze CD staat was de grootste ster op Imperial waarvan op Volume 12 evenwel geen spoor was te vinden Ricky Nelson, nu present met de cleanabillies Shirley Lee, het door Dorsey Burnette gepende One Of These Mornings en het uptempo Milk Cow Blues, alle drie met James Burton op gitaar. Een andere bekende naam zijn The Burnette Brothers oftwel Johnny en Dorsey Burnette die in My Honey met Earl Palmer op drums en de op nog wel meer nummers op deze CD te horen Joe Maphis op gitaar de drive van hun eerdere rockabilly combineren met de vlotte melodieuze stijl die uiteindelijk zou leiden tot Johnny's teen pop hits You're Sixteen en Dreamin'. De hand van producer Norman Petty is duidelijk hoorbaar in de mooie rocker So Shy van The Leen Teens onder leiding van zanger Keith McCormack. Bij hun volgende opnamesessie was McCormack verkouden en nam de groep dan maar een paar instrumentaaltjes op waarvan er één de wereld zou veroveren onder de titel Wheels, uitgebracht onder de naam The String-A-Longs. In 1963 was McCormack co-auteur van Sugar Shack van Jimmy Gilmer & the Fireballs en vijf jaar later verving hij Gilmer als leadzanger van The Fireballs. De wereld is klein, maar ik zou hem niet graag stofzuigen.
Nummers die in de tussenliggende jaren klassiekers werden zijn Everybody Needs A Little Lovin' en Ernie van Merle Kilgore, Laura Lee Perkins' wilde Kiss Me Baby en Dennis Herrold's Make With The Lovin' in een pas in 2020 verschenen unedited versie - de reguliere versie stond op Volume 12. Er is swingende hillbilly boogie met Rockin' Baby en Diggin 'n' Datin' van Gene Henslee en female rock 'n' roll met I Don't Stand No Quittin' van Gloria Jean Pitts, uiteraard de Imperial versie en niet haar een jaar oudere origineel onuitgebrachte zwart klinkende versie opgenomen als Gloria Jean / Gloria Shannon voor Music City Records. Tommy Lomonte's Yeah Yeah Yeah is ondanks dat het werd opgenomen én mede-gecomponeerd door Dave Bartholomew geen voorbeeld van de smeuïge New Orleans sound maar gewoon een wilde saxofoon rocker. Nou ja, gewoon... Wél New Orleans zijn de twee songs van de zwarte Roy Brown, ook allebei mede-geschreven door Dave Bartholomew. Saturday Night is gezellig uptempo (Lee Allen leidt de blazers) maar lang niet zo fanatiek als de cover van Crazy Cavan & the Rhythm Rockers uit 1977, Slow Down Little Eva (in België gecoverd door The Seatsniffers) danst de rhumba. Dit alles wordt aangevuld met onbekende maar steengoede nummers als Sugar Lips van Dub Dickerson, Good Good Feeling van Jackie Walker, Sweet Little Stranger van Bobby Jay, Get Off My Back van Jay Blue, Love In Be Bop Time van Nick Venet, Lew Williams' jazzy Don't Mention My Name, Ronnie Smith's door Roy Orbison geschreven en door Norman Petty ingeblikte Long Time No Love, Sonny Anderson met het door de Burnette broertjes geschreven Yes I'm Gonna Love You (ze schreven samen en apart meerdere songs van deze CD en je hoort telkens hun onmiddellijk herkenbare melodielijnen), Jack Tucker's van Ozark Records overgekochte Lonely Man, de van Duncan Records overgekochte uptempo strollende low fi rechtdoor rocker Mean Woman van Freddie Fender een eeuwigheid vòòr Wasted Days And Wasted Nights en Before The Next Teardrop Falls, en de van Bandera Records overgekochte instrumentale gitaargrinder Sidewinder van The Sidewinders, de groep die Benny Ingram begeleidde op Jello Sal. U hebt het al door: ik ben ten zeerste te spreken over deze CD. Zou er genoeg Imperial materiaal over zijn om een derde CD mee te vullen? Ik denk het wel, en ik hoop dat we daar dan weer geen 27 jaar op moeten wachten want dat haal ik misschien niet meer.
Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

Hot on the heels of Volume 43 here's Volume 45 which - very important for our OCD - makes the series complete again as Volume 46 was already released in October 2022! Volume 45 harks back to Volume 12 released way back in 1997 with a visit to Imperial Records in Los Angeles which also had a firm foothold in New Orleans thanks to Dave Bartholomew being Imperial's A & R man. The label released rhythm 'n' blues and country 'n' western as well as Mexican music but had enough rock 'n' roll talent on its roster to justify a second That'll Flat Git It volume filled to the brim with no less than 35 tracks recorded between 1953 and 1960 that are in no way inferior to Volume 12. A number of artists obviously return, first and foremost Bob Luman with his more country-tinged rockaballad cover of Buddy Holly's Blue Days Black Nights, not nearly as wild as his fireworks display This Is The Night which is also featured here. Wild Eyed Woman is a bluesy rockaballad or, if you like, a slow stroll. Remarkably out of his four songs here only Red Cadillac And A Black Moustache was released in the fifties, for Imperial did not even bother to release This Is The Night which was heard and seen in the 1957 film Carnival Rock. Not taking into account Fats Domino who does not appear on this CD Imperial's biggest star who was conspiciously absent from Volume 12 was Ricky Nelson, now present with cleanabillies Shirley Lee, the Dorsey Burnette scribed One Of These Mornings and the uptempo Milk Cow Blues, all three with James Burton on guitar. Another familiar name is The Burnette Brothers, Johnny and Dorsey Burnette, whose My Honey with Earl Palmer on drums and Joe Maphis on guitar (he can be heard on several tracks on this CD) combines the drive of their earlier rockabilly with the smooth melodic style that would eventually become Johnny's teen pop hits You're Sixteen and Dreamin'. The influence of producer Norman Petty is clearly audible on the lovely rocker So Shy by The Leen Teens led by singer Keith McCormack. At their next recording session McCormack had a cold and the group therefor simply recorded a couple of instrumentals, one of which would take the world by storm under the title Wheels, released under the name The String-A-Longs. In 1963 McCormack co-authored Jimmy Gilmer & the Fireballs' Sugar Shack, five years later he replaced Gilmer as The Fireballs' lead singer. It's a small world, but I wouldn't like to vacuum clean it.
Songs that in the intervening years have become classics include Merle Kilgore's Everybody Needs A Little Lovin' and Ernie, Laura Lee Perkins' wild Kiss Me Baby and Dennis Herrold's Make With The Lovin' in an unedited version that remained in the can until 2020 - the regular version was on Volume 12. There's swinging hillbilly boogie with Gene Henslee's Rockin' Baby and Diggin 'n' Datin and female rock 'n' roll with Gloria Jean Pitts' I Don't Stand No Quittin', obviously the Imperial version and not her one year older originally unreleased black sounding version recorded under the name Gloria Jean / Gloria Shannon for Music City Records. Tommy Lomonte's Yeah Yeah Yeah despite being recorded and co-authored by Dave Bartholomew is not an example of the swampy New Orleans sound but simply a wild saxophone rocker. Well, it's everything but simple. The two songs by black rock 'n' roll pioneer Roy Brown, also both co-written by Dave Bartholomew, display more typical New Orleans sounds. Saturday Night is pleasantly uptempo (Lee Allen fronts the horn section) but not nearly as fanatical as Crazy Cavan & the Rhythm Rockers' 1977 cover, Slow Down Little Eva (covered in Belgium by The Seatsniffers) dances the rhumba. All of this is complemented by unknown but stonkingly good tracks like Dub Dickerson's Sugar Lips, Jackie Walker's Good Good Feeling, Bobby Jay's Sweet Little Stranger, Jay Blue's Get Off My Back, Nick Venet's Love In Be Bop Time, Lew Williams' jazzy Don't Mention My Name, Ronnie Smith's Long Time No Love written by Roy Orbison and produced by Norman Petty, Sonny Anderson with the Burnette brothers' Yes I'm Gonna Love You (together and separately they wrote several songs on this CD and each time you can hear their instantly recognisable melody lines), Jack Tucker's Lonely Man acquired from Ozark Records, Freddie Fender's uptempo strolling low fi straight ahead rocker Mean Woman acquired from Duncan Records an eternity before Wasted Days And Wasted Nights and Before The Next Teardrop Falls, and the instrumental guitar grinder Sidewinder by The Sidewinders, the group that accompanied Benny Ingram on Jello Sal, acquired from Bandera Records. Guess by now you figured it out: I like this CD a lot. Would there be enough Imperial material left to compile a third CD? I think so, but I do hope that we won't have to wait another 27 years cos I might not make that. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


SLAP-BACK, THE HOLIDAY INN LABEL 100 SERIES ANTHOLOGY
Rockstar, RSR 50103 (CD)
Rockstar, RSR 50102 (vinyl)
English version: see below

Holiday Inn doet bij mij geen belletje rinkelen als platenlabel maar wel als hotelketen. De twee blijken met elkaar verbonden: de hotelketen had in 1961 het idee om in Memphis een platenlabel op te starten waarbij de marketingtruc was dat de artiesten zouden optreden in alle Holiday Inn's in heel Amerika en zo flink veel platen verkopen, platen die bovendien te horen waren in een voor de hotelketen geproduceerd non stop radioprogramma te horen op elke radio in elke hotelkamer in elke Holiday Inn in Amerika, en dat waren er naar verluidt meer dan duizend. Geniaal plan dat in de praktijk mislukte en in 1963 sloot Holiday Inn Records de deuren en verkochten ze de hele boel aan Sam Phillips van Sun Records die in zijn Sam Phillips Recording Studio de lacquers van een aantal Holiday Inn singles en sowieso al geld had geïnvesteerd in de hotelketen, maar uiteindelijk deed Phillips niets met het label. In totaal verschenen er zestien singles op Holiday Inn en die worden op deze CD voor het eerst allemaal met A- en B-kant in kaart gebracht, waarbij verschillende nummers voor de eerste keer heruitgebracht worden sinds ze origineel verschenen. En het label mag dan onbekend zijn, toch bracht het singles uit van twee bekende artiesten, waarover straks meer. De groep die het grootste aantal singles op Holiday Inn uitbracht, met name drie, waren de instrumentale Roller Coasters, het huisorkest van Holiday Inn dat ook fungeerde als begeleidingsband op singles van stalgenoten als Tookie Collom en Kenny Lund. Hun Rim Shot Part 1 is een platte sax/gitaar/piano stroll instro die je zou kunnen rangschikken onder Vegas Grind. Part 2 stond op de B-kant en is iets sneller met een iets bluesier gitaar. Wabash Blues is easy tune sax/orgel in Bill Black Combo meets Earl Bostic stijl (Bill Black Combo nam Wabash Blues, origineel een jazz nummer uit de jaren '20, later ook op), Slap-Back is rockende sax/orgel, Spanish Twist kan je met wat goeie wil een melodieuze medium tempo orgeltwist noemen waarbij de Spaanse toets wordt verstrekt door de mariachi-achtige blazers, en Wild Twist tenslotte is een jazzy klinkende gitaar/orgel/sax instro. A- en B-kant betekende in die dagen steevast een snel nummer gekoppeld aan een traag, dus staan hier heel wat teen ballades op als You Torture Me en I Could Love You van Tookie Collom, I'll Forever Be Loving You (Joe Fuller), Where Could I Go (Jimmy Foster), het in violen verpakte Confused (Stan Daniel) en Our Love Can Wait en het op doo-wop gebaseerde Tag Along van Rusty Curry. Girl In 1209 van Buck Griffin is reflectieve country à la Charlie Rich.
Gelukkig verscheen op Holiday Inn ook rock 'n' roll: Pretty Lou van Buck Griffin is een basic rocker met platte sax die de melodie van Froggy Went A Courtin' leent. Diezelfde sax van The Roller Coasters speelt ook mee op het sneller rockende Rip It Up Potatoe Chip van Kenny Lund, en de sax in Tookie Collom's You've Gotta Run Me Down lijkt op Yakety Axe meets The Coasters meets een mondharmonica. Iets helemaal anders is de rhythm 'n' blues gitaar in Rhythm Marie van Stony Martin. Het merkwaardigste nummer is My Fraulein Cries For Me waarin Tookie Collom samen met zijn lief vanuit Oost-Berlijn vlucht naar het vrije westen: zij slaagt er in de muur over te steken, hij blijft achter... En wie waren nu die twee bekende artiesten op Holiday Inn? Dat waren Andy Starr (hier onder de naam Frank Starr) en Charlie Feathers, zij het dat hun singles niet door Holiday Inn zelf werden opgenomen maar ingekocht. Frank Starr's Knees Shakin' is excellente zij het van violen voorziene beschaafde rock 'n' roll die richting teen rock gaat maar opwindend blijft, met op de ommekant het even geslaagde Evil Eye. Een tweede Frank Starr single op Holiday Inn koppelde het gelijkaardige Little Bitty Feeling aan de ballade Lost In A Dream. Charlie Feathers nam Deep Elm Blues en Nobody's Darling meerdere keren op in de loop der jaren, en hier heeft Deep Elm Blues als voornaamste instrument een orgeltje en als voornaamste kenmerk een groovy swing, maar al Feathers' hiccups zijn in ruime mate aanwezig. Nobody's Darling is een melodieuze rocker. Het bekendste nummer op de CD is evenwel van Jimmy Foster wiens Stranger In Paradise een parel van de popcorn is. Ook zijn Moving Up To Love en Hey Little Lover hadden dat kunnen worden maar die single is vermoedelijk nooit tot in Belgenland geraakt.
Met de wilde Hi Ho Silver goes Flip Flop And Fly rocker Talk To Me Baby van The Table Toppers bevat de CD een bonus song die in 1959 verscheen op het Klondike label, blijkbaar de enige single ooit verschenen op dat label. Holiday Inn kocht het label over in 1961 maar deed er niets mee, en zowel Holiday Inn als Klondike bleven op non-actief tot ze in 1969 nieuw leven werden ingeblazen. Als extra bonus bevat de CD ook twee uptempo easy listening croonerpop Holiday Inn jingles met reclame voor de hotelketen.
Zestien nummers verschenen als vinyl LP en dat zijn bijna allemaal de rockendste (alleen de twee Rim Shot's ontbreken), inclusief twee van de vier Andy Starr tracks, beide Charlie Feathers tracks, en Stranger In Paradise + de twee jingles. Talk To Me Baby van The Table Toppers staat niét op de LP die net als de CD erg fraai is vormgegeven met op de CD een beknopte doch grondige geschiedenis van het label en alle actoren die erbij betrokken waren. Bij de LP (oplage: 500 stuks) staan die liner notes op een gatefold insert én krijg je de full CD er gratis bij in cardboard uitvoering. De nummers zijn in de mate van het mogelijke opgepoetst maar soms blijft enig surface noise onvermijdelijk wegens geen betere singles beschikbaar en de originele tapes na 60 jaar natuurlijk al lang weggegooid door de poetsvrouw van de Holiday Inn. En alles bij elkaar opgeteld geeft dat een release die zich mag meten met Bear Family. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Holiday Inn does not ring a bell with me as a record label but I obviously know the hotel chain. They turn out to be connected: in 1961 the hotel chain had the idea of starting a record label in Memphis, the marketing trick being that the artists would perform in all the Holiday Inn's across America and thus sell lots of records, records that could also be heard on a non-stop radio programme produced for the hotel chain broadcasted on every radio in every hotel room in every Holiday Inn in America, of which there were reportedly over a thousand. An Ingenious plan, but in practice it failed and in 1963 Holiday Inn Records closed its doors and sold all its assets to Sam Phillips of Sun Records who had made some of the lacquers for the Holiday Inn 45s at his Sam Phillips Recording Studio and had already invested money in the hotel chain anyway, but in the end Phillips never did anything with the label. In total sixteen 45s appeared on Holiday Inn and this CD marks the first time all 32 sides are brought together, with several songs being re-issued for the first time since they originally appeared. And while the label may be unfamiliar, two of its artists are well known, but we'll get to them later. The band with the largest number of Holiday Inn 45s, three to be precise, were the instrumental Roller Coasters, Holiday Inn's house band who also backed up stablemates like Tookie Collom and Kenny Lund. Their Rim Shot Part 1 is a low down dirty sax/guitar/piano stroll instro that could be classified under Vegas Grind. Part 2 was on the flip side and is slightly faster with a slightly bluesier guitar. Wabash Blues is easy tune sax/organ in Bill Black Combo meets Earl Bostic style (Bill Black Combo themselves later also recorded Wabash Blues, originally a jazz song from the 1920s), Slap-Back is rockin' sax/organ, if you're in an benevolent mood you could describe Spanish Twist as a melodic medium tempo organ twist with the Spanish touch provided by the mariachi-like horn section, while Wild Twist is a jazzy sounding guitar/organ/sax instro. A and B sides in those days invariably meant a fast song paired with a slow one, so there are several teen ballads here like Tookie Collom's You Torture Me and I Could Love You, Joe Fuller's I'll Forever Be Loving You, Jimmy Foster's Where Could I Go, the string arrangement of Stan Daniels' Confused, and Rusty Curry's Our Love Can Wait and the doo wop-based Tag Along. Buck Griffin's Girl In 1209 is introspective country Charlie Rich style.
Fortunately Holiday Inn also released rock 'n' roll: Buck Griffin's Pretty Lou is a basic rocker with flat sax which borrows its melody from Froggy Went A Courtin'. That same sax from The Roller Coasters also plays on Kenny Lund's faster rockin' Rip It Up Potatoe Chip, and the sax in Tookie Collom's You've Gotta Run Me Down sounds like Yakety Axe meets The Coasters meets a harmonica. Something completely different is the rhythm 'n' blues guitar in Stony Martin's Rhythm Marie. The strangest song is My Fraulein Cries For Me in which Tookie Collom and his sweetheart flee East Berlin trying to escape to the free west: she manages to cross the wall, he stays behind ! So… who are the famous artists on Holiday Inn ? It's Andy Starr (here under the name Frank Starr) and Charlie Feathers, though their 45s were not recorded by Holiday Inn but bought in. Frank Starr's Knees Shakin' is excellent civilised rock 'n' roll with strings that veers towards teen rock but remains exciting, with the equally successful Evil Eye on the flip. A second Frank Starr single on Holiday Inn paired the similar Little Bitty Feeling with the ballad Lost In A Dream. Charlie Feathers recorded Deep Elm Blues and Nobody's Darling several times in his career and here Deep Elm Blues has an organ as its main instrument and a groovy swing as its main feature, but all of Feathers' hiccups are present. Nobody's Darling is a melodic rocker. The best known song on the CD is however by Jimmy Foster whose Stranger In Paradise is a popcorn gem. His Moving Up To Love and Hey Little Lover could also have become that but that 45 presumably never reached Belgium. The CD includes a bonus song, The Table Toppers' wild Hi Ho Silver goes Flip Flop And Fly rocker Talk To Me Baby which appeared on the Klondike label in 1959, apparently the only 45 that ever appeared on that label. Holiday Inn bought Klondike in 1961 but never did anything with it, and both Holiday Inn and Klondike remained inactive until they were revived in 1969. As an added bonus, the CD also includes two uptempo easy listening crooner pop Holiday Inn jingles advertising the hotel chain.
Sixteen of these tracks appeared on a vinyl LP and almost all of them are the rockinest tracks on the CD (only the two Rim Shot's are missing), including two of the four Andy Starr tracks, both Charlie Feathers tracks, and Stranger In Paradise + the two jingles. The Table Toppers' Talk To Me Baby by The Table Toppers is not on the LP which like the CD is designed very nicely with a brief yet thorough history of the label and everybody involved with it. The LP version, limited to 500 copies, has those liner notes are on a gatefold insert + you get the full CD in cardboard version for free. The songs have been cleaned as much as possible but sometimes some surface noise remains unavoidable as no better 45s are available and after 60 years the original tapes have of course been thrown out a long time ago by Holiday Inn's cleaning ladies. All in all this is a release that rivals Bear Family. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


BLACK PEARLS VOL. 1: RHYTHM & BLUES
Koko Mojo, KM-CD-25
English version: see below

Een nieuwe week, een nieuwe reeks op Koko Mojo door dit keer een nieuwe samensteller, Ronni Boysen. Als die naam u bekend in de oren klinkt dan kent u uw zaakjes: Boysen was de gitarist die uit The Kokomo Kings (S) stapte om meer tijd te besteden aan zijn gezin en een échte baan te zoeken, dat laatste vermoedelijk om zijn verslaving aan singles te betalen. Zijn passie deelt hij op deze Black Pearls, het soort release dat soms riskeert verkapte blues en rhythm 'n' blues te zijn verpakt als rock 'n' roll, maar op deze CD valt ondanks die ondertitel "Rhythm & Blues" heel wat te rocken. Neem nu de opener, You Bring Out The Wolf In Me van Piney Brown uit 1953. De liner notes noemen Brown een blues belter, ik noem hem op basis van dit nummer zonder enige aarzeling een rock 'n' roll screamer, ook al is You Bring Out The Wolf In Me een medium tempo nummer, maar oh zo intens. Rock 'n' roll jivers zijn You Can't Stay Here (Step It Up And Go) van Pearl Reaves & The Concords, in 1955 door de vakpers in Billboard omschreven als "jump blues", The Buggy Ride van Rudy Ray Moore, Marie Knight's tongbreker I Thought I Told You Not To Tell Them en het uptempo New Orleans klinkende Whoopin’ And A Hollerin' van Preacher Stevens. Rock 'n' roll of op zijn minst rock 'n' roll-achtige opnames van artiesten die steevast in de pré-rock 'n' roll rhythm 'n' blues swing worden gesitueerd zijn One Zippy Zam van zingende drummer Roy Milton en het strollende In The Wee Wee Hours van Joe Liggins & his Honeydrippers. Van hetzelfde laken een maatpak: Let's Get Together And Make Some Love van gitarist Jimmy Lewis en How Wild Can A Woman Be van Harold “Thunderbird” Ward, reeds in 1959 een throwback naar de zwarte muziek van tien jaar daarvòòr. Als het over zwarte rock 'n' roll gaat mag een bluesbopper niet ontbreken, met dank aan Al Simmons' You Ain't Too Old. De populaire early sixties zijn van de partij met de New Orleans Ooh Poo Pah Doo invloed in (I’m Gonna) Love You Love You Love You van Walter Spriggs en You Drink Too Much Booze van Jimmy Raney & Slim Slaughter. Curiosa van het nou moe type zijn Carmen Taylor's Ding Dong dat de mosterd haalde bij Big Mama Thornton's Hound Dog en Mr. Sad Head's repetitieve I’m High met de altijd fantastische Mickey Baker op gitaar en Buddy Lucas op sfeervolle tenorsax. De CD bevat ook een gezongen nummer van Buddy Lucas, Bo-Lee, dat zich situeert in de popcorn noir. Ik ga er bij gebrek aan verdere info tenminste van uit dat het Lucas is die zingt, want gek genoeg hoor je tegelijkertijd zang en sax. Ook Big Mama Thornton staat op de CD, zij het met een andere hond dan haar Hound Dog, te weten Just Like A Dog (Barking Up The Wrong Tree) dat veel meer dan haar Hound Dog aanleunt bij de rock 'n' roll. Mel Smith & the Nite Riders kennen we van hun desperate Pretty Plaid Skirt, maar het nummer Looped verschenen in 1952 onder de naam Melvin Smith blijkt veel regulierdere rock 'n' roll te zijn. That’s All I Need van Tommy Hodge begeleid door Ike Turner’s Kings Of Rhythm komt recht uit de gospel, You Got To Give van Mike Gordon & the El-Tempos zou dan weer niet misstaan in de striptease club en Floyd Dixon's Oooh Little Girl behoort tot de Little Richard rock 'n' roll school. Why Did You Leave van Jimmie Toliver & his California Blues Men en Clarence “Gatemouth” Brown's instrumentale Swingin’ The Gate hellen daarentegen meer over naar de rhythm 'n' blues. De hele CD focust ondanks de aanwezigheid van veel koperblazers nadrukkelijk op de gitaar, wat niemand zal verbazen. Wat wel verbaast is de hoge kwaliteit van nagenoeg alle 28 tracks, alsmede de voor mij als leek inzake zwarte rock 'n' roll relatieve onbekendheid van de meeste nummers. Tot het handvol uitzonderingen behoort King Coleman's gestoorde Shortnin' Bread, maar dat soort nutcases is dan weer helemaal up my alley. Zo, hiermee weten we weeral hoe het komt dat The Kokomo Kings zo goed waren. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Another week, another new Koko Mojo series but this time compiled by a newcomer, Ronni Boysen. If his name sounds familiar then you know your stuff: Boysen was the guitar player who left The Kokomo Kings (S) to spend more time with his family and to get a real job, presumably to financially back up his addiction to vinyl singles. He shares his passion on this Black Pearls, the kind of release that sometimes risks being blues and rhythm 'n' blues disguised and packaged as rock 'n' roll, but this CD has a lot of rockin' on offer despite its subtitle "Rhythm & Blues". Take the opening track for instance, Piney Brown's You Bring Out The Wolf In Me from 1953. The liner notes describe Brown as a blues belter, but I don't hesitate to call him a rock 'n' roll screamer based on this song, even though You Bring Out The Wolf In Me is a medium tempo number, but oh so intense. Rock 'n' roll jivers are Pearl Reaves & The Concords' You Can't Stay Here (Step It Up And Go), in 1955 in the trade press in Billboard heralded as "jump blues", Rudy Ray Moore's The Buggy Ride, Marie Knight's tongue twister I Thought I Told You Not To Tell Them and Preacher Stevens' uptempo New Orleans sounding Whoopin' And A Hollerin'. Rock 'n' roll or at least rock 'n' roll-styled recordings by artists usually situated in the pré-rock 'n' roll rhythm 'n' blues swing are One Zippy Zam by singing drummer Roy Milton and Joe Liggins & his Honeydrippers' strolling In The Wee Wee Hours. Of the same ilk: Let's Get Together And Make Some Love by guitarist Jimmy Lewis and Harold "Thunderbird" Ward's How Wild Can A Woman Be which in 1959 must have already sounded like a throwback to the black music of a decade before. When it comes to black rock 'n' roll you gotta include a blues bopper, so here's one titled You Ain't Too Old courtesy of Al Simmons. Early sixties sounds as currently popular on dancefloors all over the world are on hand with the New Orleans Ooh Poo Pah Doo influence in Walter Sprigg's (I'm Gonna) Love You Love You Love You and with Jimmy Raney & Slim Slaughter's You Drink Too Much Booze. Curiosities of the what the heck type include Carmen Taylor's Ding Dong that took its cue from Big Mama Thornton's Hound Dog and Mr Sad Head's repetitive I'm High with the always fantastic Mickey Baker on guitar and Buddy Lucas on atmospheric tenor sax. The CD also includes a vocal Buddy Lucas song titled Bo-Lee in popcorn noir style. With no further info available I assume it's Lucas who's singing though oddly enough you hear vocals and sax simultaneously. Big Mama Thornton is also on the CD, albeit with a different dog from her Hound Dog, namely Just Like A Dog (Barking Up The Wrong Tree) which leans much more towards rock 'n' roll than her Hound Dog. Mel Smith & the Nite Riders are known for their desperate Pretty Plaid Skirt, but the song titled Looped released in 1952 as by Melvin Smith turns out to be much more regular rock 'n' roll. That's All I Need by Tommy Hodge accompanied by Ike Turner's Kings Of Rhythm is lifted straight from the gospel songbook, Mike Gordon & the El-Tempos' You Got To Give wouldn't be out of place in the striptease club and Floyd Dixon's Oooh Little Girl belongs to the Little Richard school of rock 'n' roll. Jimmie Toliver & his California Blues Men's Why Did You Leave and Clarence "Gatemouth" Brown's instrumental Swingin' The Gate on the other hand lean more towards rhythm 'n' blues. Despite the presence of a lotta saxophones the CD puts the emphasis on the guitar, which is no surprise. What does surprise is the high quality of almost all 28 tracks, as well as the relative unfamiliarity of most of these, at least to me who's more specialised in white rockabilly. Among the handful of exceptions is King Coleman's deranged version of the familiar Shortnin' Bread, but then again that kind of nutcases is totally up my alley. Guess now we know how The Kokomo Kings became so damn good. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


SHOTGUN BOOGIE: RHYTHM & BLUES GOES COUNTRY VOL. 1
Bear Family, BCD17701
English version: see below

Op Koko Mojo verscheen recent de tiendelige CD reeks Rhythm & Western en dit is een gelijkaardig initiatief van Bear Family, focuserend op zwarte artiesten die country songs coverden. De rassenscheiding mocht in die lang vervlogen dagen dan nog wettelijk zijn, maar muzikanten speelden nu eenmaal graag leentjebuur bij elkaar, want er was geen enkele reden om aan te nemen dat een goed verkopende countrysong het niet goed zou doen in een zwart jasje. Voorbeelden te over op deze CD, zoals een verrassend traag Rag Mop door Joe Liggins & his Honeydrippers en een Big Mamou door Smiley Lewis die het kleine cajunstadje van de bayou verhuist naar New Orleans. Ook in Guitar Jr's cover van Charlie Walker's Pick Me Up On Your Way Down hoor ik meer New Orleans dan Nashville, of op zijn minst Louisiana want het verscheen in 1959 op Goldband Records. Het leverde in elk geval goeie muziek op: Wynonie Harris' Good Morning Judge dat ik altijd als een zwart nummer heb beschouwd maar dat oorspronkelijk van country zanger Louis Innis blijkt, zijn Bloodshot Eyes (oorspronkelijk van Hank Penny), en Chew Tobacco Rag door het orkest van Lucky Millinder met John Carol op zang hebben ondanks de rhythm 'n' blues swing jive invulling en in het geval van The Hurricanes' cover van Pistol Packin' Mama doo-wop invulling de drive en energie van western swing. Luister zelf maar! Alleen al omdat je songs als Why Don't You Haul Off And Love Me (saxofonist Bull Moose Jackson), Move It On Over (The Griffin Brothers) of My Bucket's Got A Hole In It (Fat Man Robinson), alle drie makkelijkshalve te associëren met de grote Hank Williams, door en door kent is het interessant om ze eens anders te horen, met name als uptempo en medium tempo rhythm 'n' blues boogie of jump blues, zeker als ze zo goed gespeeld zijn als hier.
Een paar songs hoor je in twee verschillende uitvoeringen wat extra vergelijkingsmateriaal oplevert, met name Bill & Cliff Carlisle's No Help Wanted (de doo-woppende Crows versus de gritty piano boogie van Bob Gaddy & his Alley Cats), Cherokee Boogie (Bull Moose Jackson met Sam "The Man" Taylor op tenorsax als swingende jump blues versus de piano boogie meets jive van Joey Thomas), Shot Gun Boogie (een swingende Eddie Mack begeleid door het orkest van trompettist Cootie Williams die het vak leerde vanaf einde de jaren '20 bij Duke Ellington en Benny Goodman versus de nachtclub trio piano boogie setting van Cecil Gant) en Sixteen Tons twee keer in popcorn noir door The Platters en BB King. Earl Hooker maakt van Steel Guitar Rag een square dans op rock 'n' roll gitaar die destijds op de plank is blijven liggen bij Sun Records - Sun heeft nooit iets uitgebracht van de bluesgitarist. Er is ook barrelhouse piano boogie (Piano Red covert Cliff Bruner's It Makes No Difference Now), maar nummers als het medium tempo Don't Fence Me In (Tommy Edwards), Scat Man Crothers' fantastische versie van Ghost Riders In The Sky en Bull Moose Jackson's cover van Faron Young's If You Ain't Livin' (You Ain't Living) resorteren eerder onder zoetgevooisde zwarte crooners met een legertje blazers en soms zelfs een strijkorkest. Maar ze zijn wel knap als je houdt van dat soort kamerbrede arrangementen! In dezelfde easy listening sfeer situeert zich de dromerige instrumentale cover van jodelaar Slim Whitman's Indian Love Call door tenorsaxofonist Hal Singer, sterrenstelsels verwijderd van zijn honkers Hot Rod, Corn Bread en Beef Stew. Soms werkte de kruisbestuiving in twee richtingen: het minder bekende I'd Surprise You van Margie Day & the Griffin Brothers is inderdaad een cover van een nummer van countrygroep Gabe Tucker & his Musical Ramblers dat evenwel heel erg beïnvloed was door de blues, tot en met een trompetsolo toe. Step It Up And Go gaat zelfs terug tot zwarte songs uit de jaren '30. Hier horen we de rock 'n' roll versie met rhythm 'n' blues gitaar uit 1955 van Pearl Reaves & the Concords. Wacht even, Elvis' welbekende Crying In The Chapel was toch een doo wop ballade van The Orioles? Nee dus, want het werd origineel opgenomen door de blanke Darrell Glenn. Minstens een handvol van de 29 songs 1949-1959 doken reeds op op Rhythm & Western, wat natuurlijk niet wegneemt dat dit fascinerende muziek blijft, met als bonus een zoals gebruikelijk indrukwekkend CD booklet van 34 pagina’s. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

Koko Mojo recently finished their ten part CD series Rhythm & Western and this is a similar Bear Family initiative focusing on black artists covering country songs. At a time when segregation was still legal musicians had no problem with borrowing songs from across the racial barrier, as there was no reason to assume that a bestselling country song wouldn't do equally well performed in a black style. Examples abound on this CD, like a surprisingly slow Rag Mop by Joe Liggins & his Honeydrippers and Smiley Lewis moving the small bayou cajun town of Big Mamou to New Orleans. Guitar Jr's cover of Charlie Walker's Pick Me Up On Your Way Down also sounds more New Orleans than Nashville, or at least more Louisiana since it appeared in 1959 on Goldband Records. Anyway, a lot of good music came from all of this: Wynonie Harris' Good Morning Judge which I always considered a black song turns out to be originally by country singer Louis Innis, his Bloodshot Eyes (originally by Hank Penny), and Chew Tobacco Rag played by Lucky Millinder's orchestra with John Carol on vocals have the drive and energy of western swing despite their rhythm 'n' blues swing jive stylings, or in the case of The Hurricanes' cover of Pistol Packin' Mama doo-wop stylings. Listen for yourself ! For the simple reason that you know songs like Why Don't You Haul Off And Love Me (saxophonist Bull Moose Jackson), Move It On Over (The Griffin Brothers) or My Bucket's Got A Hole In It (Fat Man Robinson), all three associated with the great Hank Williams, through and through, it's already interesting to hear them done differently, especially as uptempo and medium tempo rhythm 'n' blues boogie or jump blues, and especially when they are played as well as they are here.
A couple of songs are featured in two different versions inviting additional comparison, specifically Bill & Cliff Carlisle's No Help Wanted (the doo-wopping Crows versus the gritty piano boogie of Bob Gaddy & his Alley Cats), Cherokee Boogie (Bull Moose Jackson with Sam "The Man" Taylor on tenor sax as swinging jump blues versus Joey Thomas' piano boogie meets jive), Shot Gun Boogie (a swinging Eddie Mack accompanied by the orchestra of trumpeter Cootie Williams who learned his job starting in the late 1920s with Duke Ellington and Benny Goodman versus Cecil Gant's nightclub trio piano boogie setting) and Sixteen Tons twice as popcorn noir by both The Platters and BB King. Earl Hooker turns Steel Guitar Rag into a square dance played on a rock 'n' roll guitar in an instrumental that remained unissued at Sun Records at the time - Sun never released anything by the blues guitarist. There's also barrelhouse piano boogie (Piano Red covers Cliff Bruner's It Makes No Difference Now), but songs like the medium tempo Don't Fence Me In (Tommy Edwards), Scat Man Crothers' fantastic version of Ghost Riders In The Sky and Bull Moose Jackson's cover of Faron Young's If You Ain't Livin' (You Ain't Living) rather rank among honey voiced black crooners with an army of brass and sometimes even a string orchestra. Yet they're great recordings if you're into this style of classic arrangements! Also easy listening is the dreamlike instrumental cover of yodeling Slim Whitman's Indian Love Call by tenor saxophonist Hal Singer, galaxies away from his honkers Hot Rod, Corn Bread and Beef Stew. Sometimes the cross-pollination worked both ways: the lesser known I'd Surprise You by Margie Day & the Griffin Brothers is indeed a cover of a song by country group Gabe Tucker & his Musical Ramblers but that song was in itself was very much influenced by the blues, up to and including a trumpet solo. Step It Up And Go even goes back to black songs from the 1930s. Here we hear Pearl Reaves & the Concords' rock 'n' roll version with rhythm 'n' blues guitar recorded in 1955. But wait, Elvis' popular Crying In The Chapel was a doo wop ballad by The Orioles, wasn't it? Yes and no, because before The Orioles it had already been recorded by a white singer named Darrell Glenn. At least a handful of the 29 songs 1949-1959 are also on Koko Mojo's Rhythm & Western series, which of course does not alter the fact that this is fascinating music, with the usual impressive 34 page Bear Family CD booklet as an added bonus. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

13 maart 2024

ARE YOU READY/ WYATTCHRISTMAS FIVE
Part Records, PART-CD 6107.004
English version: see below

WyattChristmas Five hebben dacht ik al een aantal keer in Nederland gespeeld, maar op de een of andere manier ben ik er in geslaagd ze nog nooit te zien. Dat is geen bewuste keuze, maar louter toeval. En zo zie je maar hoe een mens zich kan vergissen: ik zat met het idee in mijn hoofd dat het Duitse quintet bestaande uit Andreas Müller (zang, gitaar), Peter Kühn (mondharmonica, zang, gitaar), Martina Jansen (piano), Olaf Schumacher (contrabas) en Philip Flottau (drums) vergelijkbaar was met Cat Lee King & his Cocks was, maar deze CD, hun eerste sinds Slide 'n' Jive uit 2019, laat heel andere geluiden horen. Andere geluiden dan Cat Lee King, bedoel ik, en ook andere geluiden in vergelijking met de drie andere albums die WyattChristmas Five uit heeft sinds hun begindagen in 2010 als trio waarvan alleen Andreas Müller overblijft, en die drie andere albums zijn behalve Slide 'n' Jive voorts Well It's Alright (2012) en I've Got Rhythm (2014), alle drie op het Duitse rock 'n' roll label Part Records en de twee oudste nog in triobezetting meer roots dan rock 'n' roll geïnspireerd. Uiteraard zitten er tussen de dertien eigen composities op Are You Ready nog steeds songs die muzikaal handig laveren tussen bluesrock (Devil's Got A Hand On Me, Riot In My Trashcan, titeltrack Are You Ready), piano boogie woogie (Alligator Bar Boogie), en rustige relaxte jive (My Best Friend Went Crazy, That Crazy Little Feeling I Got, Please Do Like You Did It), maar ik hoor minder bluesnummers en meer jazzy nummers (I Am Waiting), naast songs die teruggrijpen naar het swingende vooroorlogse Duitse cabaret (Changing Times, Calling Your Name). Er zitten minder moderne akkoorden in Are You Ready dan in Slide 'n' Jive, al hoor ik ze wel degelijk in het nummer 800 Miles, zij het dat die moderne akkoorden op een retro manier worden ingevuld. De piano geeft uiteraard de jazz aan, de mondharmonica die gelukkig niet op alle nummers meedoet en de gitaar leveren de blues en de rhythm 'n' blues opgevuld met veel vraag- en antwoord structuren aan, en uit dat alles distilleren ze een eigen aantrekkelijke eigen identiteit die eigenlijk meer teruggrijpt naar I've Got Rhythm, zij het uiteraard in een vollere sound. En nu moet ik er werk van maken om ze toch eens te gaan kijken, bijvoorbeeld op 7 september tijdens de Big Jive All-Dayer in Tegelen. Niet overtuigd? Je kan het hele album beluisteren op YouTube. Info: www.wyattchristmas.de and www.part-records.de (Frantic Franky)

I've never seen WyattChristmas Five live. That's not a conscious choice, but mere coincidence. But it goes to show you how wrong one can be: I always assumed that the German quintet made up by Andreas Müller (vocals, guitar), Peter Kühn (harmonica, vocals, guitar), Martina Jansen (piano), Olaf Schumacher (double bass) and Philip Flottau (drums) to be similar to Cat Lee King & his Cocks, but this CD, their first since 2019's Slide 'n' Jive, sounds very different. Different from Cat Lee King, I mean, and also different compared to the three other albums WyattChristmas Five released since starting out in 2010 as a trio of which only Andreas Müller remains. Apart from Slide 'n' Jive these are Well It's Alright (2012) and I've Got Rhythm (2014), all three on the German rock 'n' roll label Part Records and the two oldest recorded when they were still a trio inspired more by general roots music than by rock 'n' rol. The thirteen self written songs on Are You Ready manage to navigate skillfully between blues rock (Devil's Got A Hand On Me, Riot In My Trashcan, title track Are You Ready), piano boogie woogie (Alligator Bar Boogie) and relaxed laid-back jive (My Best Friend Went Crazy, That Crazy Little Feeling I Got, Please Do Like You Did It), but I hear fewer blues songs and more jazzy songs (I Am Waiting), alongside numbers that hark back to swinging pré-war German cabaret (Changing Times, Calling Your Name). Are You Ready also contains fewer modern chord changes than Slide 'n' Jive, though I definitely hear them in the song 800 Miles, albeit played in a retro way. The piano obviously provides the jazz, the harmonica which thankfully does not participate in every song and the guitar provide the blues and the rhythm 'n' blues adorned with a lot of call and response structures, and from all of this they distil their own appealing identity that is actually more reminiscent of I've Got Rhythm, though logically with a fuller sound. And now I must make it my business to try and go see them somewhere. Not convinced? You can listen to the entire album on YouTube. Info: www.wyattchristmas.de and www.part-records.de (Frantic Franky)


THE DEVIL ALWAYS COLLECTS/ BRIAN SETZER
Surfdog, 90869-1
English version: see below

64 is ie intussen, Brian Setzer, de leeftijd waarop een normaal mens begint af te tellen naar zijn pensioen, maar ik neem aan dat de zanger-gitarist die wij als puistenkop met zijn blonde krullen met een familieformaat bus haarlak in zijn achterzak eigenhandig de rockabilly zagen heruitvinden op Toppop, voorlopig nog niets wil weten van gas terug nemen, tinnitus of geen tinnitus. De tel van zijn albums zijn wij al lang kwijtgeraakt, want hoe goed sommige daarvan de tand des tijds ook hebben doorstaan, het wordt soms teveel van hetzelfde. Toch blijven we Setzer volgen, deels uit jeugdsentiment, maar vooral omdat hij er nog steeds toe doet. The Devil Always Collects moet qua opnametechniek wellicht de duurste CD zijn die wij de laatste jaren recenseerden, dus het hoeft geen betoog dat in tegenstelling tot de gemiddelde rockabilly CD die in één weekend dronken in iemands garage wordt opgenomen de sound superieur is, net als voorganger Gotta Have The Rumble van twee jaar geleden. Het album werd trouwens opgenomen met dezelfde producer als Gotta Have The Rumble én op dezelfde manier, dat wil zeggen op aparte locaties met een kleine band met naast Setzer op gitaar enkel drums, contrabas (met op vier nummers basgitaar), drums, backing vocals, op drie nummers piano/orgel en op twee nummers blazers. Laten die nummers met extra muzikanten nu net de nummers zijn die ondergetekende minder goed vindt... Wie de kleine lettertjes bestudeert merkt op dat de naam van de contrabassist David Spicher is, en dat is de zoon van Nashville A-Team fiddler Buddy Spicher die vanaf eind jaren '50 toerde met Hank Williams' weduwe Audrey Williams, Hank Snow's Charles River Valley Boys en Ray Price's Cherokee Cowboys, en ook deel uitmaakte van Asleep At The Wheel. Als studiomuzikant nam Buddy Spicher vanaf 1958 op met iedereen van Bob Wills en Bill Monroe over George Jones tot Elvis (Little Cabin On The Hill in 1970, Fairytale in 1975). Wat uiteraard niets te maken heeft met deze CD, maar mij fascineert het.
Eerste vaststelling: na al die jaren heeft de opperkat nog steeds dat jeugdig enthousiaste, wat rauwe in zijn stem dat zo goed past bij zijn muziek. De muziek: opener Rock Boys Rock is catchy als een soort cleane versie van Reverend Horton Heat, wat eigenlijk ook geldt voor titeltrack The Devil Always Collects: bij Reverend Horton Heat zou het angstaanjagend zijn, bij Brian Setzer wordt het gestroomlijnd. Setzer haalt zijn hele trukendoos uit de gitaarkoffer en al zijn gebruikelijke riffjes zijn aanwezig, doch de meeste songs worden niet op de 6120 gespeeld maar op zijn '57/'58 Gretsch Duo Jet (de body is een '57, de nek afkomstig van een '58) waardoor het album meer een solid body vibe krijgt. Ook Girl On The Billboard krijgt muzikaal gezien een powerversie en blijft geweldig, net zoals de versies van Del Reeves en Smokestack Lightnin' (D) geweldig waren. Vanaf het vierde nummer, The Living Dead, komt de rock om het hoekje piepen in een medium tempo jazzy song die baadt in een The Way I Walk meets James Bond sfeertje gebaseerd op een twangy stroll riff van Link Wray met een streep synthesizer, een nummer dat schreeuwt om een Brian Setzer Orchestra behandeling. Verrassing: dit is geen eigen nummer maar een cover van een popcorn stroll uit 1961 van ene Jim Burgett, één van de drie covers op dit album. Black Leather Jacket is te lang uitgesponnen afgeborstelde radiovriendelijke mainstream rock, wat ook geldt voor het van blazers voorziene She's Got A Lotta Soul dat ook geschikter lijkt voor het BSO. Nee, geef mij maar de pretentieloze rocker Psycho Suzie, het fris scheurende jazzy natte vingerwerk op het rockabilly What'll It Be Baby Doll, de al even slappende tongbreker A Dude'll Do (What A Dude'll Do) en de vlotte moderne jiver Play That Fast Thing (One More Time) op maat van acrobatische dansers met vingervlug voetenwerk. Die Play That Fast Thing is de derde cover, geschreven door Nick Lowe in 1973 en origineel opgenomen als medium tempo boogie woogie door Brinsley Schwarz. Lowe's eigen band Rockpile, de groep waar hij in zat met Dave Edmunds, de eerste producer van The Stray Cats, nam het rockender op in 1980, en BR5-49 maakte er in 2001 western swing van. Setzer klinkt in dit nummer als Mickey Jupp. Afsluiter One Particular Chick flirt opnieuw met jazz terwijl de gitaar ook noten van Smoke On The Water pikt. Als ik streepjes zet maakt dat acht en een halve typische Setzer rockers en twee miskleunen op elf songs, waarmee The Devil Always Collects net iets beter scoort dan Gotta Have The Rumble in mogelijk dezelfde verhouding tussen goed en slecht als je alle albums in zijn discografie met elkaar vergelijkt. Het warm water zal hij niet nog eens opnieuw uitvinden, maar dat ie het nog kan als hij maar wil bewijst Setzer met brio. Ook uit op rood vinyl 84297-2. Info: www.briansetzer.com and www.surfdog.com (Frantic Franky)

Brian Setzer is now 64, the age when an ordinary person starts counting down the days till retirement, but I assume that nothing's further from the mind of the singer-guitarist who single-handedly reinvented rockabilly on Top Of The Pops when he was a pimple-faced teen with blonde curls and an family sized can of hairspray in his back pocket, tinnitus or no tinnitus. We've long lost count of how many albums he already recorded, for even though many of them stood the test of time they sometimes become too much of the same thing. We nevertheless keep following Setzer, partly for nostalgic sentimental reasons, but for the most part because Setzer still matters. In terms of recording techniques The Devil Always Collects is probably the most expensive CD we reviewed in recent years, so needless to say it benefits from a superior sound, just like its predecessor Gotta Have The Rumble from two years ago and as opposed to the average rockabilly CD recorded in one drunken weekend in somebody's garage. Both were recorded with the same producer and in the same way, separately in different locations with a small band featuring besides Setzer on guitar only drums, double bass (bass guitar on four tracks), drums, backing vocals, piano/organ on three tracks and brass on two tracks. Whaddaya know : the songs with extra musicians are the ones I dig the least.... If you study the small print you will note that the double bass player's name is David Spicher who happens to be the son of Nashville A-Team fiddler Buddy Spicher who from the late 1950s onward toured with Hank Williams' widow Audrey Williams, Hank Snow's Charles River Valley Boys and Ray Price's Cherokee Cowboys. Buddy Spicher was also a member of Asleep At The Wheel and from 1958 on recorded as a studio musician with everyone from Bob Wills and Bill Monroe over George Jones to Elvis (Little Cabin On The Hill in 1970, Fairytale in 1975). Obviously this has nothing to do with Brian Setzer's new CD, but it's the kind of stuff I find fascinating.
Let me start by stating that after all these years, the number one Stray Cat still has that youthful enthusiasm and rawness in his voice that suits his music so well. The music kicks off with Rock Boys Rock, catchy in a sort of a clean version of Reverend Horton Heat way, which also goes for title track The Devil Always Collects: with Reverend Horton Heat it would be terrifying, while Brian Setzer streamlines it. Setzer uses all the tricks in his guitar case and plays all his usual riffs, but on most of the tracks he does not use the 6120 but his '57/'58 Gretsch Duo Jet (the body is a '57, the neck from a '58) which gives the album more of a solid body vibe. Girl On The Billboard also gets a musically powerful version and remains a great song, just as the Del Reeves and Smokestack Lightnin' (D) versions were great. Starting with the fourth track, The Living Dead, rock music strats to creep in in this medium tempo jazz tune that oozes a The Way I Walk meets James Bond vibe based on a twangy Link Wray stroll riff, adding a bit of synthesizer to a song that cries out for the Brian Setzer Orchestra treatment. Surprise: this is not a self penned song but a cover of a 1961 popcorn stroll by one Jim Burgett, one of the three covers on this album. Black Leather Jacket is long winding clean radio-friendly mainstream rock, just like She's Got A Lotta Soul which sports brass, another tune that would not seem out of place on the BSO setlist. I'll stick with the unpretentious rocker Psycho Suzie, the fresh rawking jazzy wet finger work on the rockabilly What'll It Be Baby Doll, the equally slapping tongue twister A Dude'll Do (What A Dude'll Do) and the smooth modern jiver Play That Fast Thing (One More Time) tailored to acrobatic dancers with flying feet. Play That Fast Thing is the third cover, written by Nick Lowe in 1973 and originally recorded as a medium tempo boogie woogie by Brinsley Schwarz. Rockpile, Lowe's group with Dave Edmunds, the first producer of The Stray Cats, recorded it more rockin' in 1980 and BR5-49 turned it into western swing in 2001. In this song Setzer sounds like Mickey Jupp. The last track, One Particular Chick, again flirts with jazz while the guitar also borrows notes from Smoke On The Water. When I do the math I end up with eight and a half typical Setzer rockers and two flops out of eleven songs, making The Devil Always Collects a little bit better than Gotta Have The Rumble in possibly the same ratio of good vs bad when comparing all the albums in his discography. He won't reinvent the wheel again, but Setzer proves with style and attitude that he's still got it if he only wants to. Also out on red vinyl 84297-2. Info: www.briansetzer.com and www.surfdog.com (Frantic Franky)

28 februari 2024

MIGHTY GOOD, BOY MEETS GIRLS
Rockstar, RSR50101
English version: see below

Dit is de eerste release op het gereactiveerde Rockstar Records dat inmiddels vijftig jaar bestaat: het label werd in 1974 opgestart door Eddie Cochran fans Tony Barrett, Derek Glenister en Rob Finnis om onuitgegeven opnames en interviews van en met Cochran uit te brengen, later uitgebreid tot gelijkaardige archief releases van Gene Vincent, Ricky Nelson, Johnny & Dorsey Burnette, Buddy Knox en The Crickets. Rockstar werd in 2015 overgenomen door Bear Family papa beer Richard Weize die het label een jaar later doorschoof naar Rhythm Bomb Records (D) dat de Rockstar naam nu gebruikt als de koepel waaronder Rhythm Bomb Records, Richard Weize Archives, Koko-Mojo en Atomicat resorteren.
Over naar deze Mighty Good, gebaseerd op een van de laatste Rockstar releases: Boy Meets Girls TV Shows Vol. 1 uit 2013 met twee complete uitzendingen van Jack Good starring Eddie Cochran en bonus materiaal van Gene Vincent, Johnny Cash en Ronnie Hawkins. Jack Good was de eerste producer die op regelmatige basis rock 'n' roll liet zien op de Britse televisie in zijn programma’s Six-Five Special (van februari 1957 tot december 1958), Oh Boy (van september 1958 tot mei 1959) en Boy Meets Girls (van september 1959 tot maart 1960). Daar is niet veel van bewaard, want zo goed als alle afleveringen werden reeds na een paar weken gewist. Van het door Marty Wilde gepresenteerde Boy Meets Girls bestaan nog een aantal on set audio tapes van sound engineer van dienst Ron Parker alsmede home opnames gemaakt door kijkers met de bandopnemer in aanslag voor het televisiescherm, samen genoeg om drie CD’s mee te vullen, zo blijkt, en dit is de eerste keer dat dit historische materiaal zo systematisch bij elkaar wordt gebracht als op deze 3 CD set. De bekendste Boy Meets Girls opnames zijn die van Eddie Cochran - de laatste werden gedraaid zes weken voor hij omkwam in een auto ongeval - en van Gene Vincent, live opnames die in het verleden samen met hun BBC Saturday Club radio opnames in het lang en het breed zijn uitgesmeerd over diverse releases. Hun nummers blijven de hoogtepunten van deze release. Van Eddie Cochran horen we vijftien nummers, van "the dynamic" Gene Vincent zestien nummers + een medley van Blue Jean Bop, Five Day Five Days en Say Mama, en twee korte interviews. Vincent brengt onder meer een bluesy Be Bop A Lula, Right Here On Earth (twee verschillende uitvoeringen), My Heart (ook twee uitvoeringen), My Heart B-kant I Got To Get To You Yet, Rocky Road Blues, Dance In The Street, Wild Cat met een orgeltje en een knap Frankie And Johnny. Een van zelfvertrouwen blakende Eddie Cochran excelleert in een net niet overstuurd Summertime Blues (twee versies), een gedreven Twenty Flight Rock (jammer van dat ongepast achtergrondkoortje), een stoer bluesy Money Honey (zelfde opmerking), een nòg bluesier Milk Cow Blues (twee versies) en een Hallelujah I Love Her So (twee versies) met violen die ook opduiken in Have I Told You Lately That I Love You. Somethin' Else blijft trouw aan de plaat, C'mon Everybody heeft een iets gewijzigd gitaararrangement, en ook met hem is er een kort praatje. Te noteren vallen twee nummers die Cochran nooit in de studio opnam: de stevige Chuck Berry cover Sweet Little Sixteen en - compleet tegenovergesteld - een pure crooner, I Don't Like You No More, een song die ik enkel ken gebracht door jazz zanger Joe Williams begeleid door het orkest van Count Basie in de rock 'n' roll film Jamboree uit 1957. Daarnaast amuseren Gene en Eddie zich zo te horen te pletter in hun White Lighthing duet.
Het is evenzeer een genoegen te horen hoe andere toerende artiesten als Johnny Cash, Ronnie Hawkins (het sensuele Southern Love alias Whatcha Gonna Do) en de Italiaanse Elvis Little Tony live klonken in die dagen. Freddy Cannon's passage in Boy Meets Girls is helaas niét bewaard. Johnny Cash, begeleid door huisorkest The Firing Squad met Joe Brown op gitaar, klinkt exact als op zijn latere Sun opnames. De spaarzame boom chicka boom sound wordt in I Got Stripes en Five Feet High And Rising aangevuld met een mannelijk achtergrondkoortje, het iets sneller als op de plaat Ballad Of A Teenage Queen met een mannelijk achtergrondkoortje en een hoge vrouwenstem. Little Tony & his Brothers vertolken hun eigen teen ballade Too Good en brengen een wilde gitaar/sax versie van She's Got It van Little Richard (klein mannen onder elkaar), een van de beste opnames hier, net als zijn eigen gedreven rocker I Can't HeLP It (twee versies) en zijn Ronnie Hawkins cover Forty Days met orgeltje. Kek is ook zijn poprock duet I'll Do The Same (Thing) For You met Marty Wilde. Geen idee of een van beiden het ooit in de studio opnam - ik ken het door Roy Gaines geschreven nummer alleen van Johnny Otis.
De veelbelovendste Britse naam is Billy Fury met een beheerst Turn My Back On You, een onderkoeld Baby Let's Play House, een sympathieke cover van Fabian's Elvis soundalike Mighty Cold (To A Warm Warm Heart), en zijn Colette als een duet met Marty Wilde (twee versies). Een ander duet met Marty Wilde is hun cover van Steve Lawrence's Pretty Blue Eyes, in Engeland gecoverd door Craig Douglas. Sommige van de Britse artiesten zingen de singles die ze op dat moment uit hadden zoals Marty Wilde met Johnny Rocco en de teen ballad Teenage Tears, Joe Brown met zijn Darktown Strutters' Ball (twee versies), Adam Faith met Poor Me, en We Like Boys van The Vernons Girls. Meer artiesten coveren Amerikaanse hits die ze nooit zelf opnamen zoals Let's Talk About Us, Lloyd Price's I'm Gonna Get Married en een dixieland That Is Rock 'n' Roll van The Coasters (drie keer Marty Wilde), A Girl's Work Is Never Done van The Chordettes (The Vernons Girls), What About Us van The Coasters (The Vernons Girls klinken als een heel meisjeskoor) en ('Til) I Kissed You van The Everly Brothers (Mary Richmond & Ann O'Brien, twee derde van The Vernons Girls). Er worden tevens minder bekende songs gecoverd, bijvoorbeeld Ricky Nelson's Just A Little Too Much (Marty Wilde), I Wanna Be Loved (een zwoele Marty Wilde) en Mighty Good (Michael Cox), Lloyd Price's Won't Cha Come Home (opnieuw Marty Wilde), Fabian's Hound Dog Man (Michael Cox), Black And White Thunderbird van The Delicates (The Vernons Girls) en (Baby) Hully Gully van The Olympics (jawel, nog een keertje Marty Wilde). U hebt het al door: de artiest met de meeste nummers is presentator Marty Wilde die naar voor komt als veelzijdig én bijzonder getalenteerd - ik onthoud een sterk Ubangi Stomp, een perfecte Ricky Nelson imitatie in Stood Up en een gedegen Elvis imitatie met Hard Headed Woman en Trouble. Zijn 31 songs zijn genoeg om zelf al een aparte CD mee te vullen, maar de drie CD’s mengen de performances door elkaar zodat je een evenwichtig geheel krijgt, netjes aan elkaar gemixt met applaus, wat inhoudt dat je in een aantal maar niet in alle nummers applaus en gegil hoort tijdens het begin en einde. Veel van de rock 'n' roll songs hebben de typisch Britse sound zoals gepropageerd door Cliff Richard & the Shadows, de belangrijkste naam die hier ontbreekt, maar een aantal nummers zijn helemaal in de stijl vàn Cliff. Onafgezien van Cliff biedt de driedubbele CD een mooi overzicht van zowat iedereen die een rol speelde in de Britse rock 'n' roll zoals ook Adam Faith (What Do You Want), Jess Conrad (Chicka Chicka Honey rockender dan Robin Luke) en Johnny Gentle die vier maanden na zijn verschijning in Boy Meets Girls door Schotland zou toeren begeleid door een orkestje genaamd The Silver Beetles. Nooit meer wat van gehoord, hahaha. Voorts bevat Mighty Good een aantal instrumentale variété nummers gebracht door orgeliste Cherry Wainer (twee verschillende uitvoeringen van het groovy Saturday Night In Tia Juana dat ze ook opnam, origineel van The Five Blobs) en vooral door huisorkest The Firing Squad met een Lord Rockingham/Piltdown Men-achtige In The Mood, een platte orgelversie van I Walk The Line van Johnny Cash dat kermismuziek wordt, twintig seconden Reveille Rock en een big band cover van de medium tempo stroll Forty Miles Of Bad Road die Duane Eddy copiëert op twangy gitaar, platte sax en rebel yells. Hun versie van Eddy's Some Kinda Earthquake rockt prima.
Deze CD’s tonen echter ook aan dat Boy Meets Girls meer een variété show die niemand voor het hoofd wou stoten (Deutscher Rock 'n' Roll/ Oom Pah Polka van The Vernons Girls, iemand?) dan een echt rock 'n' roll programma was. Naast de rock 'n' roll horen we immers ook veel pop rock 'n' roll zoals Marty Wilde's op gospel gebaseerde Lavern Baker cover So High So Low met orgel, Way Down Yonder In New Orleans (Marty Wilde, twee verschillende uitvoeringen) en Run Red Run (Marty Wilde), en teen pop rock aangelengd met violen (Jerry Keller's Here Comes Summer door Marty Wilde), een andere Jerry Keller cover, de Roy Bennett-Sid Tepper compositie If I Had A Girl in mambo stijl door Johnny Gentle, Lyn Cornell's verleidelijke mambo pop Smooth Operator, het pizzicato Be Mine (Marty Wilde) en de Playmates cover What Is Love door The Vernons Girls. In Boy Meets Girls was daarnaast plaats voor in violen verpakte pop variété meets teen rock (Lyn Cornell's popcorn Sarah Vaughan cover Broken Hearted Melody), vioolcrooners (Marty Wilde covers Nat King Cole's dromerige When I Fall In Love, Pat Boone's April Love door Marty Wilde in duet met Joyce Baker van The Vernons Girls die - boy met inderdaad girls - Joyce Wilde werd toen ze tijdens Boy Meets Girls huwden. 63 jaar later zijn ze nog steeds een paar), romantische liefdesliedjes als As Time Goes By (Marty Wilde), en zelfs dixieland charleston (Down By The Riverside en Chris Barber's Hot Time In The Old Town Tonight door Marty Wilde), aan elkaar gebabbeld met typisch Britse comedy dialogen en sketches tussendoor.
Het is geenszins mijn bedoeling om hier alle 116 tracks onder de loep te nemen, maar weet dat de set elke seconde bevat die nog bestaat van de 26 afleveringen Boy Meets Girls, inclusief vier complete afleveringen, opnames ten dele niet meer gehoord sinds ze in 1959-1960 werden uitgezonden. Van sommige songs zijn slechts fragmenten bewaard gebleven. De geluidskwaliteit is over het algemeen verrassend goed, maar een beperkt aantal tracks klinkt wat dof en vertoont geruis en hiss, en daartoe behoren jammer genoeg ook een paar van de Gene Vincent nummers - Baby Blue, I Got A Baby, Summertime en Right Here On Earth klinken alsof de audiotransmissie van de maan komt. Ook Billy Fury's eigen Baby How I Cried en de Elvis cover Too Much lijden onder een te belabberd geluid. De 8 page digipack bevat een CD booklet van 64 pagina’s, al evenmin een makkelijke taak aangezien zelfs de scripts geeneens bewaard zijn gebleven. Hoe je dit ook bekijkt en vooral beluistert, Mighty Good is een historisch document en muzikale archeologie waarmee Rockstar de kwaliteit van een label als Bear Family naar de kroon steekt. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

This is the first release on the reactivated Rockstar Records label in celebration of its 50th anniversary: the label was founded in 1974 by Eddie Cochran fans Tony Barrett, Derek Glenister and Rob Finnis with the aim of issueing unreleased recordings and interviews by and with Cochran, later extended to similar archival releases of Gene Vincent, Ricky Nelson, Johnny & Dorsey Burnette, Buddy Knox and The Crickets. Bear Family papa bear Richard Weize acquired Rockstar in 2015 and one year later the label shifted to Rhythm Bomb Records (D) who now use the Rockstar name as the parent company of Rhythm Bomb Records, Richard Weize Archives, Koko-Mojo and Atomicat.
Over to this here Mighty Good set based on one of the last Rockstar releases: the 2013 CD Boy Meets Girls TV Shows Vol. 1 that featured two complete Jack Good broadcasts starring Eddie Cochran with bonus material from Gene Vincent, Johnny Cash and Ronnie Hawkins. Jack Good was the first producer to prominently feature rock 'n' roll on British television on a regular basis in his programmes Six-Five Special (from February 1957 to December 1958), Oh Boy (from September 1958 to May 1959) and Boy Meets Girls (from September 1959 to March 1960). Not a lot of this historic material has been preserved, for pretty much all the episodes were erased in a matter of weeks. Boy Meets Girls, hosted by Marty Wilde, survives in the form of a number of on-set audio tapes recorded by its sound engineer Ron Parker as well as home recordings made by viewers sitting in front of their TV screen with a tape recorder. As it turns out there is enough audio material out there to fill three CD’s, and this is the first time that all of it has been brought together as systematically as on this 3CD set. The best known Boy Meets Girls recordings are from Eddie Cochran - recorded six weeks before he was killed in a car crash - and Gene Vincent, live recordings that combined with their BBC Saturday Club radio recordings have been doing the rounds on several releases. Their songs do remain the highlights of Mighty Good. There are fifteen Eddie Cochran songs, "the dynamic" Gene Vincent performs sixteen songs + a medley of Blue Jean Bop, Five Day Five Days and Say Mama, and there are two short interviews. Included are a bluesy Be Bop A Lula, Right Here On Earth (two different versions), My Heart (two versions as well), My Heart flipside I Got To Get To You Yet, Rocky Road Blues, Dance In The Street, Wild Cat with an organ and an excellent Frankie And Johnny. A very confident sounding Eddie Cochran excels in an almost fuzzy Summertime Blues (two versions), a rousing Twenty Flight Rock (pity about that inappropriate background chorus), a tough bluesy Money Honey (same remark), an even bluesier Milk Cow Blues (two versions) and a Hallelujah I Love Her So (two versions) with strings which also turn up in Have I Told You Lately That I Love You. Somethin' Else is faithful to the studio recording, C'mon Everybody has a slightly different guitar arrangement, and there is a short chat with him as well. Noteworthy are two songs Cochran never recorded in the studio: the solid Chuck Berry cover Sweet Little Sixteen and - the complete opposite - a crooner, I Don't Like You No More, a song I only know from jazz singer Joe Williams accompanied by the Count Basie orchestra in the 1957 rock 'n' roll film Jamboree. Gene and Eddie sound like they're having heaps of fun in their White Lighthing duet.
It's a delight hearing how other touring artists like Johnny Cash, Ronnie Hawkins (a sensual Southern Love aka Whatcha Gonna Do) and Italian Elvis Little Tony sounded live in those days. Unfortunately Freddy Cannon's guest appearance in Boy Meets Girls has not been preserved. Johnny Cash, accompanied by house band The Firing Squad with Joe Brown on guitar, sounds exactly like on his later Sun recordings. In I Got Stripes and Five Feet High And Rising the sparse boom chicka boom sound is augmented with a male background chorus, in the slightly faster as on disc Ballad Of A Teenage Queen with a male background chorus and a high female voice. Little Tony & his Brothers perform their own teen ballad Too Good and a wild guitar/sax version of Little Richard's She's Got It (little dudes amongst themselves), one of the best recordings here, as are his own driving rocker I Can't HeLP It (two versions) and his Ronnie Hawkins cover Forty Days with organ. His pop-rock duet I'll Do The Same (Thing) For You with Marty Wilde is not to be missed either. No idea if either of them ever recorded it in the studio - I only know this Roy Gaines written song from Johnny Otis.
The most exciting British name is Billy Fury with a restrained Turn My Back On You, an ubercool Baby Let's Play House, a sympathetic cover of Fabian's Elvis soundalike Mighty Cold (To A Warm Warm Heart), and his own Colette as a duet with Marty Wilde (two versions). Another duet with Marty Wilde is their cover of Steve Lawrence's Pretty Blue Eyes, recorded in the UK by Craig Douglas. Some of the British artists sing the 45s they had out at the time such as Marty Wilde with Johnny Rocco and the teen ballad Teenage Tears, Joe Brown with his Darktown Strutters' Ball (two versions), Adam Faith with Poor Me, and The Vernons Girls' We Like Boys. More artists however cover American hits they never recorded themselves such as Let's Talk About Us, Lloyd Price's I'm Gonna Get Married and a dixieland version of The Coasters' That Is Rock 'n' Roll (three times Marty Wilde), The Chordettes' A Girl's Work Is Never Done (The Vernons Girls), The Coasters' What About Us (The Vernons Girls sound like an entire girl choir) and The Everly Brothers' ('Til) I Kissed You (Mary Richmond & Ann O'Brien, two-thirds of The Vernons Girls). Lesser known songs are also covered, for example Ricky Nelson's Just A Little Too Much (Marty Wilde), I Wanna Be Loved (a sultry Marty Wilde) and Mighty Good (Michael Cox), Lloyd Price's Won't Cha Come Home (again Marty Wilde), Fabian's Hound Dog Man (Michael Cox), The Delicates' Black And White Thunderbird (The Vernons Girls) and The Olympics' (Baby) Hully Gully (yes, one more time Marty Wilde). You guessed it: the artist with the most songs is MC Marty Wilde who comes across as versatile ánd extremely talented - check out his strong Ubangi Stomp, a perfect Ricky Nelson copy in Stood Up and a solid Elvis copy with Hard Headed Woman and Trouble. His 31 songs are enough to fill an entire CD by themselves, but the three CD’s mix up the performances into a balanced live show, which means that in some but not all of the songs you hear applause and screaming during the beginning and ending. Many of the rock 'n' roll songs have the typical British sound propagated by Cliff Richard & the Shadows, the main name absent here, but several songs are performed in his style. And while Cliff may be missing, the triple CD offers a great overview of just about everybody who played a part in British rock 'n' roll history like Adam Faith (What Do You Want), Jess Conrad (Chicka Chicka Honey more rockin' than Robin Luke) and Johnny Gentle who four months after his appearance in Boy Meets Girls toured Scotland accompanied by a brand new band called The Silver Beetles. Never heard from them again, hahaha. Mighty Good also contains a number of instrumental variety numbers by organ player Cherry Wainer (two different renditions of the groovy Saturday Night In Tia Juana, one of her own recordings, originally done by The Five Blobs) and by house band The Firing Squad with a Lord Rockingham/Piltdown Men-like In The Mood, a flat organ version of Johnny Cash's I Walk The Line which becomes fairground music, twenty seconds of Reveille Rock and a big band cover of the medium tempo stroll Forty Miles Of Bad Road complete with twangy Duane Eddy guitar, flat sax and rebel yells. Their version of Eddy's Some Kinda Earthquake rocks mighty good though.
These CD’s however also show that Boy Meets Girls was more a variety programme that did not want to offend its unsuspecting audience (Deutscher Rock 'n' Roll/ Oom Pah Polka by The Vernons Girls, anyone?) than a real rock 'n' roll show. Besides rock 'n' roll we hear a lot of pop rock 'n' roll like Marty Wilde's gospel based Lavern Baker cover So High So Low with organ, Way Down Yonder In New Orleans (Marty Wilde, two different renditions) and Run Red Run (Marty Wilde), and teen pop rock laced with violins (Marty Wilde's version of Jerry Keller's Here Comes Summer), another Jerry Keller cover is the Roy Bennett-Sid Tepper composition If I Had A Girl done mambo style by Johnny Gentle, Lyn Cornell's seductive mambo pop Smooth Operator, the pizzicato Be Mine (Marty Wilde) and the Playmates cover What Is Love courtesy of The Vernons Girls. Boy Meets Girls furthermore featured pop variety with string arrangements meets teen rock (Lyn Cornell's popcorn Sarah Vaughan cover Broken Hearted Melody), crooners (Marty Wilde covers Nat King Cole's dreamy When I Fall In Love, Pat Boone's April Love sung by Marty Wilde in duet with Joyce Baker of The Vernons Girls who - boy indeed met girls - became Joyce Wilde when they married during Boy Meets Girls' run. 63 years later they're still together), romantic love songs like As Time Goes By (Marty Wilde) and even dixieland charleston (Down By The Riverside and Chris Barber's Hot Time In The Old Town Tonight by Marty Wilde), woven together with typical British comedy dialogues and skits.
By no means it is my intention to mention all 116 tracks here, but know that the set contains every second that remains of the 26 episodes of Boy Meets Girls, including four complete shows, recordings partly unheard since the day they aired in 1959-1960. Of some songs only fragments have survived. In general the sound quality is surprisingly good, but a limited number of tracks sound very muffled showing background noise and hiss, and unfortunately these include a few of the Gene Vincent songs - Baby Blue, I Got A Baby, Summertime and Right Here On Earth sound like the audio transmission came from the moon. Billy Fury's own Baby How I Cried and his Elvis cover Too Much also suffer from a lousy sound. The 8 page digipack includes a 64 page CD booklet, not an easy task either since not even the scripts were preserved. But however you look at this and more importantly listen to it, Mighty Good is a historical document and musical archaeology with which Rockstar rivals the quality of a label like Bear Family.
Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


DESTINATION JAIL VOL. 2
Bear Family, BCD17709
English version: see below

De één jaar geleden uitgebrachte Bear Family CD Destination Jail (BCD17689) bevatte 31 country en in mindere mate rock 'n' roll tracks handelend over het gevangeniswezen, deze opvolger behandelt hetzelfde onderwerp bekeken vanaf de andere kant van de raciale barrière met 24 rhythm 'n' blues, blues en zwarte rock 'n' roll songs uit 1950-1961 waarin de bajes, corrupte agenten en vijandig gezinde rechters de hoofdrol spelen. Schuld, onschuld en boetedoening, de arme die een brood steelt, weet u wel, hebben altijd bestaan in de muziek, sinds het begin der tijden een uiting van emoties, maar in tegenstelling tot de countrymuziek die het thema overerfde uit de Anglo-Keltische traditie van de murder ballad doordrenkt met cowboyromantiek uit de mythe van het wilde westen, was het voor de zwarte bevolking die geketend arriveerde in Amerika vaak bittere realiteit. Na generaties slavernij en rassenscheiding maken ze immers tot op heden nog steeds een groter deel van de gevangenispopulatie uit én krijgen ze statistisch gezien langere straffen, al is dat uiteraard een maatschappelijke discussie die hier niet dient gevoerd. Muzikaal wordt het thema behandeld met zowel galgenhumor (het bekende Riot In Cell Block No. 9 van The Robins, de medium tempo rhythm 'n' blues saxofoon boogie But Officer van Sonny Knight) als metaforisch (de bluesnummers My Home Is A Prison van Lonesome Sundown en I'm A Prisoner van Eddie Boyd), maar ook met rock 'n' roll: Frankie Lymon, zoals geweten géén juvenile delinquent, covert zonder zijn Teenagers op voorbeeldige wijze Jailhouse Rock, en Magic Sam's 21 Days In Jail is bijna zwarte rockabilly. Wynonie Harris' Good Morning Judge lijkt een doorslagje van zijn Bloodshot Eyes maar is net als Bloodshot Eyes zelf een cover van een blank nummer, in casu een western swing song van Louie Innis & his String Dusters. De grinder Please Mr. Jailer kennen we uit de film Cry Baby maar hier horen we de originele versie uit 1956 van Wynona Carr. Notoire bajesklant André Williams mag niet ontbreken met zijn Jailbait, de waarschuwing dat meisjes van vijftien tot zeventien echt wel te jong zijn in een nummer dat bijna 70 jaar na datum relevanter is dan ooit. Theola Kilgore's in violen verpakte Chain Gang, The Sound Of My Man is een antwoord op Chain Gang van Sam Cooke. The Prisoner's Song (ook bekend als If I Had The Wings Of An Angel) waarvan de oudste opname dateert uit 1924 van de blanke countryzanger Vernon Dalhart en dat op Volume 1 stond in de uptempo rockabilly versie van Sonny Burgess op Sun Records, horen we hier in twee verschillende versies. Fats Domino brengt het draaimolengewijs traag als bespeelde hij een muziekdoos in plaats van een piano, en Joe Jones coverde het datzelfde jaar 1958 medium tempo waardoor hij muzikaal Fatser dan Fats zelf klinkt. Uit de onuitputtelijke New Orleans bronnen borrelen voorts Smiley Lewis op met het medium tempo Jailbird (zoals zovele in New Orleans opgenomen songs geschreven door Dave Bartholomew) en Jail Bird van Sonny Knight. Er is groovy sixties met een ander nummer getiteld Jail Bird dat een solo opname van "5" Royals songschrijver en gitarist Lowman Pauling is, en tot de meer blues swing getinte opnames behoren Hey Mr. Warden van Danny Cobb dat gewoon een cover van Hurricane Harry's The Last Meal blijkt en het van een funky Hammond orgel voorziene Jailbait van Roosevelt Sykes. Echte blues is Prisoner's Plea van Billy Boy Arnold, Prison Blues van T-Bone Walker, Josh White's akoestische Ball And Chain Blues en Willie Nix' semi-akoestische Prison Bound Blues, in 1952 opgenomen bij Sun Records maar destijds op het schap blijven liggen. De CD bevat één opname van echte gevangenen, de gevoelige ballade A Prisoner's Prayer van de bekende Prisonaires die onder gewapende politiebegeleiding lang genoeg de Tennessee State Penitentiary in Nashville mochten verlaten om te gaan opnemen bij Sun Records. Ook Eugene Mumford had (onschuldig) in de bak gezeten voor verkrachting (hij kreeg later eerherstel) alvorens hij in 1951 als leadzanger van The Larks de vocal harmony ballade When I Leave These Prison Walls opnam. Op Destination Jail Vol. 2 staat ook één blanke song, Jailhouse Blues van de Ierse zangeres Ottilie Patterson begeleid door Chris Barber's Jazz Band, en dan weet u dat het Dixieland trompet jazzblues is in de stijl van een Bessie Smith, en in dit geval trage Dixieland trompet jazzblues. Goeie compilatie met een booklet van 20 pagina’s, alleen jammer dat er in tegenstelling tot het eerste volume "slechts" 24 songs opstaan want er zijn ongetwijfeld nog een pak meer gelijkaardige opnames. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

The Bear Family CD Destination Jail BCD17689, released a year ago, contained 31 country and to a lesser extent rock 'n' roll tracks about the prison system, this follow up deals with the same subject viewed from the other side of the racial barrier with 24 rhythm 'n' blues, blues and black rock 'n' roll songs from 1950-1961 about the can, corrupt cops and hostile judges. Guilt, innocence and redemption, the theme of the poor man stealing a loaf of bread, have always existed in music, itself an expression of emotions since the dawn of time, but contrary to country music which inherited the theme from the Anglo-Celtic tradition of the murder ballad mixed with the cowboy romanticism from the myth of the wild west, it was often bitter reality for the African Americans whose life in the new world had started in chains. After generations of slavery and racial segregation up to this day they still make up a higher percentage of the prison population than other demographic groups and analysis reveals statistics that they receive longer prison sentences, although that is obviously a social discussion that does not have its place here. The theme can be treated with both gallows humour (The Robins' popular Riot In Cell Block No. 9, Sonny Knight's medium tempo rhythm 'n' blues saxophone boogie But Officer) as well as metaphorically (the blues numbers My Home Is A Prison by Lonesome Sundown and I'm A Prisoner by Eddie Boyd), but also with rock 'n' roll: Frankie Lymon, as known not a juvenile delinquent, covers Jailhouse Rock without his Teenagers in exemplary fashion, and Magic Sam's 21 Days In Jail is almost black rockabilly. Wynonie Harris's Good Morning Judge seems like a carbon copy of his Bloodshot Eyes but is just like Bloodshot Eyes itself a cover of a white song, in this case a western swing song by Louie Innis & his String Dusters. We all know the grinder Please Mr Jailer from the film Cry Baby but here we hear Wynona Carr's original version from 1956. Notorious sleaze hero André Williams is right at home here with Jailbait, a warning that girls aged 15 to 17 really are too young in a song that is more relevant than ever almost 70 years later. Theola Kilgore's Chain Gang, The Sound Of My Man with its string arrangement is an answer to Sam Cooke's Chain Gang. The Prisoner's Song (also known as If I Had The Wings Of An Angel) of which the oldest version was recorded in 1924 by white country singer Vernon Dalhart and which can be heard on Volume 1 in Sonny Burgess' uptempo rockabilly version on Sun Records, is on the CD in two different versions. Fats Domino performs it merry-go-round style slow as if he were playing a music box instead of a piano, and Joe Jones covered it in the same year 1958 medium tempo making Jones sound more like Fats than Fats himself. From the bottomless New Orleans wells also bubbled up Smiley Lewis' medium tempo Jailbird (like so many songs recorded in New Orleans written by Dave Bartholomew) and Sonny Knight's Jail Bird. There's groovy sixties with another song titled Jail Bird which is a solo recording by "5" Royals songwriter and guitarist Lowman Pauling, and two blues swing styled recordings are Danny Cobb's Hey Mr. Warden which turns out to be a cover of Hurricane Harry's The Last Meal and Roosevelt Sykes Jailbait with a funky Hammond organ. Billy Boy Arnold's Prisoner's Plea, T-Bone Walker's Prison Blues, Josh White's acoustic Ball And Chain Blues and Willie Nix's semi-acoustic Prison Bound Blues, recorded in 1952 at Sun Records but shelved, are real blues. The CD contains one recording by real prisoners, the sensitive ballad A Prisoner's Prayer by the famous Prisonaires who were allowed to leave the Tennessee State Penitentiary in Nashville under armed police escort long enough to record at Sun Records. Eugene Mumford also served time for a rape he did not commit (he later received a full pardon) before recording the vocal harmony ballad When I Leave These Prison Walls as lead singer of The Larks in 1951. Destination Jail Vol. 2 also features one white song, Jailhouse Blues by Irish singer Ottilie Patterson accompanied by Chris Barber's Jazz Band, and then you know it's Dixieland trumpet jazz blues in the style of Bessie Smith, and in this case slow Dixieland trumpet jazz blues. This is a darn good compilation with a 20 page booklet, but it's a pity it has "only" 24 songs as opposed to Vol. 1's 31 tracks since there are undoubtedly a lot more similar recordings out there. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


IT'S A HILLBILLY BOOZE PARTY VOLUME TWO - HANGOVER TAVERN
Atomicat, ACCD142
English version: see below

Voor alle Juke Joint Johnny's heeft Mark Armstrong een tweede volume Hillbilly Booze Party samengesteld en dat betekent opnieuw 28 tracks uit de gouden dagen van de country swing en boppin' hillbilly, en dan hebben we het op deze CD over de periode van 1941 tot 1962. De kroegbaas sluit een vers vat aan en tapt gestroomlijnde country boogie met onder meer Hardrock Gunter en zijn Honky Tonk Baby en een goeie cover van Lattie Moore's Juke Joint Johnny door Jim Atkins, een halfbroer van Chet Atkins. Ook familie vàn is Jesse Rogers, een neef van jaren '30 country pionier Jimmie Rodgers, al verbasterde de platenfirma zijn achternaam Rodgers tot Rogers. Zijn Hadacol Boogie is een voor 1948 bijzonder vlotte boogie woogie. Een volgend rondje serveert gesofisticeerde country swing zoals Lattie Moore's Drunk Again en Hank Thompson's Hangover Tavern met een fingerpickende Merle Travis op gitaar in de stijl van Thompson's populaire A Six Pack To Go dat ook op de CD staat. Een nummer dat heel sterk doet denken aan A Six Pack To Go is de opgewekte countrybilly Big Glass Of Wine van Whitey Knight. Doe ze nog eens vol met feestelijke bluegrass met Harry Peppel & his Shenandoah Rangers (Oh My Aching Head), afgewisseld met walsjes (Brothers Of A Bottle van Leon Payne die later terug komt onder het pseudoniem Pat Patterson met de meezinger First You Buy The Beer), polkas (Beer Bottle Mama van The 101 Ranch Boys) en de vrolijke non-stop pianostomp van Merrill Moore's Bartender's Blues. Er zijn ook uitstapjes naar oudere (Bob Williams met Crackers Cheese And Bee uit 1951 en de voor 1941 onwaarschijnlijk swingende western swing instrumental Beer Parlour Jive van The Hi-Flyers) en zelfs klaaglijke moralistische nummers als Honky Tonk Baby van Sam Nichols with The Melody Rangers uit 1947, een reactionaire stroming in de countrymuziek die we terughoren in de ballade The Glass That Stands Beside You van Hawkshaw Hawkins' toekomstige echtgenote en latere weduwe Jean Shepard begeleid door een band onder leiding van Ferlin Husky. Vaker hebben de nummers evenwel een komische insteek zoals Warm Beer And A Cold Cold Woman van The Oklahoma Wranglers. Wilder, al dan niet onder invloed van de drank, is Joe ''Cannonball'' Lewis' You've Been Honky Tonkin'.
De bekendste honky tonkers op de CD zijn George Jones met het standaard medium tempo country Bubbles In My Beer en Johnny Horton met het minder voor de hand liggende Red Lips And Warm Red Wine, nochtans in zijn bekende stijl waarmee we niét zijn Honky Tonk Man/ Honky Tonk Hardwood Floor rock 'n' roll stijl bedoelen. U kan als bekendste naam ook opteren voor Malcolm Yelvington met Drinkin' Wine Spo Dee O Dee, in 1954 een van de songs die de overgang van Sun country naar Sun rock 'n' roll bewerkstelligden. Een ander bekend nummer is het ondanks zijn sensationele titel ten zeerste moralistisch Dim Lights Thick Smoke (And Loud Loud Music), en de uitvoering van Lester Flatt & Earl Scruggs is gewijde medium tempo bluegrass. Nog bekende namen - ons vaak bekend omdat we de artiesten leerden kennen op de hillbilly LP’s die wij in de jaren '80 kochten of omdat we Bear Family CD’s van hen hebben - zijn Rod Morris (Three Little Bottles), Jimmy Swan (het medium tempo Juke Joint Mama) en Jimmie Dolan (Wine Women And Pink Elephants in Dolan's kenmerkende Hot Rod Race stijl). Steelgitaren flitsen alle kanten uit, honky tonk pianos sprankelen all over the place, en net als op flessen sterke drank zou deze hickbilly CD de vermelding "verslavend" moeten bevatten. Minder drinken betekent trouwens meer centen voor CD’s!
Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

For all you Juke Joint Johnny's out there Mark Armstrong has put together a second Hillbilly Booze Party volume which means another 28 tracks harking back to the golden days of country swing and boppin' hillbilly, and on this CD that means from 1941 to 1962. Set 'em up, bartender, and serve us some stylish country boogie from the likes of Hardrock Gunter and his Honky Tonk Baby and a great cover of Lattie Moore's Juke Joint Johnny by Jim Atkins, the older half-brother of Chet Atkins. Another artist who's family òf is one Jesse Rogers, a cousin of 1930s country pioneer Jimmie Rodgers, even though the record company butchered his surname Rodgers to Rogers. His Hadacol Boogie is a boogie woogie that's very streamlined for the year of 1948. The next round of drinks is sophisticated country swing like Lattie Moore's Drunk Again and Hank Thompson's Hangover Tavern with Merle Travis fingerpicking on the guitar in a tune reminiscent of Thompson's popular A Six Pack To Go which also features on the CD. A song that sounds a lot like A Six Pack To Go is Whitey Knight's upbeat countrybilly Big Glass Of Wine. Fill 'em up again with jubilant bluegrass courtesy of Harry Peppel & his Shenandoah Rangers (Oh My Aching Head), mixed with waltzes (Brothers Of A Bottle by Leon Payne who returns using the pseudonym Pat Patterson with the sing-along First You Buy The Beer), polkas (Beer Bottle Mama by The 101 Ranch Boys) and the upbeat non-stop piano stomp of Merrill Moore's Bartender's Blues. There are also forays into older (Bob Williams with Crackers Cheese And Bee from 1951 and The Hi-Flyers western swing instrumental Beer Parlour Jive which is remarkably swinging for 1941) and even plaintive moralistic songs like Sam Nichols with The Melody Rangers' Honky Tonk Baby from 1947, a reactionary movement in country music that is also reflected in the ballad The Glass That Stands Beside You by Hawkshaw Hawkins' future wife and later widow Jean Shepard accompanied by a band led by Ferlin Husky. More often however the songs have a comic angle, for example The Oklahoma Wranglers' Warm Beer And A Cold Cold Woman. The wilder side of life, whether under the influence of alcohol or not, is Joe ''Cannonball'' Lewis' You've Been Honky Tonkin'.
The best known honky tonkers on the CD are George Jones with the standard medium tempo country Bubbles In My Beer and Johnny Horton with the less obvious Red Lips And Warm Red Wine, though it's in his familiar style by which we do not mean his Honky Tonk Man/ Honky Tonk Hardwood Floor rock 'n' roll style. You could argue that Malcolm Yelvington is best known here thanks to his Drinkin' Wine Spo Dee O Dee, one of the songs that in 1954 brought about the transition from Sun country to Sun rock 'n' roll. And you probably know Dim Lights Thick Smoke (And Loud Loud Music) too, another one of those highly moralistic songs despite its sensational title. Lester Flatt & Earl Scruggs' rendition here is sacred medium tempo bluegrass. There's a couple more familiar names on here - often familiar to us because we discovered the artists on the hillbilly LP’s we bought in the 1980s or because we have Bear Family CD’s of them - like Rod Morris (Three Little Bottles), Jimmy Swan (the medium tempo Juke Joint Mama) and Jimmie Dolan (Wine Women And Pink Elephants in Dolan's signature Hot Rod Race style). Steel guitars flash in all directions, honky tonk pianos sparkle all over the place, and just like bottles of hard liquor this hickbilly CD should be labelled "addictive". But don't forget: less drinking means more money to buy CD’s!
Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


BEATIN' ON COUNTRY MUSIC
Bear Family, CD17670
English version: see below

Eén van de eerste LP’s die ik op mijn vijftiende als beginnende rocker kocht was de LP Good Old Rock & Roll van The Dave Clark Five, een Belgische budget LP op Music For Pleasure (mijn zakgeld was als vijftienjarige beperkt) vol covers van rock 'n 'roll hits. Het was samen met Eddie Cochran, Gene Vincent, Crazy Cavan & the Rhythm Rockers, Freddie Fingers Lee, The Riot Rockers en een paar verzamel LP’s niet alleen een van de eerste LP’s die ik kocht, maar ook een van de weinige die ik ooit terug verkocht heb. The Dave Clark Five bleek immers beatmuziek die het van geen kanten haalde bij het échte spul van Gene en Eddie en Cavan. Zoveel jaar later ben ik een oude zeurkous geworden, maar beatmuziek heb ik wel degelijk leren appreciëren. Rockende beatmuziek, dat spreekt, bijvoorbeeld de rock 'n' roll covers die The Beatles in hun jonge jaren opnamen. Deze CD is nog net iets anders, namelijk dertig covers 1962-1966 van country songs door 25 voornamelijk Britse beat en jaren '60 bands! Een vreemd idee? Misschien niet, tenslotte hebben The Beatles ooit Act Naturally van Buck Owens gecoverd. Wat beat en country verbindt is de zoektocht naar melodie en harmonieuze samenzang - luister hoe de zang van Stick With Me Baby van Jimmy & the Rackets uit 1963 hier gebaseerd is op de originele versie van The Everly Brothers van twee jaar daarvoor. De roots van de beat en de Britse rock 'n' roll lagen immers in de skiffle, en skiffle was gebaseerd op folk, country en blues. De CD heeft meer weg van de Bear Family reeks The Brits Are Rocking waarvan we een aantal artiesten terugvinden op deze CD dan dat ie echte beatmuziek bevat, omdat de meeste songs eerder neigen naar sixties rock 'n' roll stijl Star-Club dan naar beat of naar soul, bijvoorbeeld Alex Harvey's versie van You Are My Sunshine, een nummer dat zich door zijn rechtdoor structuur uiteraard prima leent tot verrock 'n' rollen, ik denk aan de versie van Crazy Cavan & the Rhythm Rockers. Soms gaat het er verrassend rockend aan toe: Who Shot Sam van de onbekende country band Sonny Webb & the Cascades uit Liverpool klinkt vokaal heel erg George Jones. Tot de countryrock behoort de Buck Owens cover Above And Beyond van The Downliners Sect, de Britse rhythm 'n blues band die in 1965 met hun tweede LP Country Sect vriend en vijand verbaasde omdat dat een country plaat was. Van die LP horen we ook hun heel Creedence Clearwater Revival klinkende Midnight Special en een bijna honky tonk skiffle Wreck Of The Old '97. Leuke covers zijn er met Jambalaya (Tony Sheridan & the Beat Brothers), Marty Robbins' Ruby Ann (King Size Taylor & the Dominoes), Charlie Rich's Mohair Sam (Lee Curtis), Jerry Lee Lewis' Fools Like Me (The Merseybeats), (een door Bo Diddley's versie beïnvloede?) Sixteen Tons (Johnny Sandon, zanger van The Searchers vòòr ze hits scoorden), Tennessee Waltz (Billy J. Kramer & the Dakotas), Lonely Weekends (Mike Sheridan & the Nightriders klinken in 1965 als de brug tussen Cliff Richard & the Shadows en The Beatles), Roy Orbison's Candy Man (The Hollies klinken als The Rolling Stones), The Wild Side Of Life (opgewekte sixties pop van Tommy Quickly & the Remo Four), Don Gibson's Sea Of Heartbreak (melodieuze pianopop door The Searchers) en Carl Smith's Hey Joe (diezelfde Searchers in 1963 live in de Star-Club met een intro die wat weg heeft van Ray Charles). Zei daar iemand Ray Charles? The Spencer Davis Group copiëerde in 1966 niet onverdienstelijk zijn jazzy ballade Georgia On My Mind met veel soul.
Niet-Brits zijn Tony & the Initials uit New Zealand (een gezellig uptempo gefloten Knee Deep In The Blues), The Bobby Patrick Big Six uit Schotland (een jazzy orgel swingend live Your Cheatin' Heart met piepende sax), Jerry Williams & the Violents uit Zweden (een bewerking van de stokoude folksong Darling Nelly Grey, in 1950 de basis voor Bob Wills' Faded Love), The Poor Things uit Duitsland (de saxofoon ballade Danny Boy), Mike Warner & the New Stars uit Duitsland (de Everly Brothers cover I Wonder If I Care As Much) en Didi & his ABC Boys uit Duitsland (een uptempo popversie van de Kingston Trio folksong Greenback Dollar, niet het Ray Harris nummer op Sun Records). Billy Thorpe & the Aztecs komen uit Australië en hun Devoted To You werd in 1965 door hun platenfirma toegeschreven aan componist Boudleaux Bryant. Foutje: Bryant schreef inderdaad een nummer getiteld Devoted To You voor The Everly Brothers, maar een kind kan horen dat dat een compleet ander nummer is. Déze Devoted To You was een cover van een nummer van de Britse beat band The Dennisons dat in Australië ook werd opgenomen door Ray Brown & the Whispers. Bill Thorpe & the Aztecs brengen ook een sympathieke versie van Hank Williams' Half As Much. Er staat ook één nummer op van een Nederlandse band, The Incrowd uit Den Haag (er waren in Nederland nog twee andere groepen genaamd The Incrowd in Utrecht en in Haarlem) wier soulvolle ballade I'll Make It All Up To You een cover was van Jerry Lee Lewis' door Charlie Rich geschreven B-kant van het eveneens door Charlie Rich geschreven Break Up uit 1958. Eén nummer staat in twee versies op de CD, John D. Loudermilk's bluesy Tobacco Road, beide tamelijk psyche, namelijk de hitversie van The Nashville Teens (de groep die Jerry Lee Lewis begeleidde op zijn LP Live At The Star-Club in Hamburg die wel eens de beste live plaat aller tijden wordt genoemd) en een in het Duits gezongen versie van The Lords waarmee u meteen weet dat dit een Duitse band en niet de begeleidingsgroep van Rob de Nijs was. Ik was aangenaam verrast door deze CD die bewijst hoe multi-disciplinair, universeel en tijdloos sommige van die countrysongs zijn - een goeie song blijft een goeie song, hoe je'm ook speelt. Voor wie zoals ik niet thuis is in beat en aanverwanten steekt er een 26 pagina’s tellend full colour booklet bij met tekst en uitleg over de bands. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)

One of the first albums I bought when I was fifteen discovering rock 'n' roll music was The Dave Clark Five's Good Old Rock & Roll, a Belgian budget LP on Music For Pleasure (my pocket money was limited as a fifteen-year-old) filled with covers of rock 'n' roll hits. Alongside Eddie Cochran, Gene Vincent, Crazy Cavan & the Rhythm Rockers, Freddie Fingers Lee, The Riot Rockers and a couple of compilations it was not only one of the first LP’s I bought, but also one of the few LP’s I ever sold again. After all The Dave Clark Five turned out to be beat music that didn't measure up to the real stuff by Gene and Eddie and Cavan. Many years later I have become a grumpy old man, but I did learn to appreciate beat music. Rockin' beat music, that is, for instance the rock 'n' roll covers The Beatles recorded in their early days. This CD is however slightly different, containing 30 country covers 1962-1966 recorded by 25 mainly British beat and sixties bands! A strange concept? Perhaps not, for after all The Beatles covered Buck Owens' Act Naturally. Beat music and country music are linked through their search for melody and harmony vocals - listen how the vocal stylings of Jimmy & the Rackets' 1963 Stick With Me Baby here are based on The Everly Brothers' 1961 original. The roots of beat and British rock 'n' roll lay in skiffle, and skiffle was based on folk, country and blues. The CD is more akin to the Bear Family series The Brits Are Rocking of which some of the artists are heard here as well than to real beat music, as most of the songs tend to lean towards sixties rock 'n' roll Star-Club style rather than towards beat or soul music, for example Alex Harvey's version of You Are My Sunshine with its straight forward structure that lends itself very well to rock it up, I'm thinking of Crazy Cavan & the Rhythm Rockers' version. Sometimes things even get surprisingly rockin': Who Shot Sam by the forgotten Liverpool country band Sonny Webb & the Cascades sounds vocally very much like George Jones. Another country rock track is the Buck Owens cover Above And Beyond by The Downliners Sect, the British rhythm 'n blues band that in 1965 surprised friend and foe with their second LP Country Sect because it was a country album. From that LP we also get their very Creedence Clearwater Revival sounding Midnight Special and an almost honky tonk skiffle Wreck Of The Old '97. Interesting covers include Jambalaya (Tony Sheridan & the Beat Brothers), Marty Robbins' Ruby Ann (King Size Taylor & the Dominoes), Charlie Rich's Mohair Sam (Lee Curtis), Jerry Lee Lewis' Fools Like Me (The Merseybeats), (the Bo Diddley-influenced?) Sixteen Tons (Johnny Sandon, lead singer of The Searchers before they scored hits), Tennessee Waltz (Billy J. Kramer & the Dakotas), Lonely Weekends (Mike Sheridan & the Nightriders in 1965 bridging the gap between Cliff Richard & the Shadows and The Beatles), Roy Orbison's Candy Man (The Hollies sounding like The Rolling Stones), The Wild Side Of Life (upbeat sixties pop by Tommy Quickly & the Remo Four), Don Gibson's Sea Of Heartbreak (melodic piano pop by The Searchers) and Carl Smith's Hey Joe (the same Searchers in 1963 live at the Star-Club with an intro that sounds a bit like Ray Charles). Did someone say Ray Charles? In 1966 The Spencer Davis Group kopied his jazzy ballad Georgia On My Mind not without merit but with a lot of soul.
Non-British are New Zealand's Tony & the Initials (a jolly uptempo whistled Knee Deep In The Blues), Scotland's The Bobby Patrick Big Six (a jazzy organ swinging live Your Cheatin' Heart with squeaky sax), Sweden's Jerry Williams & the Violents (a reworking of the ancient folk song Darling Nelly Grey, in 1950 the basis for Bob Wills' Faded Love), Germany's The Poor Things (the saxophone ballad Danny Boy), Germany's Mike Warner & the New Stars (the Everly Brothers cover I Wonder If I Care As Much), Germany's Didi & his ABC Boys (an uptempo pop version of the Kingston Trio folk song Greenback Dollar, not the Ray Harris song on Sun Records), and Holland's The Incrowd (their soulful ballad I'll Make It All Up To You was written by Charlie Rich and Jerry Lee Lewis put it in 1958 on the flipside of his Break Up, also written by Charlie Rich). Billy Thorpe & the Aztecs hailed from Australia and in 1965 their record company contributed their Devoted To You to composer Boudleaux Bryant. Oops: Bryant indeed wrote a song titled Devoted For You for The Everly Brothers, but any child can hear that it's a completely different song. Their Devoted To You was a cover of a song by British beat band The Dennisons that was also recorded in Australia by Ray Brown & the Whispers. Bill Thorpe & the Aztecs also recorded a sympathetic version of Hank Williams' Half As Much. One song is on the CD in two versions, John D. Loudermilk's bluesy Tobacco Road, both quite psyche, the hit version by The Nashville Teens (the band who accompanied Jerry Lee Lewis on his LP Live At The Star-Club in Hamburg which has been called the best live recording of all time) and a version sung in German by The Lords. I was pleasantly surprised by this CD, a testimony to how multi-disciplinary, universal and timeless some of those country songs are - a good song remains a good song, no matter how you play it. For those who are, like me, unfamiliar with beat music and the like there is a 26 page full colour booklet included with text and explanations about the bands. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

14 februari 2024

THAT’LL FLAT GIT IT Vol. 43:
ROCKABILLY & COUNTRY BOP FROM THE VAULTS OF ALLSTAR RECORDS

Bear Family, BCD17692

English version: see below

De naam van dit label mikte hoog, maar ik kan me geen sterren voor de geest halen op Allstar Records, een label opgestart in 1956 dat drie sublabels had, Kool, Teen en Nu Star. De ondertitel van de CD geeft een hint, aangezien het voor deze reeks gebruikelijke "rockabilly & rock 'n' roll from the vaults of" is vervangen door "rockabilly & country bop", geen wonder gezien Allstar gevestigd was in Houston, Texas. Tenzij u de Chief CD-7700 The Best Of Allstar Houston, TX 1953-1964 bezit waarvan 13 van de 25 nummers ook op deze Bear CD staan, zullen de meeste artiesten hier geen koeienbel doen rinkelen. Toch kennen we enkele artiesten van naam, met name Johnny Bush, Link Davis, Eddie Noack en Wiley Barkdull, al ken ik geen enkele van hun songs hier. Johnny Bush brak eind jaren '60 door als country artiest maar zijn eerste twee singles verschenen reeds tien jaar eerder op Allstar, en daarvan horen we de twee uptempo zijdes. Rockabilly + country bop = boppin' hillbilly, en Bush's In My World All Alone uit 1958 is een goed voorbeeld van die boppin' hillbilly, een uptempo country shuffle met steel gitaar en een degelijke backbeat, allemaal heel gezellig, tot de solo op de elektrische gitaar losbreekt, solo die het midden houdt tussen rockabilly en western swing. Vandaar was het slechts een kleine stap naar rock 'n' roll, want met Your Kind Of Love mikte Bush duidelijk op het publiek dat wild werd van Elvis, backing koortje en opgepompte drums incluis. Er is nog meer rock 'n' roll met Link Davis' Bon Ta Ru La, een in gebrekkig Frans gezongen nummer dat geen cajun is (op het platenlabel staat "cajon rock") maar met zijn Jordanaires-achtige backing vocals, sax en op Scotty Moore lijkende gitaar de rock 'n 'roll markt beoogde - het nummer heeft een beetje de sfeer van Elvis' Dixieland Rock met extra Ain't Got No Home "hoo hoo"'s. Davis' Ballad Of Jole Blon daarentegen maakt van het nationale cajun volkslied een swamp pop ballade. Eddie Noack's Too Hot To Handle uit 1962 is een swingende hillbilly boogie heropname van zijn eigen nummer op TNT Records uit 1954, en Wiley Barkdull's When You Go klinkt even laconiek maar meer country als zijn bekendere I Ain't Gonna Waste My Time. Zijn Tiger By The Tail is daarentegen een supersonisch snelle gitaar instro. Johnny Watson ken ik als zwarte bluesgitarist maar blijkt hier een gelijknamige blanke rock 'n' roll zanger die in de prima rocker Come To The Party ook alweer zijn beste Elvis bovenhaalde. Om verder de rock 'n' roll krenten uit de CD te spitten vermeld ik ook Let's Forget We Ever Met van Tommy Hammond & the Rockin' Rebels, de pure white rock van Beat Back Baby van Bobby Clanton & the Citations met hun vals spelende metalige gitaren, de door Chuck Berry beïnvloede rechtdoor gitaarrocker Red Dress van Johnny Huskey & the King Bee's, het vlotte I Love My Baby van de wat wanhopig klinkende Tommy Graham en de piepende sax in Daniel James' even primitief als Starday klinkende Rock Moon Rock. Rockende early sixties country zoals die de dag van heden erg populair is bij een deel van het rock 'n' roll publiek is Walked Out van Larry Butler uit 1964. Merkwaardig is Ray Frushay's novelty nummer Hijackin' uit 1961 over een gekaapt vliegtuig dat afgeleid wordt naar Fidel Castro's Cuba, een nummer dat qua bizarriteit geëvenaard wordt door de medium tempo horror boogie Ten Horned Devil van Prince Arky & his Westerners. Nummers als Out Yonder van Ray Mitcham, Rocky Williams' platte Rock Cinderella, Johnny On The Spot van Red Mansel & his Hillbilly Boys, My Little Baby van Jerry Matthews en Just For Tonight van Tommy Trent stond vroeger met honderdvoudig gelijkaardig materiaal op White Label en Collector Records, Trent's A Mile To The Mailbox is daarentegen ouderwetser maar toch met elektrische gitaar. When I'm Gone van Jerry Jericho koppelt honky tonk piano aan een square dans ritme. Pure hillbilly in de zin van uptempo country met vrolijk fiedelende fiddles, swingende steel en boogie woogie piano zijn What Is It van Kenny Everett & the Texas Showboys, meer overhellend naar de vlotte country boogie zijn The Love That Thrills van Earl Aycock met een voor dit soort nummer verrassend rockende gitaarsolo, Mama Doll van Lawton Williams (schrijver van Bobby Helms' Fraulein), I'm Gonna Move van Daniel James, en Foolish Affair van Larry Butler (de klaaglijke samenhang op zijn Echoes Fade And Die is schatplichtig aan de bluegrass). Traditionelere country is What Right Have I van Jerry Jericho.
De enige hit die Allstar ooit scoorde ontbreekt niet, en dat was Adrian Roland's Imitation Of Love, een vlotte uptempo country tune in de stijl van een George Jones en Buck Owens die in 1960 de country Top 20 haalde. Bijzonder opmerkelijk is Roland's Mr. Bass Fiddle, een contrabaswerkje dat in 1959 de mosterd haalde bij Fever van Peggy Lee, terwijl ommezijde Now I Know dan weer een tranentrekker eerste klas was. De CD is tot het randje gevuld met 35 tracks = 77 minuten waarvan de hi fi kwaliteit klinkt als de white rock op Collector Records, met genoeg rock 'n' roll om het ook interessant te houden voor luisteraars die niet gespecialiseerd zijn in hillbilly. Muzikaal is het zeker een buitenbeentje in de That'll Flat Git It reeks, maar als je van hillbilly houdt is het absoluut een aanrader. Allstar sloot de deuren in 1966.
Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

The name of this label aimed high, but I can't think of any stars on Allstar Records, a label started in 1956 that had three sub labels, Kool, Teen and Nu Star. The CD's subtitle gives a hint, for the series' usual "rockabilly & rock 'n' roll from the vaults of" has been replaced by "rockabilly & country bop", no surprise taking into account that Allstar was based in Houston, Texas. Unless you have the Chief CD-7700 The Best Of Allstar Houston, TX 1953-1964 of which thirteen out of the 25 tracks are also on this Bear CD, most of the artists here won't ring a cowbell. We do know some artists by name however, notably Johnny Bush, Link Davis, Eddie Noack and Wiley Barkdull, even though I don't know any of their songs here. Johnny Bush broke through as a country artist in the late 1960s but his first two singles appeared on Allstar a decade before, and of these we hear the two uptempo sides. Rockabilly + country bop = boppin' hillbilly, and Bush's In My World All Alone from 1958 is a fine slice of boppin' hillbilly, an uptempo country shuffle with steel guitar and a solid backbeat, very nice and all, until the electric guitar solo breaks loose, a solo hanging in between rockabilly and western swing. A small step for man, a giant leap for rock 'n' roll, because with Your Kind Of Love Bush was clearly marketing the audience that went wild for Elvis, including backing vocals and pumped up drums. There's more rock 'n' roll with Link Davis' Bon Ta Ru La, a song which is not cajun (the record label calls it "cajon rock") sung in French patois but aimed at the rock 'n' roll market with its Jordanaires-styled backing vocals, sax and Scotty Moore-like guitar - it sounds a bit like Elvis' Dixieland Rock with extra Ain't Got No Home "hoo hoo"'s. Davis' Ballad Of Jole Blon on the other hand turns the national cajun anthem into a swamp pop ballad. Eddie Noack's Too Hot To Handle from 1962 is a swinging hillbilly boogie re-recording of his own 1954 song on TNT Records, and Wiley Barkdull's When You Go sounds as laid back as but more country than his better known I Ain't Gonna Waste My Time. Then again his Tiger By The Tail is a supersonically fast guitar instro. I also know Johnny Watson, but as it turns out it's is not the black blues guitarist here but a white rock 'n' roll singer who also brought out his best Elvis in the fine rocker Come To The Party. To further pick out the rock 'n' roll gems I'd like to mention Tommy Hammond & the Rockin' Rebels' Let's Forget We Ever Met, the out of tune metallic guitars of Bobby Clanton & the Citations' hardcore white rock Beat Back Baby, Johnny Huskey & the King Bee's' Chuck Berry influenced straight ahead guitar rocker Red Dress, the smooth I Love My Baby by the somewhat desperate sounding Tommy Graham and the squeaky sax in Daniel James' as primitive as Starday sounding Rock Moon Rock. Rockin' early sixties country played the way it's very popular today with part of the rock 'n' roll audience is Larry Butler's Walked Out from 1964. Noteworthy is Ray Frushay's 1961 novelty number Hijackin' about a hijacked plane that's being diverted to Fidel Castro's Cuba, a song paralleled in bizarrity by Prince Arky & his Westerners' medium tempo horror boogie Ten Horned Devil. Ray Mitcham's Out Yonder, Rocky Williams' rather flat sounding Rock Cinderella, Red Mansel & his Hillbilly Boys' Johnny On The Spot, Jerry Matthews' My Little Baby and Tommy Trent's Just For Tonight are the type of songs that used to make up the bulk of White Label and Collector Records, while Trent's A Mile To The Mailbox is more old-fashioned but still sporting electric guitar. Jerry Jericho's When I'm Gone pairs honky tonk piano with a square dance rhythm. Pure hillbilly in the sense of uptempo country with merrily fiddling fiddles, swinging steel and boogie woogie piano is Kenny Everett & the Texas Showboys' What Is It, and Earl Aycock's The Love That Thrills with a surprisingly rockin' guitar solo for this type of song, Lawton Williams' (the guy who wrote Bobby Helms' Fraulein) Mama Doll, Daniel James' I'm Gonna Move and Larry Butler's Foolish Affair lean more towards streamlined country boogie. The plaintive duet singing on Butler's Echoes Fade And Die is indebted to bluegrass, and Jerry Jericho's What Right Have I is more traditional country fare.
The only hit Allstar ever scored is included, Adrian Roland's Imitation Of Love, a smooth uptempo country tune in the style of George Jones and Buck Owens that hit the country Top 20 in 1960. A remarkable track is Roland's Mr Bass Fiddle, a double bass workout probably based upon Peggy Lee's Fever, while flipside Now I Know was a first class tearjerker. The CD is filled to the brim with 35 tracks = 77 minutes in a hi fi quality that sounds like white rock on Collector Records, with enough rock 'n' roll to keep things interesting for listeners not specialised in hillbilly. Musically it's definitely an odd one out in Bear Family's That'll Flat Git It series, but if you dig hillbilly it comes highly recommended. Allstar closed its doors in 1966. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)


BOOZE PARTY
Atomicat, ACCD145

English version: see below

Op 5 december was het exact 90 jaar geleden dat in Amerika de drooglegging werd opgeheven, het einde van dertien jaar verbod op alcoholproductie en -consumptie, een verbod dat uiteindelijk enkel leidde tot het illegaal stoken van alcohol waarop de maffia het patent had. U kent ongetwijfeld de (al dan niet Hollywood) filmbeelden van de politie die speakeasies binnenvalt en vaten alcohol kapot slaat. Die verjaardag is voor Atomicat/Koko Mojo het perfecte excuus voor twee CD’s rond het thema booze oftewel drank, waarbij we uiteraard alcoholische versnaperingen bedoelen - een CD over limonade en fris zou lang niet zoveel verkopen, nietwaar? Op Atomicat verscheen deze Booze Party - The Rockers, op Koko Mojo tegenhanger KM-CD-180 Sloppy Drunk - R & B Rockers. Booze Party bevat heel wat fikse rockers zoals Tommy Law's white rockende stop-starter Cool Juice en FBI Story van Rudy Grayzell dat zich afspeelt tussen 1929 en 1933 en heel kleurrijk en beeldrijk de bikkelharde strijd tussen het FBI en het syndicaat verhaalt. Die single verscheen in 1959 en datzelfde jaar liep er in de bioscoop een gelijknamige gangsterfilm met James Stewart en Vera Miles, maar is er geen verband tussen beide. Illegaal gestookte alcohol stond bekend onder verschillende namen waarvan moonshine de bekendste is, en daarbij denken we meteen aan halfgare hillbillies verstopt ergens in de bergen. Moonshine van Whitey Pullen heeft dezelfde drive als White Lightning (een andere term voor moonshine) van George Jones, de backwoods rockabilly bopper Moonshine van Montie Jones is een heel ander nummer, en een derde nummer met dezelfde titel, nu van Cecil Moore, is meer een standaard rock 'n' roll stroll met honky tonk piano. Jack Holt's Moonshine Still tenslotte is rockende countryrock. Nog een andere benaming voor moonshine is mountain dew, door Hoke Simpson bezongen in het sympathieke Mountain Dew Rock, een beschaafde bopper aangedreven door backing vocals die denken dat ze The Jordanaires zijn. George Jones nam zelf een vervolg op zijn grote hit White Lightning op waarin hij de feiten beoordeelt vanuit het standpunt van de Revenuer Man, de belastinginspecteur, en dat nummer staat op de CD in een coverversie van Bill Goodwin. Red Wine van The Five Chords is een big band rocker zoals die in de begindagen van de rock 'n' roll en masse werden geproduceerd door dansorkesten die bij de pinken waren. Doe ze nog eens vol, en nog zo eentje is Pink Champagne van The Tyrones. Bij de indianen heette die alcohol vuurwater en Firewater van The Premieres is een schitterende gitaar-sax instro met roodhuiden op het oorlogspad. In het instrumentale kamp tappen voorts The Wailers een frisse pint in de uptempo piano-sax stroll Tall Cool One. Of gaat het over cocktails, want die piano tinkelt als ijsblokjes? Lee Finn jat een typische Johnny Cash gitaarintro voor zijn Pour Me A Glass Of Wine dat klinkt als een meer rockabilly uitvoering van de spaarzame Cash-abilly sound. One Scotch One Bourbon One Beer, origineel van Amos Milburn uit 1953, is een klassieker der bluesrock, maar The Five Encores maken er swingende samenzang van begeleid door piano en jazzy gitaar. Bloodshot Eyes kennen we allemaal van Wynonie Harris of zelfs van de originele hillbilly versie van Hank Penny, maar de cover van Millie Vernon hier was mij onbekend. Ze klinkt als een variété zangeres begeleid door een hard swingende band met veel blazers, en wie graag zijn beetjes uitslaat op de dansvloer zal er veel plezier aan beleven. The Champs herwerkten hun Tequila tot Tequila Twist, en Champs saxofonist Chuck Rio herwerkte Tequila dan weer onder eigen naam tot Margarita. De boogie woogie They Raided The Joint van Chuck Murphy, nochtans een blanke pianist, klinkt erg zwart, maar zo gaat dat nu eenmaal met opnames gemaakt op het scharnier van de jaren '40 en '50, zeker als er nauwelijks andere instrumenten bij betrokken worden. Op Sloppy Drunk staat trouwens een zwarte jump blues versie van dit nummer. Bij The Pub Rock van Slim Dusty dacht ik aan het liedje dat in Vlaanderen wereldberoemd werd als Café Zonder Bier van Bobbejaan Schoepen. Dat is immers een vertaling van Slim Dusty's Pub With No Beer, maar The Pub Rock blijkt een heel ander nummer, een wilde rocker die begint met de gitaarrif van Such A Night van Elvis en in de tekst inderdaad verwijst naar Pub With No Beer.
Tot welke excessen al dat geslemp allemaal leidde horen we in Jimmy Patton's chaotische pianorocker Yah I'm Movin', Carl Perkins' door alcohol en testosteron tilt geslagen Dixie Fried, Gene Vincent's Pistol Packin' Mama die in een cabaret met een pistool staat te zwaaien, Jay Chevalier's goedgemutste gestroomlijnde country swing Too Many Bubbles, Bo Davis' rockabilly stomper Drownin' All My Sorrows en Clyde Stacy's rock 'n' roll cover van Johnny Horton's Honky Tonk Hardwood Floor. Pechvogel Sonny Burgess heeft een gat in zijn bier emmer in My Bucket's Got A Hole In It, een nummer dat de eeuwigheid zal trotseren. Dat gat weerhield Burgess er niet van de nodige goedkope Thunderbird wijn te consumeren die in 1958 met een verkoopprijs van minder dan een dollar voor een kwartliter fles waarschijnlijk geen chardonnay was en de inspiratie vormde voor Burgess' gelijknamige uptempo mondharmonica-gitaar Sun 304 instro met Billy Lee Riley op mondharp. Op Sloppy Drunk staat ook een nummer getiteld Thunderbird, maar dat is iets helemaal anders, namelijk een gezongen bluesy stroll van Dossie Terry. Bij Sun lustten ze hem blijkbaar allemààl graag want ook Gene Simmons draaide zijn hand niet om voor Drinkin' Wine, terwijl Billy Lee Riley in Trouble Bound wèèt dat het in de kroeg foute boel zal worden als hij er zijn lief ziet zitten met een ander. Uit het leven gegrepen! Ik heb er zowaar dorst van gekregen. En aangezien het altijd érgens vier uur is: tijd voor een aperitiefje... Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

December 5 marked the 90th anniversary of the end of Prohibition in America, the end of 13 years of prohibition of the production and consumption of alcohol, which in the end only led to the illegal distilling, manufacturing and distribution of alcohol by the mob. You are no doubt familiar with the film footage (whether Hollywood or real) of the police raiding speakeasies and smashing barrels of alcohol. This anniversary is the perfect excuse for Atomicat/Koko Mojo to release two theme CD’s about booze and drinking, by which we obviously mean alcoholic beverages - a CD about lemonade and soda wouldn't sell nearly as much, now would it? Atomicat released this here Booze Party - The Rockers CD, while its Koko Mojo counterpart KM-CD-180 is titled Sloppy Drunk - R & B Rockers. Booze Party contains a lot of powerful rockers like Tommy Law's white rockin' stop-starter Cool Juice and Rudy Grayzell's FBI Story set between 1929 and 1933 colourfully and pictorially recounting the tough battle between the FBI and the syndicate. That 45 was released in 1959 and the same year a gangster film of the same name with James Stewart and Vera Miles appeared in cinemas, but there is no connection between the two. Illegally distilled alcohol was known by several names of which moonshine is the most familiar, a term that immediately conjures up images of crazy hillbillies hiding somewhere out in the mountains. Whitey Pullen's Moonshine has the same drive as George Jones' White Lightning (another term for moonshine), Montie Jones' backwoods rockabilly bopper Moonshine is an entirely different song, and a third song of the same title by Cecil Moore is more of a standard rock 'n' roll stroll with honky tonk piano. Jack Holt's Moonshine Still on the other hand is rockin' country rock. Another name for moonshine is mountain dew, and Hoke Simpson's sympathetic Mountain Dew Rock is a civilised bopper driven by backing vocals who think they are The Jordanaires. George Jones himself recorded a follow-up to his big hit White Lightning in which he assesses the facts from the point of view of the Revenuer Man, and that song is heard here in a cover version by Bill Goodwin. The Five Chords' Red Wine is a big band rocker of the kind produced en masse in the early days of rock 'n' roll by smart dance orchestras. Fill 'em up bartender, and another one in the same mould is The Tyrones' Pink Champagne. The native Americans called alcohol firewater, and The Premieres' Firewater is a brilliant guitar-sax instro evoking injuns on the warpath. Other instrumental participants include The Wailers pouring a refreshing pint in the uptempo piano-sax stroll Tall Cool One. Or does the titel refers to cocktails, for that piano tinkles like ice cubes? Lee Finn steals a typical Johnny Cash guitar intro for his Pour Me A Glass Of Wine which sounds like a more rockabilly rendition of the sparse Cash-abilly sound. One Scotch One Bourbon One Beer, originally by Amos Milburn in 1953, is a blues rock classic, but The Five Encores turn it into swinging harmony vocals accompanied by piano and jazzy guitar. We all know Bloodshot Eyes from Wynonie Harris or perhaps even from Hank Penny's original hillbilly recording, but Millie Vernon's cover here was unfamiliar to me. She sounds like a variety singer accompanied by a hard swinging band with lots of brass, and if you enjoy cutting a rug on the dance floor you're gonna like it. The Champs reworked their Tequila as Tequila Twist, while Champs saxophonist Chuck Rio reworked Tequila under his own name as Margarita. Chuck Murphy's boogie woogie They Raided The Joint sounds very black for a white piano player, but that's how it goes with recordings made at the crossroads of the '40s and '50s, especially with hardly any other instruments involved. The Sloppy Drunk CD features a black jump blues version of this song. When I saw Slim Dusty's The Pub Rock I thought it would be his singalong Pub With No Beer, but The Pub Rock turns out to be a completely different song, a wild rocker that starts with the guitar riff of Elvis' Such A Night by Elvis with the lyrics indeed referring to Pub With No Beer.
All this boozing led to excesses, as evidenced in Jimmy Patton's chaotic piano rocker Yah I'm Movin', Carl Perkins' alcohol and testosterone fuelled Dixie Fried, Gene Vincent's Pistol Packin' Mama waving a gun in a cabaret, Jay Chevalier's good humoured streamlined country swing Too Many Bubbles, Bo Davis' rockabilly stomper Drownin' All My Sorrows and Clyde Stacy's rock 'n' roll cover of Johnny Horton's Honky Tonk Hardwood Floor. Poor old Sonny Burgess has a hole in his beer bucket in My Bucket's Got A Hole In It, a tune that will defy eternity. The hole didn't stop Burgess from consuming cheap Thunderbird wine which in 1958 with a retail price of less than a dollar for a quart probably was no chardonnay, inspiring Burgess' eponymous uptempo harmonica-guitar Sun 304 instro with Billy Lee Riley on mouth harp. On Sloppy Drunk there's a completely different song titled Thunderbird which is a bluesy stroll sung by Dossie Terry. Apparently everybody at Sun enjoyed a drink every now and then because Gene Simmons didn't say no to Drinkin' Wine either, while Billy Lee Riley knows in Trouble Bound there's gonna be trouble in the bar when he sees his girlfriend sitting there with someone else. Story of my life! This CD actually made me thirsty, and since it's always four o'clock somewhere I guess it's time to wet my whistle... Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


SLOPPY DRUNK
Koko Mojo, KM-CD-180
English version: see below

Op 5 december was het exact 90 jaar geleden dat in Amerika de drooglegging werd opgeheven, waarmee een eind kwam aan dertien jaar verbod op alcoholproductie en consumptie, wat uiteindelijk enkel leidde tot het illegaal stoken van alcohol waarop de maffia het patent had. U kent ongetwijfeld de (al dan niet Hollywood) filmbeelden van de politie die speakeasies binnevalt en vaten alcohol kapot slaat. Die verjaardag is voor Atomicat/Koko Mojo het perfecte excuus voor twee CD’s rond het thema booze oftewel drank, waarbij we uiteraard alcoholische versnaperingen bedoelen - een CD over limonade en fris zou lang niet zoveel verkopen, nietwaar? Op Koko Mojo verscheen deze Sloppy Drunk - R & B Rockers, op Atomicat verscheen de blanke tegenhanger ACCD145 Booze Party - The Rockers. De 29 tracks op Sloppy Drunk focussen vooral op pré-rock 'n' roll jump blues, te beginnen met Hot Lips Page's They Raided The Joint uit 1946 (op Booze Party staat een blanke boogie woogie versie). Geen jump blues boogie woogie feest zonder Louis Jordan die de dans op gang trekt in House Party. Jordan was de schrijver en originele uitvoerder van het bekendere Saturday Night Fish Fry, en één maand na Jordan bracht Gay Crosse in oktober 1949 een voor 1949 bijzonder rockende cover van dat nummer uit die we horen op deze CD.
De doo-woppende Bel-Aires drinken de vreemde combinatie White Port And Lemon Juice, en uit de doo-wop kroeg komen ook The Robins met Empty Bottles. The Andrews Sisters namen in 1939 het overbekende Beer Barrel Polka (Roll Out The Barrel) op, maar dat staat terecht niet op de CD want met rock 'n' roll heeft dat nummer niets te maken. Samensteller DJ Mark Armstrong opteerde wel voor de thematisch vergelijkbare medium tempo boogie woogie Beer Barrel Boogie van The Platters. Er staan nog een paar bekende artiesten op de CD zoals Roy Brown met de gezapige boogie Bar Room Blues, Jimmy McCracklin met het rauwe Beer Tavern Girl, Sonny Boy Williamson met twee keer semi-akoestische countryblues in Bring Another Half A Pint en Whiskey Head Blues, en Wynonie Harris met een prima Drinkin' Wine Spo Dee O Dee en een al even geslaagd Down Boy Down. Earl Bostic kennen we ook, maar dan als saxofonist, terwijl hier een gezongen nummer van hem opstaat, I Got Loaded, origineel van Peppermint Harris maar vooral bekend van The Cadets. I Got Loaded blijkt inderdaad niet door Bostic gezongen maar door ene Clyde Terrell begeleid door het orkest van Earl Bostic. Hun versie mag er in elk geval wezen! Een ander bekend nummer in een onbekende versie is Amos Milburn's Chicken Shack Boogie als parlando jump boogie door The Five Scamps. Bull Moose Jackson is de man van de Big Ten Inch, maar met I Know Who Threw The Whiskey (In The Well) dient hij hier Lucky Millinder's Who Threw The Whiskey In The Well van antwoord. Het rustig geneuriede nummer doet meer denken aan zwarte vocal harmony dan aan zijn Big Ten Inch. Rosco Gordon nam op voor Sun Records maar We're All Loaded dateert van iets daarvoor en heeft meer een New Orleans dan een Memphis vibe. Over Sun Records gesproken: de gezongen bluesy stroll Thunderbird van Dossie Terry hier is een heel andere Thunderbird dan de Sun instrumental van Sonny Burgess & Billy Lee Riley op Booze Party. Zo goed als alle 29 songs situeren zich in de pré-rock 'n' roll en de rhythm 'n' blues swing, met als rockende uitzonderingen Jimmy Lewis' Cherry Wine dat dan weer richting big band jive huppelt en Sweet Was The Wine van Jerry Butler & the Impressions dat beschaafde big label rock 'n' roll is. Niet zeggen dat we u niet gewaarschuwd hebben! Als je er hoofdpijn van krijgt kan je 't altijd nog op de drank steken, hahaha. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

December 5 marked the 90th anniversary of the end of Prohibition in America, the end of 13 years of prohibition of the production and consumption of alcochol, which in the end only led to the illegal distilling, manufacturing and distribution of alcohol by the mob. You are no doubt familiar with the film footage (whether Hollywood or real) of the police raiding speakeasies and smashing barrels of alcohol. This anniversary is the perfect excuse for Atomicat/Koko Mojo to release two theme CD’s about booze and drinking, by which we obviously mean alcoholic beverages - a CD about lemonade and soda wouldn't sell nearly as much, now would it? Koko Mojo released this here Sloppy Drunk - R & B Rockers, while its white Atomicat counterpart ACCD145 is titled Booze Party - The Rockers. The 29 tracks on Sloppy Drunk focus mainly on pré-rock 'n' roll jump blues, starting with Hot Lips Page's They Raided The Joint from 1946 (there's a white boogie woogie version on Booze Party). No jump blues boogie woogie party is complete without Louis Jordan and he gets the dancers going in House Party. Jordan wrote and laid down the original recordings of the better known Saturday Night Fish Fry, and one month after Jordan Gay Crosse released a cover of that song that's remarkably rockin' for 1949, as you can judge for yourself on this CD. The doo-woppin' Bel-Aires drink an odd mix of White Port And Lemon Juice, and The Robins leave the doo-wop bar with Empty Bottles. The Andrews Sisters recorded the world famous Beer Barrel Polka (Roll Out The Barrel) in 1939, but that song is rightfully not on the CD because it has nothing to do with rock 'n' roll. Compiler DJ Mark Armstrong did however opt for The Platters' thematically similar medium tempo boogie woogie the Beer Barrel Boogie. There are a couple more familiar artists on the CD such as Roy Brown with the chugging along boogie Bar Room Blues, Jimmy McCracklin with the raw Beer Tavern Girl, two times Sonny Boy Williamson with the semi-acoustic country blues tracks Bring Another Half A Pint and Whiskey Head Blues, and Wynonie Harris with a fine Drinkin' Wine Spo Dee O Dee and an equally well executed Down Boy Down. We all know Earl Bostic as a saxophone player but there's a vocal track attributed to him here titled I Got Loaded, originally done by Peppermint Harris but most familiar from The Cadets. As it turns out it's not sung by Bostic but by one Clyde Terrell accompanied by Earl Bostic's orchestra. In any case their version is quite good! Another well known song in an unknown version is Amos Milburn's Chicken Shack Boogie done as a parlando jump boogie by The Five Scamps. Bull Moose Jackson is the man of the Big Ten Inch, but his I Know Who Threw The Whiskey (In The Well) here is an answer to Lucky Millinder's Who Threw The Whiskey In The Well. The calmly hummed song is more reminiscent of black vocal harmony than of his Big Ten Inch. Rosco Gordon recorded for Sun Records but We're All Loaded dates from a little before that and has more of a New Orleans than a Memphis vibe. Speaking of Sun Records: Dossie Terry's vocal bluesy stroll Thunderbird here is a very different Thunderbird from Sonny Burgess & Billy Lee Riley's instrumental on Booze Party. Pretty much all of the 29 songs fall into the pré-rock 'n' roll and rhythm 'n' blues swing categories, with the rockin' exceptions being Jimmy Lewis' Cherry Wine which hops towards big band jive and Jerry Butler & the Impressions' Sweet Was The Wine which is civilised big label rock 'n' roll. Don't say we didn't warn you! If it gives you a headache, you can always blame it on too much booze, hahaha. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


ROCKS VOL. 1/ BEAR FAMILY RECORDS
Bear Family, BCD 17734
English version: see below

Hoeveel CD’s verschenen er sinds 2002 in Bear Family's Rocks reeks? Meer dan 70 in elk geval, allemaal Best Of's van het rockendste materiaal van één individuele artiest, en omdat Bear Family niet de out of copyright wetgeving volgt betekent dat dat die CD’s indien nodig ook opnames van ná 1963 bevatten. Bovendien vraagt het Duitse re-issue label ook netjes toestemming aan de rechthebbenden waardoor ze zich niet beperkt zien tot de songs op één welbepaald label van die artiesten. Om maar te zeggen dat die Rocks CD’s erg goeie verzamel-CD’s zijn, en als je ze alle 70+ in huis hebt bezit je een ongeëvenaarde dwarsselectie van het beste van alle rock 'n' roll helden én van de voorlopers die de weg baanden voor de rock 'n' roll. Dat is de tweede verdienste van deze reeks, want als je de beste rock 'n' roll en rock 'n' roll-achtige opnames van een pionier als pakweg barrelhouse pianist Champion Jack Dupree wil hebben moet je je een weg banen door vele soms lukraak samengestelde rhythm 'n' blues CD’s die vaak hopen trage nummers bevatten. Dat werk heeft Bear Family voor u gedaan, en je krijgt er per CD nog eens een dik booklet bij.
Deze Rocks Vol. 1 is een sampler die de zwarte kant van de reeks belicht aan de hand van 30 tracks waarvan er drie gek genoeg worden gezongen door blanke artiesten, te beginnen met het aanstekelijke Good Golly van Johnny Otis, naast DJ Alan Freed misschien wel de blanke die het meest gedaan heeft om zwarte rock 'n' roll te populariseren bij het blank publiek. Ella Mae Morse's jiver Have Mercy Baby covert Clyde McPhatter & the Drifters, en het swingende Jump Jive And Wail van Louis Prima bewijst dat deze CD geen nummers schuwt die behoren tot het algemene culturele erfgoed van de rock 'n' roll, zoals voorts Be My Guest van Fats Domino (rock 'n' rollende ska uit 1959), Good Golly Miss Molly van Little Richard, Reelin' And Rocking van Chuck Berry (een van de weinig Chuck Berry songs zonder gitaarsolo) en Bo Diddley's tribale You Can't Judge A Book By The Cover. Een mix van piano rock 'n' roll, gitaar rock 'n' roll en saxofoon rock 'n' roll dus, en inderdaad worden alle basissen van de zwarte rock 'n' roll gecoverd met uiteraard veel jive (Morning Noon And Night van Big Joe Turner op wie je altijd kan rekenen, Just Don't Care van Screaming Jay Hawkins) en vocal groep jive van Clyde McPhatter (Deep Sea Ball), The Coasters (het zalige Three Cool Cats), The Cadillacs (het gemeen gezongen Holy Smoke Baby), Hank Ballard & the Midnighters (het Annie Had A Baby vervolg Henry's Got Flat Feet), Bill Pinkney & the Drifters (No Sweet Lovin') en zelfs van The Platters met Out Of My Mind, in 1958 verstopt op de B-kant van de ballade Twilight Time. LLoyd Price klonk in 1953 in Where You At een pak wilder dan zijn hits Lawdy Miss Clawdy, Stagger Lee, Personality en Just Because, net zoals Smiley Lewis' Lillie Mae in 1952 meer rockte dan zijn One Night en I Hear You Knockin'. Alle soorten zwarte rock 'n' roll betekent ook rockende lounge swing (Poon-Tang van The Treniers), boogie woogie (She's Dynamite van Piano Red, niet het BB King nummer), bluesbop (Junior Parker's I Wanna Ramble op Duke, een herwerking van zijn Feelin' Good op Sun), semi-akoestische bluesbop (Arthur Crudup in 1951 met het aan de Koreaanse oorlog refererende I'm Gonna Dig Myself A Hole), en bluesrock met mondharmonica en piano (She Don't Want Me No More van Jimmy Reed) en met gitaar en mondharmonica (de onweerstaanbare drive van Slim Harpo's laconiek door zijn neus gezongen Don't Start Crying Now). Is die Don't Start Crying Now bluesrock? Nee, 't is mee van de beste bluesbop ooit op plaat gezet! Sommige pré-1950 jump blues voorvaders slaagden erin de rock 'n' roll moeiteloos (zij het in de meeste gevallen zonder commerciëel succes) te assimileren, zoals de al sinds 1940 platen makende Champion Jack Dupree in zijn Nasty Boogie uit 1958, een variatie op zijn veel gebruikte Shake Baby Shake thema, Roy Milton (You Got Me Reeling And Rocking in 1955), pianist Jimmy McCracklin met zijn Get Tough dat in 1958 klonk als een rockende The Walk, en bluesgitarist Clarence "Gatemouth" Brown met het in 1980 door The Blue Cats (GB) op hun debuut LP gecoverde Boogie Uproar, in 1953 een rockende instro waarin gitaar, piano, sax en trombone wedijveren om de aandacht. Neem er de uitstekende geluidskwaliteit en het voorbeeldige CD booklet bij en je hebt een mooi visitekaartje van deze interessante reeks. Overigens is er van Johnny Otis nog géén Rocks CD uit, maar daarmee weten we natuurlijk gelijk wie de volgende in het rijtje wordt. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)

How many CD’s already appeared in Bear Family's Rocks series since 2002? More than 70, that's for sure, all of 'em Best Of's of the rockinest material of an individual artist, and because Bear Family does not work basing themselves on the out-of-copyright laws those CD’s also contain recordings from long after 1963 if needed. Moreover the German re-issue label also politely asks permission from the rights holders so they are not limited to the artists' songs on only one particular label. It just goes to say that these Rocks CD’s are darn good compilation CD’s, and if you own all 70+ of them you have a fantastic cross-section of the best of not only all our rock 'n' roll heroes but also of the forerunners who paved the way for rock 'n' roll. That is the second merit of this series, because when you're trying to collect the best rock 'n' roll and rock 'n' roll related recordings of a pioneer like say barrelhouse pianist Champion Jack Dupree, you have to dig your way through many sometimes haphazardly compiled rhythm 'n' blues CD’s that often contain heaps of slow songs. Bear Family has done the job for you, plus you get a big fat booklet that comes with each CD. This Rocks Vol. 1 is a sampler that highlights the black side of the series through 30 tracks, three of which are oddly enough sung by white artists, starting with the infectious Good Golly by Johnny Otis, next to DJ Alan Freed perhaps the white man who did the most to popularize black rock 'n' roll among white audiences. Ella Mae Morse's jiver Have Mercy Baby covers Clyde McPhatter & the Drifters, and Louis Prima's swinging Jump Jive And Wail proves that the CD does not shy away from songs that belong to the cultural world heritage of rock 'n' roll - further evidenced by the inclusion of Fats Domino's Be My Guest (rock 'n' rollin' ska from 1959), Little Richard's Good Golly Miss Molly, Chuck Berry's Reelin' And Rocking (one of the few Chuck Berry songs without a guitar solo) and Bo Diddley's tribal You Can't Judge A Book By The Cover. That makes it a mix of piano rock 'n' roll, guitar rock 'n' roll and sax rock 'n' roll, and indeed all the basics of black rock 'n' roll are covered with of course loads of jive (Morning Noon And Night by the always reliable Big Joe Turner, Screaming Jay Hawkins' Just Don't Care) and vocal group jive by Clyde McPhatter (Deep Sea Ball), The Coasters (the irresistibly relaxed Three Cool Cats), The Cadillacs (a mean Holy Smoke Baby), Hank Ballard & the Midnighters (the Annie Had A Baby sequel Henry's Got Flat Feet), Bill Pinkney & the Drifters (No Sweet Lovin') and even The Platters' Out Of My Mind, tucked away on the B-side of their 1958 ballad Twilight Time. LLoyd Price sounded a lot wilder in 1953's Where You At than his hits Lawdy Miss Clawdy, Stagger Lee, Personality and Just Because , just like in 1952 Smiley Lewis' Lillie Mae rocked harder than his One Night and I Hear You Knockin'. All types of black rock 'n' roll also means rockin' lounge swing (Poon-Tang by The Treniers), boogie woogie (Piano Red's She's Dynamite which is not the BB King song), blues bop (Junior Parker's I Wanna Ramble on Duke, a reworking of his Feelin' Good on Sun), semi-acoustic blues bop (Arthur Crudup in 1951 with I'm Gonna Dig Myself A Hole which references the Korean war), and blues rock with harmonica and piano (Jimmy Reed's She Don't Want Me No More) and with guitar and harmonica (the incredible drive of Slim Harpo singing Don't Start Crying Now laconically through his nose). Is Don't Start Crying Now blues rock? No, it's one of the best blues boppers ever! Some pré-1950 jump blues forefathers managed to assimilate rock 'n' roll effortlessly (albeit in most cases without any commercial success whatsoever), such as Champion Jack Dupree who had been making records since 1940 with Nasty Boogie, a 1958 variation on his much used Shake Baby Shake theme, Roy Milton (1955's You Got Me Reeling And Rocking), pianist Jimmy McCracklin in 1958 with Get Tough which sounds like a rockin' The Walk, and blues guitarist Clarence "Gatemouth" Brown's Boogie Uproar from 1953 in which guitar, piano, sax and trombone vie for attention, a rockin' instro covered in 1980 by The Blue Cats (GB) on their debut LP. Take into account the excellent sound quality and the exemplary CD booklet and you have a good example of this interesting series. Incidentally, there's no Johnny Otis Rocks CD, which of course tells us who will be featured next. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

CD (en vinyl) Recensies

7 februari 2024

ON THE DANCEFLOOR WITH/ DION DIMUCCI
Bear Family, BCD 17740

English version: see below

De muziek van Dion & the Belmonts mengt Italo doo-wop met levensvreugde, trots en wat in het Engels "street wise" heet: bravoure, het zelfverzekerd stoere vingerknippend paraderen over de boulevards van de Bronx waar ze vandaan kwamen (ze noemden zich naar Belmont Avenue) op de drempel van de volwassenheid terwijl de toekomst je tegemoet lacht. Het is muziek die bruist dankzij die eeuwige kreun in de zang, de aanzwellende backings van The Belmonts (of The Del-Satins op een aantal songs), en dat strollende ritme dat beelden van de marcherende Wanderers op mijn netvlies projecteert - de rock 'n' roll film uit 1979 niét gebaseerd op het liedje van Dion maar op een roman van schrijver Richard Price die ik dringend zou moeten herlezen om te zien of hij nog steeds evenveel indruk maakt als toen ik zelf tiener was. De muziek van Dion & the Belmonts, ondertussen onlosmakelijk verbonden met de film, in elk geval wel. Alle knallers als The Wanderer, Runaround Sue, I Wonder Why, de songgeworden onschuld A Teenager In Love, Ruby Baby, Donna The Prima Donna, Sandy, The Majestic, het veel majestueuzere (I Was) Born To Cry, Lovers Who Wander, Gonna Make It Alone en Little Diane staan hier uiteraard op, naast veel andere gelijkaardige en minstens even goeie nummers als This Little Girl, Love Came To Me, Can't We Be Sweethearts, Flim Flam (waarom staat in de discografie in het CD booklet dat dit onuitgebracht bleef tot 1991? Het stond in 1963 toch op Dion's LP Donna The Prima Donna?), Lonely Teenager, het melancholische Little Star en het op de groove van Honky Tonk drijvende I Got The Blues. Zelfs covers van andermans hits voorzag Dion van een ongelooflijke drive en energie: luister naar zijn versies van Queen Of The Hop van Bobby Darin, Come Go With Me van The Del Vikings, Drip Drop van Bobby Hendricks & the Drifters en This Little Girl Of Mine van The Cleftones. Fever wordt bij hem een oefening in bongo exotica, en let vooral op hoe Dion het doodgecoverde Kansas City laat klinken als The Wanderer. De CD bevat 29 songs uit 1958-1963 die liefdeskommer en de overgang van adolescent naar man in meeslepende mini-operettes gieten, doch omdat een mens in dit leven nu eenmaal niet àlles kan hebben staat de dromerige ballade Where Or When die in Amerika toch zijn grootste hit was hier niet op, en evenmin één favoriet Dion nummer van mij, de nonsensicale supersnelle rocker I Can't Go On (Rosalie). Die laatste had van mij een pop dittie als Unloved Unwanted Me, de jazzy detective swing crooner North East End Of The Street of zelfs zijn Shout mogen vervangen. Ook de Italiaanse versie van Donna The Prima Donna ware fantastisch geweest (het booklet spreekt van een Italiaanse Ruby Baby?), in welk geval deze On The Dancefloor With Dion DiMucci perfect zou zijn, maar dat is alleen God gegeven en die stierf zoals geweten op 16 augustus 1977 in Memphis. Dion die in 1958 drie Top 40 hits had is daarentegen op zijn 84ste nog steeds alive and kickin', zij het dat hij naast zijn eigen oldies voornamelijk bluesmuziek ten gehore brengt. Het gebruikelijke dikke (38 pagina’s) Bear Family booklet steekt natuurlijk bij de CD, anders zou het geen Bear Family zijn. Info: www.diondimucci.com en www.bear-family.com (Frantic Franky)

The music of Dion & the Belmonts mixes Italo doo-wop with joie de vivre, pride and what they call "street wise": swagger, strutting confidently and fingersnapping along the boulevards of the Bronx where they came from (they named themselves after Belmont Avenue) on the threshold of adulthood with the future smiling at them. It's effervescent music thanks to that endless moaning in the vocals, the swelling backing vocals from The Belmonts (or The Del-Satins on a number of songs), and the strolling rhythm that triggers images on my retina of the Wanderers marching along - the 1979 rock 'n' roll film based not on Dion's song but on a novel by writer Richard Price that I urgently need to reread to see if it still impresses me as much as when I was a teenager myself. Dion & the Belmonts' music, in the meantime inextricably linked to the film, sure does. All the great ones like The Wanderer, Runaround Sue, I Wonder Why, the innocence turend into a song A Teenager In Love, Ruby Baby, Donna The Prima Donna, Sandy, The Majestic, the much more majestic (I Was) Born To Cry, Lovers Who Wander, Gonna Make It Alone and Little Diane are there, alongside many other similar and at least equally good songs like This Little Girl, Love Came To Me, Can't We Be Sweethearts, Flim Flam (why does the discography in the CD booklet say this was unreleased until 1991? Wasn't it was on Dion's 1963 LP Donna The Prima Donna?), Lonely Teenager, the melancholic Little Star, and I Got The Blues based on the groove of Honky Tonk. Dion even injected other people's hits with an incredible drive and energy: listen to his covers of Bobby Darin's Queen Of The Hop, The Del Vikings' Come Go With Me, Bobby Hendricks & the Drifters' Drip Drop and The Cleftones This Little Girl Of Mine. He turns Fever into an exercise in bongo exotica, and pay particular attention to how Dion makes Kansas City which has been done to death sound like The Wanderer. The CD contains 29 songs from 1958-1963 that turn love woe and the transition from adolescent to adulthood into compelling mini-operettas, but since one can't have everything in life the dreamlike ballad Where Or When which was in fact his biggest hit is not on here, nor is one of my personal favourite Dion songs, the nonsensical super fast rocker I Can't Go On (Rosalie). For me the latter could have replaced a pop ditty like Unloved Unwanted Me, the jazzy detective swing crooner North East End Of The Street or even his Shout. The inclusion of the Italian version of Donna The Prima Donna would also have been fantastic (the booklet speaks of an Italian Ruby Baby?), in which case On The Dancefloor With Dion DiMucci would have been perfect, but we all know that only God is perfect and he died on August, 16 1977 in Memphis. Dion on the other hand who had three Top 40 hits in 1958 is still alive and kickin' at the age of 84, albeit performing mostly blues music apart from his own oldies. The usual fat (38 pages) Bear Family booklet accompanies the CD, otherwise it wouldn't be Bear Family. Info: www.diondimucci.com en www.bear-family.com (Frantic Franky)


LITTLE RED BOOK/ BENNY JOY
Rockstar, RSR 50108 (CD)
Rockstar, RSR 50107 (vinyl)

English version: see below

Straf: het is veertien jaar geleden dat er nog een LP van Benny Joy verscheen (de vijfdelige LP reeks The Benny Joy Story 1957-1961 op Norton), en nu komen er ineens drie LP’s én twee CD’s uit. Het goeie nieuws is dat de drie LP’s erg verschillen van elkaar: de tracklisting van de 10 track Sleazy 10 inch SR10-51 Untold Stories: Rare And Unreleased Masters, Unearthed Demos And More (titel die je nog zou kunnen verlengen tot "vooral opgenomen tussen 1960 en 1974 en gekocht van Joy's familie") is volledig anders in vergelijking met de Rockstar 10 inch, en op de bijhorende CD, deels volgens hetzelfde concept als deze Rockstar CD van songs geschreven door Benny Joy maar opgenomen door andere artiesten, staan er op 29 tracks slechts zes dubbels in vergelijking met Rockstar. De in Frankrijk verschenen Multigroove 10 inch 2018 bootleg For Your Rockin' Party van Crazy Times Pierre bevat zeven voor het merendeel stevige rockers die ontbreken op de Rockstar CD zoals Miss Bobby Sox, het dreigende Wild Wild Lover, Rollin' To The Jukebox Rock, I'm Gonna Move en Come Back, maar aan de tracklisting te oordelen lijkt die 10 inch mij volledig gekopieerd van de Ace CD Crash The Rockabilly Party uit 1998. 't Zijn lappen! De Bear Family CD Rocks tenslotte is gebaseerd op de demo’s uit 1957-1958 die vanaf eind jaren '70 voornamelijk vanuit Nederland op een nietsvermoedende wereld werden losgelaten door Cees Klop op twee White Label LP’s, voor de handigheid samengevoegd op één Collector CD die na al die jaren nog steeds geldt als essentieel, want dankzij deze opnames leerde ik en iedere rocker in die dagen Benny Joy kennen.
Over naar de orde der zaken, met name deze Rockstar release die verscheen als 29 track CD én als 10 track 10 inch vinyl met de full CD er gratis bij in cardboard versie. Met het mysterieus-exotische Hey High School Baby, Spin The Bottle (de versie met overdubde drums), het bibberende Steady With Betty, Little Red Book, het muren omver blazende Crash The Party en het galloperende Ittie Bittie Everything bevat de vinyl primaire teen angst rockabilly en white rock gitaar songs uit 1957-1959 die nog even gevaarlijk en daardoor fascinerend klinken als toen ik ze destijds voor het eerst hoorde op White Label. Ook van de partij: de gitaar/ sax instrumentale stroll Money Money verschenen onder de naam Big John Taylor & Benny Joy (Taylor was Joy's vaste gitarist en speelde ook gitaar op het door Taylor mede-gecomponeerd The Cat van Rod Willis). Deze nummers zijn genoegzaam bekend, minder voor de hand liggend is New York Hey Hey, een uptempo teen rock single uit 1961 met een vrouwenkoortje en glissando violen in dezelfde stijl zoals Johnny Burnette ze in die dagen maakte, en Somebody Else's Heartache uit 1963, een uptempo popsingle met opnieuw glissando violen en backing vocals in de fluitende Nashville countrypop stijl populair begin jaren '60. Deze nummers kende ik niet (naar verluidt is dit de eerste keer dat ze heruitgebracht worden) en zijn een aangename verrassing, zij het lichtjaren verwijderd van Crash The Party. De tiende track op de 10 inch wordt gek genoeg niet gezongen door Benny Joy maar door Darrell McCall, de door Joy geschreven beschaafde teen stroll (What'll I Do) Call The Zoo.
Deze 10 tracks staan uiteraard allemaal op de full CD, aangevuld met vijf andere Benny Joy tracks en in het kielzog van Darrell McCall's (What'll I Do) Call The Zoo nog dertien door Joy gecomponeerde nummers opgenomen door andere artiesten. De vijf Benny Joy tracks zijn de "drumloze" maar wel van percussie voorziene en desondanks niet minder primitieve Spin The Bottle, de ommekanten van New York Hey Hey en Somebody Else's Heartache (I'm Of No More Use To You Old Earth, dramatische teen pop met een Johnny Horton folk banjo, en de in violen verpakte breekbare country ballade Sincerely Your Friend die wat doet denken aan Pledging My Love van Johnny Ace), en een derde gelijkaardige single uit 1961 die de op Charlie Rich leest geschoeide vioolballade You Go Your Way (And I'll Go Mine) koppelt aan het uptempo Birds Of A Feather Fly Together met opnieuw een Johnny Burnette snik in de stem. Die singles verkochten begin jaren '60 voor geen meter en Benny Joy legde zich vanaf dan wijselijk toe op het componeren van liedjes voor andere artiesten, en dan had je als blanke voormalige rocker geen andere keuze dan richting country te gaan. Dat deed Joy niet onverdienstelijk want hij schreef in totaal meer dan 200 songs voor andere zangers die er vaak meer van over de toonbank zagen gaan dan Joy van al zijn singles bij elkaar geteld verkocht. De veertien Benny Joy composities 1960-1963 waarvan we met Darrell McCall's (What'll I Do) Call The Zoo al een voorsmaakje kregen op de vinyl bevinden zich allemaal in het drijfzand van Nashville, van Marty Robbins' Italiaanse mandoline canzone A Time And A Place For Everything tot plechtige countrypolitan ballades als If I Had You van Carl Smith, Let's Walk Away Strangers van Bill Phillips, Old Memories van Skeeter Bonn & Shirley Starr en Is Goodbye That Easy To Say van Debbie Reynolds. Marty Evans' teen ballade Eyes Of Tears heeft Buddy Holly hiccups, Hey Boss Man (Twist) is een late Sun single (Sun 375 uit 1962) van Ray Smith die meer Charlie Rich dan twist klinkt, en voor Charlie Rich zelf baseerde Joy She Loved Everybody But Me op de groove van Lonely Weekends. Joy's songs werden ook opgenomen door zwarte artiesten, getuige Sonny Hines' soulvolle ballades Follow Your Heart en Teardrop Avenue dat qua thematiek dezelfde locatie is waar Johnny Cash's Home Of The Blues zich bevindt. Met al die strijkers en al die achtergrondkoortjes geeft de CD die je vanaf de tweede helft als een pure country CD kan beschouwen een completer doch verrassend beeld van Benny Joy. De CD sluit af met de A-kant van de enige "solo" single die verscheen onder Big John Taylor's eigen naam, de dreigende medium tempo gitaarstroll Stompin' uit 1957. Benny Joy overleed in 1988 op 52-jarige leeftijd aan longkanker, Big John Taylor in 1995 op 58-jarige leeftijd, eveneens het slachtoffer van kanker. De 10 inch + gratis full CD is uitgebracht op 500 stuks. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Remarkable: it's been fourteen years since the last Benny Joy vinyl LP release (the five The Benny Joy Story 1957-1961 LP’s on Norton), and now out of the blue three LP’s as well as two CD’s hit the market. The good news is that the three LP’s are very different from each other: the tracklisting of the 10 track Sleazy 10 inch SR10-51 Untold Stories: Rare And Unreleased Masters, Unearthed Demos And More (title that could be expanded to include "mostly recorded between 1960 and 1974 and bought from Joy's family") is completely different to the Rockstar 10 inch, and the accompanying CD which in part uses the same concept as the Rockstar CD of songs written by Benny Joy but recorded by other artists, contains only six doubles on 29 tracks in comparison with Rockstar. The Multigroove 10 inch 2018 bootleg For Your Rockin' Party released by Crazy Times Pierre in France, contains seven for the most part solid rockers absent from the Rockstar CD such as Miss Bobby Sox, the menacing Wild Wild Lover, Rollin' To The Jukebox Rock, I'm Gonna Move and Come Back, but looking at the track listing that 10 inch seems to me to be kopied from the 1998 Ace CD Crash The Rockabilly Party. Strange things happening.... Bear Family's Rocks CD on the other hand is based on the 1957-1958 demos unleashed onto an unsuspecting world from the late 1970s onwards starting with Cees Klop in the Netherlands on two White Label LP’s re-issued on one Collector CD which after all these years I still consider to be essential listening, because thanks to these recordings me and every other rocker in those days discovered Benny Joy.
Over to the order of the day, this Rockstar release, available as a 29 track CD as well as a 10 track 10 inch vinyl album with a free cardboard version of the full CD included. With the mysteriously exotic Hey High School Baby, Spin The Bottle (the version with overdubbed drums), the shivering Steady With Betty, Little Red Book, Crash The Party blowing the walls down and the galloping Ittie Bittie Everything, the vinyl contains prime teen angst rockabilly and white rock guitar songs from 1957-1959 that still sound as dangerous and therefore as fascinating as when I first heard them on White Label. Also of note: the guitar/sax instrumental stroll Money Money which appeared under the name Big John Taylor & Benny Joy - Taylor was Joy's regular guitarist who also played guitar on Rod Willis' The Cat, written by Taylor. These songs are well known, less obvious is the inclusion of New York Hey Hey, an uptempo teen rock 45 from 1961 with a female choir and glissando violins just like Johnny Burnette made them in those days, and the 1963 single Somebody Else's Heartache, an uptempo pop 45 again with glissando violins and backing vocals in the whistling Nashville country pop style popular in the early sixties. I didn't know these songs (apparently this is the first time they're being re-issued) and they are a pleasant surprise, albeit light years away from Crash The Party. The tenth track on the 10 inch is oddly enough sung not by Benny Joy but by Darrell McCall, the Benny Joy-written civilised teen stroll (What'll I Do) Call The Zoo.
These 10 tracks are of course also on the full CD, supplemented by five other Benny Joy tracks and in the wake of Darrell McCall's (What'll I Do) Call The Zoo another 13 Joy-composed songs recorded by other artists. The five Benny Joy tracks are the "drumless" (it uses percussion) but nonetheless no less primitive Spin The Bottle, the other sides of New York Hey Hey and Somebody Else's Heartache (I'm Of No More Use To You Old Earth, dramatic teen pop with a Johnny Horton folk banjo, and the fragile orchestral country ballad Sincerely Your Friend, somewhat reminiscent of Johnny Ace's Pledging My Love), and a third similar 45 from 1961 pairing the Charlie Rich inspired violin ballad You Go Your Way (And I'll Go Mine) with the uptempo Birds Of A Feather Fly Together, another song with a Johnny Burnette sob in the voice. Those 45s went nowherel in the early sixties and Benny Joy wisely decided to turn to composing songs for other artists, and as a white former rock 'n' roll singer he had no choice but to go in the direction of country music. This he did not do without merit: he wrote more than 200 songs for other singers who often sold more kopies than Joy sold of all his 45s put together. The fourteen Benny Joy compositions 1960-1963 of which we already got a taste on the 10 inch with Darrell McCall's (What'll I Do) Call The Zoo all form part of Nashville's quicksands, from Marty Robbins' Italian mandolin canzone A Time And A Place For Everything to solemn countrypolitan ballads like Carl Smith's If I Had You, Bill Phillips' Let's Walk Away Strangers, Skeeter Bonn & Shirley Starr's Old Memories and Debbie Reynolds' Is Goodbye That Easy To Say. Marty Evans' teen ballad Eyes Of Tears has Buddy Holly hiccups, Hey Boss Man (Twist) is a late Sun outing (Sun 375 from 1962) from Ray Smith that sounds more Charlie Rich than twist, and for Charlie Rich himself Joy based She Loved Everybody But Me on the groove of Lonely Weekends. Joy's songs were also recorded by black artists, as evidenced by Sonny Hines' soulful ballads Follow Your Heart and Teardrop Avenue which in terms of theme must be the same street where Johnny Cash's Home Of The Blues is located. With all those violins and all those background singers, this CD which from the second half onwards turns into a pure country CD paints a more complete yet surprising picture of Benny Joy. The CD closes with the A-side of the only "solo" 45 that appeared under Big John Taylor's own name, the menacing medium tempo 1957 guitar stroll Stompin'. Benny Joy died of lung cancer in 1988 at the age of 52, Big John Taylor in 1995 at the age of 58, also a victim of cancer. The 10 inch + free full CD is limited to 500 kopies. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


ROCKS/ BENNY JOY
Bear Family, BCD 17645

English version: see below

Straf: het is veertien jaar geleden dat er nog een LP verscheen van Benny Joy (de vijfdelige LP reeks The Benny Joy Story 1957-1961 op Norton), en nu komen er ineens drie LP’s én twee CD’s uit. Deze CD in Bear Family's Rocks reeks bevat al zijn essentiële maniakale rockers: Crash The Party, Steady With Betty, de twee versies van Spin The Bottle met en zonder drums (niet dat het qua lawaai veel verschil maakt), het gedreven Ittie Bittie Everything, Hey High School Baby, Little Red Book (Joy zong het op televisie in American Bandstand, maar ik ben de clip nog nooit tegengekomen), allemaal gekreund met Joy's trillende stem en gedrenkt in de broeierige atmosfeer die de songs van de keizer van het mineur akkoord kenmerkt. De atmosferische uptempo strollende gitaar/sax instro Money Money van Joy's gitarist Big John Taylor ontbreekt niet, aangevuld met origineel onuitgebrachte opnames uit 1957-1963 die het licht zagen vanaf eind de jaren '70, te beginnen met de releases van Cees Klop op Collector en White Label: Miss Bobby Sox, Rollin' To The Juke Box Rock, Come Back, het manische Wild Wild Lover, de geschreeuwde Peter Gunn-achtige sleazy stroll Button Nose, het wild primitieve Gossip Gossip Gossip (Eddie Cochran meets Leiber & Stoller maar primitiever en uitgevoerd op enkel twee gitaren), Big John Taylor's instrumentale Duane Eddy kopie Rebel Rock, het funky Nosey Nosey Neighbours met Jerry Reed op gitaar, de tango (!!!) I'm Doubtful Of Your Love, de langere un-edited versie van Crash The Party (2:57 in plaats van 2:28 = een halve minuut meer uitzinnigheid), I Need A Whole Lotta You dat klinkt als Johnny Hallyday begin jaren' 60, een dèrde Spin The Bottle met Jerry Reed op gitaar, een ander arrangement en een extra brug, een demo van (What'll I Do) Call The Zoo waarmee Darrell McCall een hit scoorde in 1961, de bluesrockende stroll Cold Cold Woman met op gitaar opnieuw Jerry Reed die nu Jimmy Reed naspeelt, de acetaat van Little Girl Little Girl, het door Big John Taylor gezongen Talking About It, en de Cash-abillies Dark Angel met DJ Fontana op drums en Indian Giver. En het houdt niet op: op Bundle Of Love en I'm Gonna Move doet Nashville's A-team Hargus "Pig" Robbins, Boots RandoLPh, Hank Garland, Bob Moore en Buddy Harman hun rockendste best. Merkwaardig genoeg verwijst de discografie in het booklet van 36 pagina’s dat het hele Benny Joy verhaal uit de doeken doet nergens naar die Nederlandse releases van Cees Klop, wel naar Joy's driedubbele CED351 CD Crash The Party, The Benny Joy Story 1957-61 verschenen op Norton Records in 2009. Nummers die daar hun debuut maakten zijn Love Zone (teen rock), het met mondharmonica de sixties aankondigende Touchdown, en In Study Hall, de enige ballade hier.
Rocks bevat 30 tracks die voor het grootste deel qua onbelemmerde rock 'n' roll wildheid hun gelijke niet kennen. Benny Joy overleed in 1988 op 52-jarige leeftijd aan longkanker, Big John Taylor in 1995 op 58-jarige leeftijd, eveneens het slachtoffer van kanker. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)

Remarkable: it's been fourteen years since the last Benny Joy vinyl LP release (the five The Benny Joy Story 1957-1961 LP’s on Norton), and now out of the blue three LP’s as well as two CD’s hit the market. This CD in Bear Family's Rocks series contains all his essential maniacal rockers: Crash The Party, Steady With Betty, the two versions of Spin The Bottle with and without drums (not that it makes much difference in terms of noise), the driving Ittie Bittie Everything, Hey High School Baby, Little Red Book (Benny Joy sang it on TV on American Bandstand, but I never came across that footage), all groaned with Joy's trembling voice and drenched in the brooding atmosphere that characterises the songs of the emperor of the minor key. The atmospheric uptempo strolling guitar/sax instro Money Money from Joy's guitarist Big John Taylor is complemented by originally unreleased 1957-1963 recordings that first saw the light of day starting in the late seventies on Cees Klop's Collector and White Label albums: Miss Bobby Sox, Rollin' To The Juke Box Rock, Come Back, the manic Wild Wild Lover, the Peter Gunn styled sleazy stroll Button Nose that is screamed instead of being sung, the wild primitive Gossip Gossip Gossip (Eddie Cochran meets Leiber & Stoller but more primitive and played with just two guitars), Big John Taylor's instrumental Duane Eddy copy Rebel Rock, the funky Nosey Nosey Neighbours with Jerry Reed on guitar, the tango (!!!) I'm Doubtful Of Your Love, the longer un-edited Crash The Party (2:57 instead of 2: 28 = half a minute more frenzy), I Need A Whole Lotta You that sounds like early sixties Johnny Hallyday, a third Spin The Bottle with Jerry Reed on guitar, a different arrangement and an extra bridge, a demo of (What'll I Do) Call The Zoo which Darrell McCall took into the hitparade in 1961, the bluesrockin' stroll Cold Cold Woman with again Jerry Reed on guitar this time copying Jimmy Reed, the Little Girl Little Girl acetate, Talking About It sung by Big John Taylor, and the Cash-abillies Dark Angel with DJ Fontana on drums and Indian Giver. And there's more: on Bundle Of Love and I'm Gonna Move Nashville's A-team Hargus "Pig" Robbins, Boots RandoLPh, Hank Garland, Bob Moore and Buddy Harman play at their rockin' best. Oddly enough the discography in the 36 page booklet that documents the Benny Joy story does not mention those Dutch releases from Cees Klop, instead referring tot the triple CED351 CD Crash The Party, The Benny Joy Story 1957-61 released on Norton Records in 2009. Songs that debuted there are Love Zone (teen rock), the harmonica infused Touchdown announcing the sixties, and In Study Hall, the only ballad in the lot.
Rocks contains 30 tracks, most of which are unparalleled in terms of unadulterated rock 'n' roll madness. Benny Joy died of lung cancer in 1988 at the age of 52, Big John Taylor in 1995 at the age of 58, also a victim of cancer. Info: www.bear-family.com
(Frantic Franky)


SPOTLIGHT ON SYLVESTER BRADFORD – IFIC
Koko Mojo, KM-CD-198
English version: see below

Sommige mensen bestuderen de namen tussen de haakjes op singles, en zo iemand is de in Duitsland wonende Britse DJ Mark Armstrong. Wie anders komt op het idee een CD samen te stellen met songs gecomponeerd door Sylvester Bradford? Ik had nog nooit van Bradford gehoord die blijkbaar zo onbekend is dat van hem alleen de onduidelijke foto op de hoes van deze CD te vinden is. En die dikke bril is omdat Bradford blind is - het is niet dat er een alien op het hoesje staat. Toch zijn zijn beroemdste songs u en ik niet onbekend: Sylvester Bradford schreef I'm Ready voor Fats Domino, de jiver Right Now alsmede de iets minder bekende ballade Walkin' Home From School voor Gene Vincent en Tears On My Pillow voor Little Anthony & the Imperials. Maar Bradford heeft veel meer nummers geschreven en daarvan staan er 26 uit 1955-1963 op deze CD. Op de overige vier is hij als lid van The Suburbans achtergrondzanger en/of pianist, wat hij ook doet op sommige van de 26 songs die hij schreef. Op I Like Girls en I Live Just To Love You, twee uptempo songs die Bradford's enige solo single vormen, zingt hij logischerwijze lead, maar hij zingt en speelt ook mee bij de nummers van The Bradford Boys en The Ivories. Van blinden wordt nogal eens gezegd dat ze over een scherper gehoor beschikken dan de gemiddelde medemens en dat zou in Bradford's geval kunnen kloppen want de door hem geschreven liedjes zitten verdraaid clever in elkaar. Zijn epistelen situeren zich luidens deze CD vooral in de doo-wop in de zin van vrolijke samenzang en vocale acrobatie in alle mogelijke vormen (I Remember en Leave My Gal Alone van The Suburbans, Rose-Marie van Mickey Toliver & the Capitols), liedjes die soms doen denken aan Frankie Lymon & the Teenagers en soms swingen op het ritme van schuiftrombones (Baby Send A Letter van The Ivories), schuiftrombones die ook terugkomen in Ific van The Chantels. Van dat nummer ("ific" is een verkorting van 'terrific") staat nog een tweede, rockender versie op de CD door zangeres Lucy Rivera die een paar jaar later huwde met Gary US Bonds. De CD focust op uptempo werk, maar u weet het: geen doo-wop zonder ballades, en vandaar de aanwezigheid van Alone van The Ivories. Soms is de doo-wop hier zwart, soms blank, en soms gewoon toffe jive rock 'n' roll met backing vocals zoals Lovin' With A Beat van The El Tones. Denk de opgewekte backing vocals weg van doo-wop en je krijgt pure rock 'n' roll zoals Little Boy Blue van The Bradford Boys. Over rock 'n' roll gesproken: kijk en luister wat een beschaafd swingend Uh Huh Mm Sonny James hier neerzet, ook weer met veel aan doo-wop schatplichtige backing vocals trouwens. Puurdere rock 'n' roll hoewel nog steeds beschaafd en afgeborsteld is Ersel Hickey's You Never Can Tell. Iets helemaal anders zijn de gekke blazers van The Golden Highlights in Vodka, een Tequila-achtige Frolic Dinner titty shaker instrumental. Roaches van Jack Larson is een ongetwijfeld grappig bedoelde novelty stroll, I Want A Boy For My Birthday van The Cookies en Oh Dear What Can The Matter Be van The Permanents zijn meidenpop, en de vrolijke Spanish Twist van Bill Haley & the Comets uit 1961 op Gone Records toen Haley's hitperiode al lang gone was is niet alleen inderdaad een twist maar bovenal een aanstekelijk deuntje waarvan de tekst naar Haley's Mexicaanse periode verwijst. Van Spanish Twist bevat de CD ook een in het Spaans gezongen versie door Mike Rios con los Relampagos uit Madrid die van die twist een gitaarrocker maken! Jimmy Ricks (ex-Ravens en Lavern Baker's duetpartner in You're The Boss) & the Suburbans klinken in Bad Man Of Missouri als The Coasters die popcorn gaan en Ann Cole's meeslepende prachtig opgebouwde gospel geïmpregneerde uptempo popcorn noir Each Day doet zijn voordeel met verslavende backing vocals. Straffe madam, die Ann Cole: ze rockt voorts uit een goed vaatje in I've Got A Little Boy en brengt een rockende uitvoering van Muddy Waters' bluesklassieker Got My Mojo Working. Merkwaardig verhaal, die Got My Mojo Working: het nummer werd geschreven door ene Preston "Red" Foster en de originele uitvoering werd in 1956 opgenomen door - jawel - Ann Cole. De single was nog niet uit toen Cole het liedje zong tijdens een tour met Muddy Waters die het nummer zo goed vond dat hij het in 1957 zelf ook opnam, maar omdat Cole's versie dus nog niet uit was en hij zich de tekst niet goed herinnerde schreef hij er zelf een tekst op die onder zijn naam op de single kwam als auteur, et voilà, sindsdien staat Go My Mojo Working bekend als Muddy Waters bluesklassieker. Het kan verkeren! I'm Ready, Right Now en Walking Home From School staan op de CD in de bekende versies van Fats Domino en Gene Vincent, Tears On My Pillow in de coverversie van Chuck Jackson die bijna operette is en daarom een buitenbeentje op de CD. Van Little Anthony & the Imperials staat wel het nummer Wishful Thinking op de tracklist, een ballade die Tears On My Pillow echoot, en Right Now horen we onder de titel Le Temps Est Lent ook in het Frans gezongen door Eddy Mitchell & les Chaussettes Noires. Een aantal songs hier lijken op elkaar wat misschien niet onlogisch is, maar toch is deze CD een aanrader voor eenieder met een gezonde interesse in doo-wop. De moeilijk te vinden Sylvester Bradford zou nog leven en als dat klopt is hij nu 81 jaar. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

There are people who study the names in between brackets on 45s, and one such person is DJ Mark Armstrong, born in the UK but residing in Germany. Who else would come up with the idea of compiling a CD with songs composed by Sylvester Bradford? I had never heard of Bradford who is so unknown that the only known photo of him is the vague picture on the cover of this CD. And those thick glasses are because Bradford is blind - that's not an alien on the cover. Yet Bradford's most famous songs are not unfamiliar to you and me: Sylvester Bradford wrote I'm Ready for Fats Domino, the jiver Right Now as well as the lesser known ballad Walkin' Home From School for Gene Vincent and Tears On My Pillow for Little Anthony & the Imperials. But Bradford wrote a lot more songs and 26 of them from 1955-1963 can be discovered on this CD. On the remaining four he sings backing vocals and/or plays the 88 keys as a member of The Suburbans, and he does the same on some of the 26 songs he did write here. On I Like Girls and I Live Just To Love You, two uptempo songs that constitute Bradford's only solo 45, he logically sings lead, but he also sings and plays on the songs by The Bradford Boys and The Ivories. It's often said that blind people can hear better than the average person which could very well be true in Bradford's case as the songs he wrote are meticulously constructed. According to this CD his writings mainly belonged to the doo-wop genre in the sense of cheerful harmony singing and vocal acrobatics in all possible styles (The Suburbans' I Remember and Leave My Gal Alone, Mickey Toliver & the Capitols' Rose-Marie), songs that sometimes remind me of Frankie Lymon & the Teenagers and sometimes swing to the sound of slide trombones (The Ivories' Baby Send A Letter), slide trombones which also appear in The Chantels' Ific. There's a second more rockin' version of that song ("ific" is short for "terrific") on the CD by singer Lucy Rivera who would go on to marry Gary US Bonds a few years down. The CD focuses on uptempo tunes, but you know how it is: no doo-wop without ballads, hence the presence of The Ivories' Alone. Sometimes the doo-wop is black, sometimes it's white, and sometimes it's cool jive rock 'n' roll with backing vocals like The El Tones' Lovin' With A Beat. Take away doo-wop's upbeat backing vocals and you get pure rock 'n' roll like The Bradford Boys' Little Boy Blue. Speaking of rock 'n' roll: listen to the civilised swinging Uh Huh Mm laid down by Sonny James here, again with a lot of doo-wop indebted backing vocals by the way. Purer rock 'n' roll though yet still civilised and clean cut is Ersel Hickey's You Never Can Tell. Something completely different are the crazy horns of The Golden Highlights in Vodka, a Tequila-like Frolic Dinner titty shaker instrumental. Jack Larson's Roaches is a novelty stroll undoubtedly intented to supposedly be funny, The Cookies' I Want A Boy For My Birthday and The Permanents' Oh Dear What Can The Matter Be are girl pop, and Bill Haley & the Comets' upbeat Spanish Twist from 1961 on Gone Records when Haley's hit days were long gone is not only indeed a twist but above all a catchy tune the lyrics of which refer to Haley's Mexican period. The CD also includes a version of Spanish Twist sung in Spanish by Madrid's Mike Rios con los Relampagos who turn this twister into a guitar rocker! In Bad Man Of Missouri Jimmy Ricks (ex-Ravens and Lavern Baker's duet partner in You're The Boss) & the Suburbans sound like The Coasters gone popcorn, and Ann Cole's compelling beautifully constructed uptempo gospel infused popcorn noir Each Day benefits from addictive backing vocals. She must have been quite a gal, furthermore rockin' up I've Got A Little Boy and offering a rockin' rendition of Muddy Waters' blues classic Go My Mojo Working. There's an odd story attched to Got My Mojo Working, a song written by one Preston "Red" Foster. The original version was recorded in 1956 by Ann Cole, but the 45 was not yet out when she sang it during a tour with Muddy Waters who liked it so much that he recorded it himself in 1957. Since Cole's version wasn't out yet and he didn't remember the lyrics very well, Waters wrote his own lyrics which appeared on the 45 under his name as the author, et voilà, from that moment on Go My Mojo Working went down in history as a Muddy Waters blues classic. Strange how things work out sometimes... I'm Ready, Right Now and Walking Home From School are on the CD in Fats Domino's and Gene Vincent's familiar versions, Tears On My Pillow on the other hand we hear in Chuck Jackson's cover version which is almost operatic and therefore the odd one out on the CD. Little Anthony & the Imperials are featured with another Bradford song titled Wishful Thinking, a ballad echoing Tears On My Pillow, and there's also a French version of Right Now titled Le Temps Est Lent by Eddy Mitchell & les Chaussettes Noires. A number of the songs here sound a bit similar which is perhaps not illogical, but the CD still comes recommended for anyone with a healthy interest in doo-wop. Apparently the elusive Sylvester Bradford is still alive, in which case he must be 81 years old. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

31 januari 2024

LAUNDRY SESSIONS/ THE LAZY TONES
El Toro, ETCD7039

English version: see below

Om meteen ter zake te komen: dit is geen rock 'n' roll maar blues. Toch willen we u dit meegeven omdat El Toro een rock 'n' roll label is, het artwork er 100 % rock 'n' roll uitziet, en drummer Jesus Lopez bij heel wat Spaanse en zelfs Portugese rockabilly bands speelt. Hij was er trouwens niet bij op The Lazy Tones' vorige (enige?) CD uit 2016 getiteld Juke Joint Bound waarop ook een piano meespeelde die op deze 6 track CD niet aanwezig is. Het kwartet komt uit Valencia en uit de blues scene, en bezigt de bezetting zang-gitaar, contrabas, drums en mondharmonica. Nu zit rockin' blues, een genre dat op zich altijd al heeft bestaan, momenteel natuurlijk in de rock 'n' roll lift dankzij het succes van bands als Kokomo Kings, Joakim Tinderholt en Nico Duportal. Blues dus, met name de Chicago blues essentie van de eerste Chess platen, zo lees ik, maar omdat Chess voor mij synoniem staat met Chuck Berry en Bo Diddley ken ik daar te weinig van om een gefundeerd oordeel over die vergelijking te vellen. Wel herken ik tussen de zes nummers covers van Jimmy Rogers (een zwaarder, dreigender Sloppy Drunk) en Jimmy Reed (het zwaar slepende Natural Born Lover) en kan ik uiteraard emotioneel reageren op het gebodene. Sommige nummers beginnen bijna semi-akoestisch en evolueren tot hypnotiserende bluesrock. My Blame is mysterieus en mikt op de heupen, Look-A-Here is een vrolijk strollende opgewekte instrumental. De zang klinkt internationaal, alle zes nummers zijn geïmpregneerd door de mondharmonica die in wisselwerking speelt met de leadgitaar, en zelfs de bluesklassieker Baby Please Don't Go klinkt fris. Na een paar keer beluisteren ben ik helemaal mee, wat best een compliment is aangezien ik helemaal niet blues minded ben. Kortom, proberen maar! Info: www.eltororecords.com and www.facebook.com/thelazytones (Frantic Franky)

Let's get right down to the point: this is not rock 'n' roll but blues. Still we'd like to inform you about this release as El Toro is a rock 'n' roll label, the artwork looks 100% rock 'n' roll, and drummer Jesus Lopez plays in several Spanish and even Portuguese rockabilly bands. He was not on their previous (only?) CD from 2016 titled Juke Joint Bound on which there was also a piano which is absent from this 6 track CD. The quartet hails from Valencia and from the blues scene with a line up of vocals-guitar, double bass, drums and harmonica. Obviously the rockin' blues genre which has always existed is currently quite popular in the rock 'n' roll world thanks to the success of bands like The Kokomo Kings, Joakim Tinderholt and Nico Duportal. So blues it is, notably the Chicago blues essence of the first Chess records - at least that's what I read, because as for me Chess is synonymous with Chuck Berry and Bo Diddley, I don't know enough about to validate that statement. However I do recognise among the six songs covers of Jimmy Rogers (a heavier, more menacing Sloppy Drunk) and Jimmy Reed (the heavy grinding Natural Born Lover) and of course I react emotionally to what is on offer here. Some songs start in an almost semi-acoustic way and evolve into hypnotising blues rock. My Blame is mysterious and aims for the hips, Look-A-Here is an upbeat strolling instrumental. The vocals sound international, all six tracks are impregnated by the harmonica that interacts with the lead guitar, and they even manage to breath new life into the old blues classic Baby Please Don't Go. After a couple of spins I started to get it and dig it, quite a compliment since I'm not blues minded at all. Give it a try! Info: www.eltororecords.com and www.facebook.com/thelazytones (Frantic Franky)


DEADLINES/ JOAKIM TINDERHOLT
Big H Records, BIGHCD2301

English version: see below

Joakim Tinderholt staat voor een mix van gitaarblues, bluesrock, Bo Diddley, rechtdoor rock 'n' roll, rhythm 'n' blues swing en swamp pop, dat alles vertolkt met veel soul, een recept dat er bij velen ingaat als koek, ook binnen de rock 'n' roll scene. Zijn derde album begint met de titeltrack, alweer zo'n moderne rocker met bluesgitaar, opgevrolijkt met een boogie piano en voorzien van een enigszins uit de toon vallend achtergrondkoortje. De medium tempo stomper Don't Look Now, opnieuw met een opvallende rol voor de piano, krijgt een sleazy sfeertje door de platte saxofoon van gastmuzikant Sax Gordon Beadle. Love Is A Four Letter Word, het rustige I Ain't Rich en Can I Change My Mind (Tyrone Davis in 1968) met Hammond B3 orgel, het soulvolle Love Is Amazing (Robert Ward & the Ohio Untouchables in 1962) en (That's) How I Got To Memphis (Tom T. Hall in 1969) zijn commerciëlere blues zoals een Robert Cray die zou kunnen maken, de bluesrocker Too Late is net niet overgeproduced en meer rock dan blues, en ook met nummers als het wat gospel-achtig jubelend You Don't Love Me (Tommy Hodge & Ike Turner's Kings Of Rhythm in 1959) met uitfreakende bluesgitaar solo speelt Tinderholt op veilig. Wij prefereren uiteraard de cover van Eddy Clearwater's Chuck Berry kopie Hillbilly Blues. Op alle tien tracks is Tinderholt's gitaarspel op het scherp van de gulden snede en op het randje van vervorming, en zijn stem is fantastisch. Helaas bevat de CD te weinig rock 'n' roll en te veel Robert Cray waardoor Deadlines veel gladder is dan Tinderholt's eerdere werk. Hij zal er geen fans in de rock 'n' roll scene mee bijwinnen, maar wie Wie You Gotta Do More (2014) en Hold On (2017) tot zijn favoriete albums rekent zal wellicht meegaan in dit nieuwe hoofdstuk van de Noorse ba(a)rd. Info: www.bighrec.com and www.joakimtinderholt.com (Frantic Franky)

Joakim Tinderholt soaks a mix of guitar blues, blues rock, Bo Diddley, straight forward rock 'n' roll, rhythm 'n' blues swing and swamp pop in a lot of soul, coming up with a recipe that goes down well with many, even within the rock 'n' roll scene. His third album kicks off with the title track, another modern rocker with blues guitar, spiced up with boogie piano and featuring a rather out-of-place background chorus. The medium tempo stomper Don't Look Now, again with a important role for the piano, is given a sleazy vibe thanks to guest musician Sax Gordon Beadle's low down dirty saxophone. Love Is A Four Letter Word, the mellow I Ain't Rich and Can I Change My Mind (Tyrone Davis in 1968) with Hammond B3 organ, the soulful Love Is Amazing (Robert Ward & the Ohio Untouchables in 1962) and (That's) How I Got To Memphis (Tom T. Hall in 1969) are a more commercial style of blues music like Robert Cray could make 'em, the blues rocker Too Late is at the point of overproduction and more rock than blues, and even with songs like the somewhat gospel-like jubilant You Don't Love Me (Tommy Hodge & Ike Turner's Kings Of Rhythm in 1959) with the blues guitar solo freakin' out Tinderholt plays it on the safe side. We obviously prefer his cover of Eddy Clearwater's Chuck Berry copycat Hillbilly Blues. On all ten tracks Tinderholt's guitar playing is on the cutting edge as well as on the edge of distortion, and his voice sounds fantastic. Unfortunately the CD contains not enough rock 'n' roll and too much Robert Cray, making Deadlines much smoother than Tinderholt's earlier work. He's not gonna win any new rock 'n' roll fans, but if his You Gotta Do More (2014) and Hold On (2017) are among your favourite albums you will probably join the Norwegian in this new chapter. Info: www.bighrec.com and www.joakimtinderholt.com (Frantic Franky)

17 januari 2024

WET OUR WHISTLES/ BASEMENT BOPPERS
AYCB, AYCB105
English version: see below

Dit Italiaanse trio werd opgericht eind 2020 door Eugenio Pritelli (zang, gitaar, Rock 'n' Roll Kamikazes), Zimmy Martini (contrabas, Lucky Strikes) en Fabrizio Casadei (drums, Good Fellas, Lucky Lucianos, Benny & the Cats, Jumpin' Shoes). De heren komen dus uit heel verschillende bands, wat zich weerspiegelt in de verscheidenheid aan muzikale stijlen die ze met hun toch traditionele rockabilly trio bezetting tentoon spreiden op hun debuutalbum met elf eigen nummers + één cover, de ballade Just You (And I) van David Lynch & Angelo Badalamenti en dan weet u dat dat uit Twin Peaks komt, meer bepaald uit seizoen 2, hier omgetoverd tot pop meets ska meets doo-wop meets luie schuiftrombones. I Know You Know It Too opent het album in een uptempo doch bluesy swamp sfeer met microfoonvervorming op de stem, en die blueslijn wordt doorgetrokken in I’ve Always Got Your Back dat flarden Creedence Clearwater Revival en Tony Joe White oproept en in de medium tempo rechtdoor twaalf maten blues stroll We’re Rockin’ At Midnight. De andere pijler waarop dit album steunt bewijst dat Basement Boppers heus nog wat anders kunnen dan de blues uithangen: Stop Ruining Our Party en You’re Gone zijn aanstekelijke springerige pop gitaarrock, en Wet Our Whistles (In July) met zijn jazzy gitaarsolo en de ballade Why Don’t You Just Leave Her Alone vlijen zich ook gezellig in de melodieuze semi-akoestische pophoek - voor alle duidelijkheid: het woord "pop" is in deze niét negatief bedoeld. Daarin gaan ze ver hoor: Basement Times is zo'n trage ska dat het reggae wordt! Tussen de bedrijven door kan u rocken op Basement Bop, Hey Hey Hey Get Ready of het urgente Sunday Everyday, nummers waarin naast toch ook weer pop akkoorden ook sixties elementen opduiken. Wet Your Whistle is zeker niet je doorsnee rock 'n' roll/ rockabilly plaat, maar een erg afwisselend album in een clevere mix van rock, blues en pop die uw aandacht waard is als u verder kijkt en luistert dan alleen maar one two three o'clock rock en Teddy Boy Boogie. Basement Bop en I've Always Got Your Back verschenen intussen met extra sax op vinyl single in een oplage van 300 stuks. AYCB (All You Can Beat) is een Italiaans alternatief label. Info www.facebook.com/basementboppers en www.allyoucanbeat.bandcamp.com.. Als ik het daarop goed lees is de LP (zelfde bestelnummer) uit in een oplage van 200 exemplaren en de CD in een oplage van amper... 50 exemplaren! (Frantic Franky)

This Italian trio was formed in 2020 by Eugenio Pritelli (vocals, guitar, Rock 'n' Roll Kamikazes), Zimmy Martini (double bass, Lucky Strikes) and Fabrizio Casadei (drums, Good Fellas, Lucky Lucianos, Benny & the Cats, Jumpin' Shoes). They come from very different bands, which is reflected in the variety of musical styles they display with what is basicly a traditional rockabilly trio line-up on their debut album's eleven original songs + one cover, the ballad Just You (And I) by David Lynch & Angelo Badalamenti and then you know it's from Twin Peaks, more specifically from Season 2, transformed into pop meets ska meets doo-wop meets lazy slide trombones. I Know You Know It Too kicks off the album with an uptempo yet bluesy swamp vibe with microphone distortion on the vocals, and this bluesy approach continues in I've Always Got Your Back which evokes the stylings of Creedence Clearwater Revival and Tony Joe White, and in the medium paced straight ahead twelve bar blues stroll We're Rockin' At Midnight. The other pillar on which this album rests proves that Basement Boppers master other styles as well: Stop Ruining Our Party and You're Gone are catchy bouncy poppy guitar rock, and Wet Our Whistles (In July) with its jazzy guitar solo and the ballad Why Don't You Just Leave Her Alone also feel right at home in the melodic semi-acoustic pop corner - and just to be clear: I do not use the word "pop" here in a negative sense. The trio stretches the boundaries of the rockabilly paradigm even more in Basement Times, a ska song so slow that it becomes reggae! In between you can rock out to Basement Bop, Hey Hey Hey Get Ready and the urgent Sunday Everyday, songs in which sixties elements crop up alongside pop chords. Wet Your Whistle is certainly not your average rock 'n' roll/ rockabilly record, but it's a very varied album cleverly mixing rock, blues and pop, and it's worth your attention if you look and listen beyond one two three o'clock rock and Teddy Boy Boogie. In the meantime the band released Basement Bop and I've Always Got Your Back with extra sax on a vinyl 45 in an edition of 300 kopies. AYCB (All You Can Beat) is an Italian alternative label. Info www.facebook.com/basementboppers and www.allyoucanbeat.bandcamp.com. According to what I read there there is a vinyl LP version of this album (same order number) of 200 kopies while the CD was manufactured in an edition of only 50 kopies! (Frantic Franky)


BACK TO THE BLUE SIDE/ THE COUNTRY SIDE OF HARMONICA SAM
Sleazy, SRCD66-80
English version: see below

Na drie albums op El Toro sinds 2013 is dit het eerste album op Sleazy van de beste country band ter wereld die uit... Zweden komt! Hoe komt het toch dat Zweden zo goed zijn in het kopiëren van oude muziekstijlen? Want dat zijn ze al sinds ze in de jaren '90 de authentieke rockabilly begonnen te kopiëren. Nu schijnt Zweden wel een kleine doch levendige country scene te hebben, maar dat verklaart nog niet waarom de uit de western swing afkomstige Peter Andersson (pedal steel), Ulrik Jansson (contrabas) en Patrik Malmros (drums), de uit de bluegrass afkomstige Johan Bandling Melin (lead gitaar) en Harmonica Sam zelf (zang, akoestische ritmegitaar) een Amerikaans muziekidioom van 70 jaar geleden zo fantastisch onder de knie hebben. Nog straffer: Harmonica Sam alias Samuel Andersson deed dat al eerder in een heel ander genre en met een heel ander instrument als mondharmonicaspeler bij The Kokomo Kings en bij The Domestic Bumblebees, vandaar ook zijn artiestennaam. Komt nog bij dat The Country Side Of Harmonica Sam het ook live on stage kan waarmaken en er zelfs nog een extra dimensie aan toevoegt door een al even perfecte show neer te zetten, en dat door eigenlijk niéts te doen qua show, want ze staan daar allemaal netjes onbeweeglijk in hun kleurrijke western pakjes, Stetson schuin op de oren en de haren netjes gekamd: The Country Side Of Harmonica Sam live lijkt of je oude videoclips van country shows uit de jaren '60 aan het kijken bent. Volgens mij mag je niet meedoen met de band als je lang haar hebt! Tot en met de door Chris Wilkinson van The Bonneville Barons ontworpen hoes, het hele plaatje klopt 100 %, en net als die country LP’s uit de jaren '60 zitten de 14 afwisselend trage, medium en uptempo songs, 4/4 shuffles, juist-na-de-beat shuffles en rumbas vol woordspelletjes - en lijken alle 14 songs op elkaar, zo goed zijn hun perfecte imitaties van de country uit de jaren '60 zowel vocaal als muzikaal, vanaf de aftikkende viool in de intro van I've Overstayed My Welcome In Your Heart, de zalige pedal steel en de occasionele twang tot de glijdende hoge stem met een aardappel in de mond en de bescheiden backing vocals, met net als op sommige van de vorige albums onopvallende gastrollen voor piano en fiddle. En zijn het nu alle 14 onbekende covers? Néé! Er staan vijf covers op van Justin Tubb (Take A Letter Miss Gray uit 1963), Hank Cochran (Has Anybody Seen Me Lately uit 1968), Carl Smith (The Little White House uit 1960 en More Habit Than Desire uit 1961) en het door Ronnie Self geschreven Wanted (geen idee wie het zong), maar negen songs zijn verrassend genoeg gloednieuw. Vijf kwamen er uit de pen van de Frans-Canadese classic country zanger Theo Lawrence die van Bordeaux verhuisde naar Austin, Texas, I've Overstayed My Welcome In Your Heart is van de Zweedse countrymuzikant Dan Englund die de titeltracks van hun vorige drie albums schreef, en If This Table Could Talk en Tearing Her Heart Out zijn van country traditionalist Jake Penrod uit Austin. Aan I'm Not Supposed To Love You tenslotte hangt een merkwaardig verhaal vast: het werd geschreven door een zekere Betty Jean Lewis uit Texas wier zoon contact opnam met The Country Side Of Harmonica Sam om te zeggen dat zijn moeder sinds 1974 songs schreef. Om een lang verhaal kort te maken: dit is de eerste keer dat een liedje van haar hand werd opgenomen!
Net als zijn drie voorgangers is Back To The Blue Side ideaal voor wie houdt van de klassieke country van eind jaren' 50 begin jaren '60 van mensen als Faron Young, George Jones, Bobby Bare, Ray Price, Lefty Frizell, Webb Pierce, Skeets MCDonald, Billy Walker en Buck Owens. Het nummer Tell Her verscheen op vinyl single Sleazy SR246, maar de B-kant daarvan, This Train, staat niét op dit album dat ook uit is op vinyl, bestelnummer SRLP51. Info: www.sleazyrecords.com and www.thecountrysideofharmonicasam.com (Frantic Franky)

After three albums on El Toro since 2013 here's the first album on Sleazy by the best country band in the world all the way from... Sweden! How come the Swedes are so good at copying old music styles? Cos that's what they've been doing ever since they started recreating authentic rockabilly in the 1990s. So Sweden does seem to have a small yet vibrant country scene, but that still doesn't explain why western swingers Peter Andersson (pedal steel), Ulrik Jansson (double bass) and Patrik Malmros (drums), bluegrass musician Johan Bandling Melin (lead guitar) and Harmonica Sam himself (vocals, acoustic rhythm guitar) so perfectly mastered an American music idiom from 70 years ago. Even stranger: Harmonica Sam aka Samuel Andersson did the same thing before with an entirely different music genre when he played the harmonica with The Kokomo Kings and with The Domestic Bumblebees, hence his stage name. What's more, The Country Side Of Harmonica Sam lives up to their reputation live on stage and even adds an extra dimension by recreating the country concerts of yesteryear, which they do by actually not doing anything at all in terms of a stage act, as they all stand there motionless in their colourful western suits, Stetson tilted to one side over their ears and their hair neatly combed: The Country Side Of Harmonica Sam live on stage is like watching old video clips of country shows from the sixties. I think you are not allowed to join the band if you have long hair! Right down to the cover designed by The Bonneville Barons' Chris Wilkinson, the whole picture is 100 % period perfect, and just like when you're playing one of those country LP’s from the sixties the 14 tracks on Back To The Blue Side alternate slow, medium and uptempo songs, 4/4 shuffles, right-behind-the-beat shuffles and rumbas full of wordplay - and all 14 songs sound alike, that's how well they copy sixties country both vocally and musically, from the violin countdown in the intro of I've Overstayed My Welcome In Your Heart, the joyous pedal steel and the occasional twang to the slide in Harmonica Sam's high voice which sounds like's he's chewing on a potato and to the modest backing vocals, with as on the previous albums hidden guest spots for piano and fiddle. So are all of the 14 songs unknown covers? Nope! There's five covers from the likes of Justin Tubb (Take A Letter Miss Gray from 1963), Hank Cochran (Has Anybody Seen Me Lately from 1968), Carl Smith (The Little White House from 1960 and More Habit Than Desire from 1961) and a song titled Wanted written by Ronnie Self (no idea who sang it), but - surprise, surprise - nine songs are brand new. Five came from the pen of French-Canadian classic country singer Theo Lawrence who moved from Bordeaux to Austin, Texas, I've Overstayed My Welcome In Your Heart is by Swedish country musician Dan Englund who wrote the title tracks of their previous three albums, and If This Table Could Talk and Tearing Her Heart Out are by Austin country traditionalist Jake Penrod. I'm Not Supposed To Love You has remarkable story attached, as it was written by one Betty Jean Lewis from Texas whose son contacted The Country Side Of Harmonica Sam to say that his mother had been writing songs since 1974. To make a long story short: this is the first time ever one of her songs has been recorded!
Like its three predecessors, Back To The Blue Side is ideal for those who love the classic late fifties and early sixties country sound sung by masters like Faron Young, George Jones, Bobby Bare, Ray Price, Lefty Frizell, Webb Pierce, Skeets MCDonald, Billy Walker and Buck Owens. The song Tell Her appeared on vinyl 45 Sleazy SR246, but its flipside, This Train, is not on this album. The album itself has also been released on vinyl SRLP51. Info: www.sleazyrecords.com and www.thecountrysideofharmonicasam.com (Frantic Franky)

CD Recensies

10 januari 2024

BEWARE! INSECTS AND SPIDERS!
Bear Family, BCD 17741
English version: see below

Net te laat verschenen voor Halloween maar dat geeft niet want dit is het soort CD dat je het hele jaar kan opleggen: 28 nummers over insecten, spinnen (biologisch gezien zijn dat geen insecten, want spinnen en insecten zijn twee aparte groepen geleedpotige dieren) en ander kruipend en vliegend gekriebelte. Weet je wat ik zie als ik gedronken heb? Allemaal beestjes! Geen onderwerp voor rock 'n' roll? Ik kan er anders zo voor de vuist weg een paar opnoemen: The 2000 Pound Bee van The Ventures en de Beatnik Fly van Johnny & the Hurricanes. Die staan hier niet op, een paar andere bekende voorbeelden wel zoals Bumble Bee van Lavern Baker en aan het andere eind van de muzikale regenboog Hank Williams voor één keer niet aan de country klaagmuur maar grappend en grollend de vliegen van zich afslaand in het uptempo Fly Trouble uit 1947. Dat dit griezelkabinet al altijd heeft bestaan in de populaire muziek blijkt uit de oudste opname hier, Buzzin' Around With The Bee van Lionel Hampton, een instrumental uit 1937 maar swingend als de - inderdaad - beesten, zij het niet alleen op saxofoon en piano maar ook op cornet en op Hampton's handelsmerk, de vibrafoon. Het instrumentale - heel veel instrumentals op deze CD - Green Hornet Theme is het thema van de TV reeks The Green Hornet die in 1966-1967 26 afleveringen lang op de Amerikaanse TV inspeelde op het succes van Batman met Bruce Lee als assistent van The Green Hornet, personage gebaseerd op de gelijknamige superheld in 1936 bedacht voor de radio. Dat thema werd gecomponeerd door Billy May maar is gebaseerd op De Vlucht Van De Hommel, een door het gezoem van de hommel geïnspireerd orkestraal interludium uit de vergeten opera De Geschiedenis Van Tsaar Saltan van de Russische componist Nikolaj Rimski-Korsakov uit 1899-1900 dat reeds als thema voor de Green Hornet werd gebruikt op de radio. May's bewerking zoals op TV te horen was uptempo detective jazz, de versie van Buddy Merrill hier op de CD is meer rock 'n' roll in de stijl van het thema van The Munsters. Een andere bewerking van dit klassieke intermezzo is Winnifred Atwell's instrumentale piano boogie versie. Uit hetzelfde jaar 1966 als het Green Hornet Theme en daar dus ongetwijfeld op inspelend is het gitaar/orgel fuzz werkje Hornet's Nest van Curtis Knight & the Squires met op leadgitaar... Jimi Hendrix!
Verwijst de "heLP me" in de op exotica gezette parlando novelty The Spider And The Fly van Bobby Christian naar de Vincent Price film The Fly? Dat kan, want ze komen allebei uit 1958. Ook John Zacherley, de muzikale tegenhanger van horror acteur Vincent Price, is van de partij met een ander nummer met dezelfde titel The Spider And The Fly, dit keer novelty parlando met versnelde smurfenstemmetjes op een enigszins creepy ragtime pianomuziekje. De half Spaans half Engelse mambo swing Cucaracha Boogie uit 1953 had een pachuco bewerking van La Cucaracha kunnen zijn maar is made in Belgium op Ronnex Records door orkestleider Freddy Sunder die ooit ook nog rock 'n' roll swing opnam en die de Oude Belgen nog kennen van zijn latere functie als dirigent van het BRT televisie orkest.
Veel instrumentals, hadden we gezegd, net niet de helft van de 28 tracks. Zo is Black Widow van The Nobles opwindende instro surf gemaakt door een groep uit Texas, en Tarantula was in 1964 de B-kant van de enige solo single van Bob Regan, de helft van Bob & Lucille van Eeny Meeny Miney Mo, een groovy gitaar boogie met veel wah wah-achtige effecten. Een andere instrumentale Tarantula komt van Bruce Gist & the Invaders die medium tempo rocken in oosterse sferen. In totaal staan hier niet minder dan vier tracks getiteld Tarantula op waarvan één door een groep genaamd.... The Tarantulas, met in de gelederen gitarist Bob Tucker die ooit nog bij Bill Black's Combo speelt. Hun Tarantula is een orgel/gitaar instrumentaaltje met een Telstar sfeertje, zij het dat The Tarantulas hun Tarantula opnamen vòòr Telstar. De vierde Tarantula is in medium tempo twangy Duane Eddy stijl van The Storms, een groep met Jody Reynolds. Nog meer spinnekoppen kruipen rond in de kobbewebben van de stroll Spider Walk van The Sabres, en Abie Baker's trage eerder detective jazz klinkende instrumental The Web is het thema uit de SF horror film The Brain That Wouldn't Die (1962). The Bug van The Swing Kings is een primitieve gitaar instro, en Link Davis's Beatle Bug dateert uit 1964. Die "Beatle" doet uiteraard denken aan The Beatles, maar daar heeft dit nummer absoluut niets van doen: deze Beatle Bug is een zware instrumentale rechtdoor saxofoon rocker. Martin Denny's instrumentale Tsetse Fly is anderzijds niet zozeer exotica dan wel schatplichtig aan het speelse van Esquivel.
Maar we waren gekomen voor rock 'n' roll, en die wordt verzorgd door Chubby Checker's stevige twister The Fly waarop je naar believen ook kan jiven. Geen idee hoe je de fly moet dansen? Bekijk de clip op YouTube en brush up op je armzwieren. Minder bekend zijn Chet "Poison" Ivey (de goeie zwarte jiver Lady Bug) en Jack Hammer, want de Jack Hammer van Jack Hammer & the Pacers hier is niet de zwarte componist van Great Balls Of Fire die begin jaren '60 de Europese twistkoning werd omdat ze bij ons geen Chubby Checker hadden. Deze Jack Hammer & the Pacers zijn een groep onder leiding van rockabilly Werly Fairburn! Vandaar allicht dat hun Black Widow Spider Woman uit 1959 prima rock 'n' roll, een iets cleanere uitvoering van white rock met een sax solo die klinkt als een zoemende vlieg. The Bug van malloot Gene Maltais is chaotischer, en Grasshopper Rock van Link Davis is exemplarische Starday rockabilly stomp met saxofoon uit 1956. Little Cricket is sympathieke teen rock met saxofoon van The Royal Teens, dezelfde Royal Teens van Short Shorts met in de rangen Bob Gaudio die later The Four Seasons oprichtte. Get Away Fly is een vokale of op zijn minst parlando jazzy sax/gitaar stroll van saxofonist Buddy Lucas. Is die diepe welluidende stem van Lucas zelf of is dit een gastvokalist? Het booklet van 16 pagina’s dat track per track foto’s en uitleg over de artiesten verschaft blijft het antwoord schuldig. Een nog diepere welluidender stem had de zoetgevooisde Brook Benton die een rustige doch onweerstaanbare Bo Weevil Song neerlegt, een nummer dat eerder werd opgenomen door Eddie Cochran (Cochran's versie staat niet op de CD) maar waar Benton toch zijn eigen naam onder zette als componist, hoewel beide songs teruggaan op een stokoude blues. Fats Domino had ook een Bo Weevil maar dat is een compleet andere song die hier evenmin op staat. Voor wie het zich afvraagt: de boll weevil heet in het Nederlands katoensnuitkever en vormde/vormt in de Verenigde Staten een bedreiging voor de katoenteelt. Moon Mullican's Wedding Of The Bugs focust voor één keer op een mooie gitaarklank in plaats van Mullican's piano op het voorplan te brengen en is daarmee een van zijn rockendste opnames, zij het niet bepaald wild. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

Released just too late for halloween, which doesn't matter because this is the type of CD you can enjoy all year round: 28 songs about insects, spiders (biologically spiders are not insects, as they are are two separate groups of arthropods) and other crawling and flying pesky creatures. Not a subject for rock 'n' roll? Two insect related rock 'n' roll tunes off the top of my head: The Ventures' 2000 Pound Bee and Johnny & the Hurricanes' Beatnik Fly. Those are not on here, but a few other well known examples are, such as Lavern Baker's Bumble Bee and at the other end of the musical rainbow Hank Williams, for once not at country music's wailing wall but jokingly and grumpily swatting flies in 1947's uptempo Fly Trouble. Proof that this horror cabinet has always existed in popular music can be found in the oldest recording here, Lionel Hampton's Buzzin' Around With The Bee, an instrumental from 1937 but swinging like mad, albeit not only on saxophone and piano but also on cornet and on Hampton's trademark vibraphone. The instrumental - there are many of them on this CD - Green Hornet Theme is the theme of the TV series The Green Hornet which ran for 26 episodes on American TV in 1966-1967, capitalising on the success of Batman and starring Bruce Lee as the sidekick of The Green Hornet, the character based on the eponymous superhero conceived in 1936 for radio plays. The theme was composed by Billy May based on The Flight Of The Bumblebee, an orchestral interlude inspired by the hum of the bumblebee which appeared in Russian composer Nikolay Rimsky-Korsakov's forgotten 1899-1900 opera The History Of Tsar Saltan, which had already been used as a theme for The Green Hornet on the radio. May's arrangement as heard on TV was uptempo detective jazz, Buddy Merrill's version here on the CD is more rock 'n' roll somewhat in the style of The Munsters' theme. Another arrangement of this classic interlude is Winnifred Atwell's instrumental piano boogie version. Just like the Green Hornet Theme from 1966 and thus no doubt capitalising on The Green Hornet is the guitar/organ fuzz piece Hornet's Nest by Curtis Knight & the Squires with on lead guitar.... Jimi Hendrix!
Does the "heLP me" in Bobby Christian's exotica parlando novelty The Spider And The Fly refer to the Vincent Price film The Fly? Possibly, as both are from 1958. John Zacherley, the musical counterpart of horror actor Vincent Price, is on hand with a different song with the same title The Spider And The Fly, this time novelty parlando with accelerated chipmunk voices set to a slightly creepy ragtime piano. The half Spanish half English 1953 mambo swing Cucaracha Boogie could have been a pachuco arrangement of La Cucaracha but was recorded in Belgium by orchestra leader Freddy Sunder who at one point also recorded rock 'n' roll swing and would go on to become the conductor of the Belgian television orchestra.
Like I said there are many instrumentals here, just under half of the 28 tracks. The Nobles' Black Widow for instance is exciting instro surf recorded by a group from Texas, and Tarantula was the flip side of the only solo 45 by Bob Regan, half of Bob & Lucille of Eeny Meeny Miney Mo fame, a groovy guitar boogie with lots of wah wah type effects released in 1964. Another instrumental Tarantula comes from Bruce Gist & the Invaders who rock medium tempo oriental style. In total there are no less than four tracks titled Tarantula on here, one of which is by a group called.... The Tarantulas whose ranks included guitarist Bob Tucker who at one time played with Bill Black's Combo. Their Tarantula is an organ/guitar instrumental with a Telstar vibe, even though The Tarantulas recorded their Tarantula before TheTornadoes recorded Telstar. The fourth Tarantula is played medium tempo twangy Duane Eddy style by The Storms, a group featuring Jody Reynolds. More spiders crawl around in the cobwebs of The Sabres' stroll Spider Walk, while Abie Baker's slow and rather detective jazz sounding instrumental The Web was the theme from the SF horror film The Brain That Wouldn't Die (1962). The Swing Kings' The Bug is a primitive guitar instro, and since Link Davis's Beatle Bug dates from 1964 it clearly invokes The Beatles, though it has absolutely nothing to do with them: this Beatle Bug is a heavy straightforward instrumental saxophone rocker. Martin Denny's instrumental Tsetse Fly on the other hand is not so much exotica as it is indebted to Esquivel's playfulness.
But we came here for rock 'n' roll, and that's exactly what Chubby Checker's solid twister The Fly - also fit for jiving - provides. How to dance the fly? Check the YouTube clip as there's lots of arm waving involved. Lesser known are Chet "Poison" Ivey (his Lady Bug is great black jiver) and Jack Hammer, since the Jack Hammer of Jack Hammer & the Pacers is not the black guy who wrote Great Balls Of Fire before becoming the European king of the twist due to the fact that Europe did not have Chubby Checker. Nope, the Jack Hammer & the Pacers here were a group led by rockabilly Werly Fairburn, which might explain why their 1959 Black Widow Spider Woman is dame fine rock 'n' roll that sounds like a slightly cleaner version of white rock sporting a sax solo that sounds like a buzzing fly. Certified nutcase Gene Maltais' The Bug is more chaotic, and Link Davis' Grasshopper Rock is textbook 1956 Starday rockabilly stomp with sax. Little Cricket is likeable teen rock with saxophone by the same Royal Teens of Short Shorts fame with in their ranks Bob Gaudio who later founded The Four Seasons. Get Away Fly is a vocal or at least parlando jazzy sax/guitar stroll by saxophonist Buddy Lucas. Is that deep booming voice Lucas himself or is this a guest vocalist? The 16 page booklet that provides track-by-track artists' photos and bios leaves this question unanswered. Velvety voiced Brook Benton was the owner of an even deeper voice which he used to great advantage in a relaxed yet irresistible Bo Weevil Song, previously recorded by Eddie Cochran (Cochran's version is not on the CD) which didn't stop Benton from putting down his own name as its composer, though both songs hark back to an old blues tune. Fats Domino also recorded a Bo Weevil (a beetle that feeds on cotton buds and flowers and is the most destructive cotton pest in North America) but that's a completely different song not on here either. Moon Mullican's Wedding Of The Bugs focuses for once on a clean guitar sound instead of bringing Mullican's piano to the fore, making it one of his rockinest recordings, albeit not exactly wild. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


BLUES MEETS DOO-WOP VOL. 1
Koko Mojo, KM-CD 194
English version: see below

Oei, wat nu? Ik hou van doo-wop, maar blues is niet echt mijn meug. Dat de wegen van de twee genres elkaar kruisten is op zich niet abnormaal, tenslotte namen die artiesten in dezelfde studio’s op en speelden en/of zongen ze ook vaak op elkaars platen. De proef van de pudding is, euh, hem op te eten, dus vooruit dan maar, onvervaard, met onze open oren in een stereohoek van 90 graden en zonder vooroordelen...
Ann Cole maakt van bluesklassieker Got My Mojo Working een voorbeeldige zwarte rocker met doo-woppende backing vocals door The Suburbans, en in Jimmy Reed's gitaar bluesrocker I'm A Love You vallen na één minuut tijdens de mondharmonica solo de ho ho yeah yeah achtergrondvocalen in. I Got A Mind To Leave You is een slepende bluesrocker van Hank Ballard & the Midnighters met doo-woppende backing vocals, eerder een sleazy stripteaser dan een trage twist. Een vergelijkbaar nummer is het New Orleans piano styled Tears Began To Flow van The Spiders. Een deel van de nummers is gewoon zwarte doo-wop zonder verband met de blues, bijvoorbeeld Chicken Blues van The Dominoes, I Found My Peace Of Mind van Pee Wee Crayton met The El Dorados in het getouw, Baby Baby van Pete Willis & the Four Royals, de ballade Why van Johnny Acey (géén tikfout want dit is niet Johnny Ace), de rock-a-ballad Bye Bye Baby van The Charms, Irene van The Holidays, Big Leg Mama van de enigszins buiten adem klinkende Vann Walls & the Rockets, een opvallende doo-wop versie van Baby Let's Play House door The Thunderbirds en de trage stop-starter Riot In Cell Block # 9 van The Robins, een Leiber & Stoller compositie die ik al zeker 1000 keer heb gehoord zonder ooit te denken aan blues. Een enkel nummer als Red Light van Roy Milton (de heropname uit 1961, niet zijn originele opname uit 1946) zou ik zelfs als rock 'n' roll zonder enig verband met de blues durven catalogeren. Andere nummers zijn daarentegen duidelijk gebaseerd op bluespatronen zoals de veel minder bekende Leiber & Stoller compositie Back Door Blues van Jimmy Witherspoon, Little Side Car van The Larks met in de gelederen Tarheel Slim als een van de zangers, Money Tree van Detroit Junior, Hey Sister Lizzie van de welbekende Spaniels en I Wanna Know van The Golden Gate Quartet voor één keer niet gospelend maar rockend. Ook niet in zijn gewone doen is Memphis Slim in I Guess I'm A Fool, een rustige piano ballade met vocal harmony backing vocals even breekbaar als de shellac waarop dit in 1950 werd geperst. Laat u niet misleiden door de naam van Slim's groep The House Rockers, want het nummer staat mijlenver af van zijn legendarische Rock And Rollin' The House live in Parijs in 1962. Andere nummers zoals het uptempo My Man Is A Lover van Lillian Offit with the 4 Duchesses rocken meer richting early sixties meidengroep soul. Diezelfde 4 Duchesses zijn ook te horen op de bluesslow You Don't Have To Work van bluesman Magic Sam. Nog meer vrouwenstemmen duiken op in het medium tempo Sweet Little Girl van Lynn Taylor & the Peachettes dat net geen trage ska wordt. Daarnaast staan er ook een paar nummers op die wat mij betreft gewoon blues zijn, bijvoorbeeld Frisco Blues van John Lee Hooker, naar ik aanneem weerhouden omwille van het nadrukkelijk aanwezige female achtergrondkoortje The Andantes. The Last Meal ken ik als over the top screamer van de toepasselijke genaamde Hurricane Harry, maar hier staat een veel beschaafdere en op blues gestoelde coverversie op van Chicago bluesgitarist Jimmy Rogers onder de titel My Last Meal. De bescheiden backings zijn van The Moonglows die net als Rogers op Chess Records zaten en ook meedoen op Diddley Daddy van Bo Diddley met grote bluesnaam Little Walter op mondharmonica. En allemaal achter elkaar beluisterd vallen deze 28 tracks geselecteerd door mojo man Little Victor Mac me reuze goed mee voor een CD met "blues" in de titel. Er volgen nog minstens drie andere volumes. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Oh oh... I dig doo-wop, but blues is not my cup of tea. In itself it's not abnormal that the paths of these two genres crossed as the artists recorded in the same studios and also often played and/or sang on each other's records. The test of the pudding is in the eating, so onward we march, undaunted, with our ears in a 90 degree stereo angle and without prejudice....
Ann Cole turns blues classic Got My Mojo Working into an exemplary black rocker with doo-wopping backing vocals by The Suburbans, and one minute into Jimmy Reed's guitar blues rocker I'm A Love You during the harmonica solo the oh yeah yeah yeah backing vocals join in. I Got A Mind To Leave You is a slow blues rocker by Hank Ballard & the Midnighters with doo-wopping backing vocals which is more of a sleazy stripteaser than a slow twist. A similar recording is The Spiders' New Orleans piano styled Tears Began To Flow. Some of the songs are simply black doo-wop without any real connection to the blues, for example The Dominoes' Chicken Blues, I Found My Peace Of Mind by Pee Wee Crayton helped out by The El Dorados, Pete Willis & the Four Royals' Baby Baby, Johnny Acey's (no typo as it's not Johnny Ace) ballad Why, The Charms' rock-a-ballad Bye Bye Baby, The Holidays' Irene, Big Leg Mama by the slightly out of breath sounding Vann Walls & the Rockets, a striking doo-wop version of Baby Let's Play House courtesy of The Thunderbirds and The Robins' slow stop-starter Riot In Cell Block # 9, a Leiber & Stoller composition I have heard at least a thousand times but never associated with the blues. Here and there there's a song like Roy Milton's Red Light (the 1961 re-recording, not his original 1946 recording) I would even classify as rock 'n' roll not related to the blues at all. Other songs on the other hand are clearly based on blues patterns such as Jimmy Witherspoon's much less familiar Leiber & Stoller composition Back Door Blues, Little Side Car by The Larks including Tarheel Slim as one of the singers, Detroit Junior's Money Tree, Hey Sister Lizzie by the well known Spaniels and I Wanna Know by The Golden Gate Quartet for once not singing gospel but rockin'. Also Memphis Slim is not in his usual mood in I Guess I'm A Fool, a calm piano ballad with vocal harmony backing vocals as fragile as the shellac on which this was pressed in 1950. Don't be fooled by the name of Slim's group The House Rockers for this song is miles away from his legendary Rock And Rollin' The House live in Paris in 1962. Other songs like the uptempo My Man Is A Lover by Lillian Offit with the 4 Duchesses rock more towards early sixties girl group soul. These same 4 Duchesses can also be heard on bluesman Magic Sam's slow blues You Don't Have To Work, and more female voices pop up on Lynn Taylor & the Peachettes' medium paced Sweet Little Girl which almost turns into slow ska. The CD also contains a couple of songs that as far as I'm concerned are pure blues, like John Lee Hooker's Frisco Blues probably included because of the prominently featured female background chorus The Andantes. I know The Last Meal as an over-the-top screamer by the appropriately named Hurricane Harry, but here's a much more civilised blues based cover version by Chicago blues guitarist Jimmy Rogers entitled My Last Meal. The modest backings are by The Moonglows who like Rogers were on Chess Records and can also be heard on Bo Diddley's Diddley Daddy alongside big blues name Little Walter on harmonica. Listening to the CD multiple times in a row the 28 tracks selected by mojo man Little Victor Mac strike me as quite good for a CD with "blues" in the title. At least three more volumes are underway. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)


ON THE DANCEFLOOR WITH A FINGERSNAP
Bear Family, BCD17718
English version: see below

Met je vingers knippen en in je handen klappen zijn de mooiste natuurlijke percussie geluiden die je op plaat kan zetten en daar kan digitaal eenvoudigweg niet tegen op. En er zijn nogal wat plaatjes waarin dat werd gedaan. Deze thema CD bevat 31 tracks 1952-1964 gebaseerd op de vingerknip, en als u het in Keulen hoort donderen (ook een mooi natuurlijk geluid trouwens) wijs ik u op de drie bekendste nummers op deze CD: Fever van Peggy Lee (zang, contrabas en percussie, meer was er niet nodig), King Of The Road van Roger Miller, en Sixteen Tons van Tennessee Ernie Ford. Die laatste staat hier niet op, de originele versie van auteur Merle Travis uit 1946 evenmin, wel de versie van Jimmy Dean die klinkt als zijn grote hit Big Bad John, alsmede de versie van BB King met blazers. Dat is toch een blueszanger? Nou, zo swingend als hier heb je BB King nog nooit gehoord! En voor wie Fever van Peggy Lee niet kent staat hier ook Elvis' cover uit 1960 op waarvan het arrangement is gebaseerd op Peggy Lee's cover uit 1958, niet op het origineel van Little Willie John uit 1956. Om dat soort nummers handelt het hier, dames en heren, niet noodzakelijk allemaal vingerknippend maar wel met veel minor keys, dalende baslijnen en modulaties, en met die typische verhalende wandelstructuur waaròp je kan vingerknippen, met je voet tappen en met je heupen schudden. Lekker relaxte, soms luie nummers, die vaak popcorn zijn. Knappe nummers ook: Joe Henderson's door country gitarist Grady Martin gepende Snap Your Fingers eindeloos diep gezongen met een nog meer gebronzeerde stem dan Brook Benton en zo'n kamerbrede jaren '60 Nashville sound dat Snap Your Fingers in 1962 zo'n grote hit was dat er een gelijknamige LP volgde, niet met een foto van de zwarte Henderson maar met een close up van een zorgvuldig gemanicuurde vingerknippende blanke vrouwenhand met roodgelakte nagels op de hoes. Over Brook Benton gesproken: u kan hier genieten van zijn Hotel Happiness, net als Joe Henderson's Snap Your Fingers overgoten met een royale laag gesofisticeerde Nashville violen sound en meer bepaald opgenomen in Bradley's Barn door producer Shelby Singleton. Nog dieper dan Joe Henderson zong Steve Gibson op zijn voor 1952 onwaarschijnlijk swingende Big Game Hunter. Gibson was gehuwd met zangeres Damita Joe die ook meedoet op Big Game Hunter. My Nerves lijkt gezongen door een zangeres maar is van Little Willie John die de originele versie van Fever opnam die hier niét op staat. Dat soort nummers werd eind '50 begin '60 een subgenre op zich en drong door in zowat alle muziekgenres van zwart tot blank, wat er voor zorgt dat op deze CD zowel Wynonie Harris (het voor hem rustige A Tale Of Woe), Hank Thompson (het creepy country I Cast A Lonesome Shadow) als Bill Haley (lang na zijn grote hits in 1960 met Hawk) broederlijk zij aan zij staan. Trapped In The Web Of Love van Pat Morrissey en Sweet Little Love van Al Brown & his Tunetoppers zijn crooners, Chuck Miller's Lookout Mountain heeft een detective jazz trompet, en in Nappy Brown's Coal Miner waarvan de klinkende hamer én het thema gebaseerd lijken op Sixteen Tons zitten congas en een exotische fluit. Ruth Brown's zwoele gospel Walk With Me Lord is opnieuw een Nashville productie van opnieuw Shelby Singleton met notabene alleen blanke country muzikanten, en Jack That Cat Was Clean van Al "Dr. Horse" Pittman is een kruising tussen detective jazz en beatnik parlando. Het van een vlijmscherpe gitaarlick voorziene mysterieus-exotische Cindy Lou klinkt op het eerste gehoor niet meteen als een Sun single maar was in 1957 de enige solo single op het mythische label uit Memphis van Dick Penner, bekender als de componist van Roy Orbison's Ooby Dooby samen met Wade Moore. Toegegeven, Penner's op dezelfde dag opgenomen maar onuitgebracht gebleven Move Baby Move (de gitaar klinkt exact hetzelfde), is een pak wilder, net als Bop Bop Baby, de enige andere single die Dick Penner ooit opnam, in duet met Wade Moore en ook op Sun Records. Een versnelling sneller is Johnny alias Ronnie Love's hypnotiserend Chills And Fever uit 1960, de originele uitvoering van het nummer dat vier jaar later aan de andere kant van de oceaan de debuutsingle van Tom Jones werd (in 1962 was het in Engeland al gecoverd door Jet Harris).
En zo staan er hier dus 31 op met naast veel bekende namen als Connie Francis (het twangy Fallin'), LaVern Baker (Tiny Tim), het übercoole Three Cool Cats van The Coasters met hun bongos, Cubaanse ritmes en hipster beatnik lyrics, Lorrie Collins met de stroll Heartbeat, Tommy Sands met het groovy Doctor Heartache met orgel dat een paar akkoorden van Fever leent, Sanford Clark's uptempo cover van Ray Stanley's Love Charms en The Platters met een in een viool arrangement verpakte mambo cover van Cole Porter's My Heart Belongs To Daddy uit 1938 dat u wellicht kent van Marilyn Monroe), ook een aantal door de mist der tijden vervaagde artiesten als Ben Harper (I Can't Takit No Longer), Birdie Green (Tremblin') en rode Elvis Dean Reed die in 1973 zou overlopen naar Oost-Duitsland met de western saga Pistolero. Veel mooi spul op een fantastische CD met zo goed als alle 31 goed. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)

Snapping your fingers and clapping your hands are the most beautiful natural percussion sounds that can be recorded, and digital simply cannot compete with that. They used it on quite a few records. This theme CD contains 31 tracks 1952-1964 based on the fingersnap, and if you don't have a clue what I'm talking about I point you to the three best known songs on this CD: Fever by Peggy Lee (vocals, double bass and percussion, that's all it took), King Of The Road by Roger Miller, and Tennessee Ernie Ford's Sixteen Tons. The latter is not featured here, and neither is composer Merle Travis' original recording from 1946, but Jimmy Dean's version which sounds like his big hit Big Bad John is, as well as BB King's version with horns. But that's a blues singer, isn't it? Well, you've never heard BB King as swinging as on Sixteen Tons! And for those who don't know Peggy Lee's Fever, Bear Family also included Elvis' 1960 cover here, the arrangement of which was based on Peggy Lee's 1958 cover, not on Little Willie John's 1956 original. These are the kind of songs we are dealing with here, ladies and gentlemen, not necessarily all of them fingersnapping but with lots of minor keys, descending bass lines and modulations, and with the typical narrative walking structure on which you can indeed snap those fingers, tap your feet and shake your hips. Nice relaxed, sometimes lazy songs that often fall into the category of popcorn. Beautiful songs too: Joe Henderson's Snap Your Fingers, penned by country guitarist Grady Martin and sung bottomlessly deep with an even smoother voice than Brook Benton and a wall-to-wall sixties Nashville sound that made Snap Your Fingers such a big hit in 1962 that an LP of the same title swiftly followed, not with a picture of black singer Joe Henderson but cover art sporting a close up of a white woman's carefully manicured hand with nails painted red in mid-snap. Speaking of Brook Benton: you can enjoy his Hotel Happiness here, just like Joe Henderson's Snap Your Fingers topped with a generous layer of sophisticated Nashville violin sounds and more specifically recorded at Bradley's Barn by producer Shelby Singleton. Even deeper than Joe Henderson sang Steve Gibson in Big Game Hunter which swung incredibly in 1952. Gibson was married to Damita Joe who also joins in on Big Game Hunter. My Nerves appears to be sung by a girl but is in reality by Little Willie John who recorded the original version of Fever which is not on here. This type of songs became a subgenre in its own right in the late fifties and early sixties, permeating just about every genre of music from black to white, which explains why on this CD Wynonie Harris (a quieter than usual for him A Tale Of Woe), Hank Thompson (the creepy country song I Cast A Lonesome Shadow) and Bill Haley (in 1960 with Hawk long after his big hits were gone) stand side by side. Pat Morrissey's Trapped In The Web Of Love and Al Brown & his Tunetoppers' Sweet Little Love are crooners, Chuck Miller's Lookout Mountain features a detective jazz trumpet, and Nappy Brown's Coal Miner with congas and an exotic flute borrows both the hammering sounds as well as the theme from Sixteen Tons. Ruth Brown's sultry gospel Walk With Me Lord is another Shelby Singleton Nashville production recorded with white country musicians, and Al "Dr. Horse" Pittman's Jack That Cat Was Clean is a cross between detective jazz and beatnik parlando. The mysterious exotic Cindy Lou sports razor sharp guitar licks but does not immediately sound like a Sun 45 at first hearing, yet it's the only solo outing on the mythical Memphis based label of Dick Penner, better known as the composer of Roy Orbison's Ooby Dooby along with Wade Moore. Admittedly Penner's Move Baby Move on Sun, recorded on the same day in 1957 (the guitar sounds exactly the same) but unreleased at the time, is a lot wilder, as is Bop Bop Baby, the only other 45 Dick Penner ever recorded, a duet with Wade Moore also on Sun Records. Johnny aka Ronnie Love's hypnotic Chills And Fever from 1960 is faster, the original recording of the song that four years later on the other side of the ocean became Tom Jones' debut 45 (Jet Harris had already covered it in the UK in 1962).
In total there's 31 tracks like this waiting to be discovered, mixing plenty of familiar names like Connie Francis (the twangy Fallin'), LaVern Baker (Tiny Tim), The Coasters' über cool Three Cool Cats with its bongos, Cuban rhythms and hipster beatnik lyrics, Lorrie Collins' stroller Heartbeat, Tommy Sands borrowing a few chords from Fever for the groovy Doctor Heartache with organ, Sanford Clark's uptempo rendition of Ray Stanley's Love Charms and The Platters with a mambo version wrapped up in a violin arrangement of Cole Porter's My Heart Belongs To Daddy from 1938 that you know from Marilyn Monroe), with artists that have faded into the mists of time like Ben Harper (I Can't Takit No Longer), Birdie Green (Tremblin') and red Elvis Dean Reed (he would defect to East Germany in 1973) with the western saga Pistolero. Lots of great stuff here on a fantastic CD with only a few average tracks in sight. Info: www.bear-family.com (Frantic Franky)


RHYTHM & BLUES HELL RAISERS VOLUME ONE: QUIET WHISKEY
Koko Mojo, KM-CD-177
English version: see below

Een nieuwe week, een nieuwe reeks van samensteller Mark Armstrong. De focus ligt op zwarte songs over drank, maar niet alleen over drank, ook over de uitspattingen welke de duivel genaamd alcohol teweeg brengt. Ik citeer "drugs, relaties, sex, moord en opsluiting". En uiteraard ook over nog meer drank. Uit het leven gegrepen! Centraal in het drinkgelag staat swingende rhythm 'n' blues saxofoon jive van grote kanonnen als Wynonie Harris wiens Quiet Whiskey begint met een muziekdoosje doch allesbehalve quiet is, Louis Jordan (Whiskey Do Your Stuff), Roy Brown (Bar Room Blues), Chuck Willis (I Rule My House), Jimmy Liggins (I Ain't Drunk), het Joe Morris Orchestra met ene Mr. Stringbean achter de microfoon (Pass The Juice Miss Lucy), Little Boy Blues (Drinkin' Little Woman met Brownie McGhee op gemene rhythm 'n' blues gitaar en Champion Jack Dupree op piano), Kansas City Jimmy's wild uptempo rockende Cheatin' Women (Tennessee Baby) en Amos Milburn's zalig medium tempo Vicious Vicious Vodka. De CD bevat uitstapjes naar de minder op jive gerichte en meer rhythm 'n' blues getinte voorloper daarvan (Jimmy Witherspoon met Drinkin' Beer, Herb Fisher die gaat voor Wine Wine Wine), meer jazzy werk (You Drink Too Much Booze van Jimmie Raney & Slim Slaughter), alsmede en naar de nòg oudere swing met Big Fat Joe The Wino van Allen Henry uit 1947 en Agnes Riley die een Big Fat Hot Dog tussen haar brood wil. Daarmee zijn we aanbeland bij de dubbelzinnige songs die meer of minder verbloemd het thema sex behandelen, waartoe ook Wynonie Harris' She Just Won’t Sell No More en het kreunende Laundromat Blues van de doo-woppende "5" Royales behoren. En waar vraagt zangeres Chubby Newsome nu eigenlijk centen voor in Where's The Money Honey? Om het restaurant te betalen? Al dat drinken leidt alleen maar tot ellende want je kan zoveel plezier hebben dat de politie moet komen, wat Eddie Boyd overkwam in Blue Coat Man, of nog erger, HeLP Murder Police. Wat The Hi-Fidelities juist zingen in dat nummer kan ik amper verstaan want het nummer is allesbehalve hi-fidelity, maar veel goeds kan zo'n titel nooit inhouden. Verschillende van de in totaal 30 songs 1947-1960 balanceren op het slappe koord tussen de pré-rock 'n' roll rhythm 'n' blues, soms gekweekt op een bedje van piano boogie woogie (Laurie Tate's Rock Me Daddy, Eddie Mack's Gonna Hoot And Holler Saturday Night, de Beer Bottle Boogie van Marylyn Scott begeleid door de band van Johnny Otis, Don't Be So Evil van bluesgitarist Lowell Fulson), en wat uiteindelijk die zwarte rock 'n' roll zou worden. Da's logisch want de titel van de reeks is Rhythm & Blues Hell Raisers en niet Rock & Roll Hell Raisers. Toch is er ook plaats voor doo-wop met The Five Keys (Come Go My Bail Louise), The Bel-Aires (White Port And Lemon Juice) en The Falcons (het zwaar strollende Sent Up), en zelfs voor pure rock 'n' roll als Shame Shame Shame van Smiley Lewis, Thurston Harris' vlotte (I Got Loaded At) Smokey Joe's met Earl Palmer op drums, en Jimmy Liggins' broer Joe Liggins die in Whiskey Women And Loaded Dice qua gezelligheid zelfs Fats Domino naar de kroon van New Orleans steekt. Alles kraakt dat het een lieve lust is, en niet alleen het bed. Deze tegenhanger van Atomicat Records' gelijkaardige blanke reeks It's A Hillbilly Booze Party is een aanrader voor mensen met een zwarte ziel. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)

Another day, another brand new series curated by DJ Mark Armstrong. This time the main theme is black songs about booze, but not only about booze, also about all the excesses the devil called alcohol brings out in man - and in woman. I quote "drugs, relationships, sex, murder and incarceration". And, of course, about even more booze. True tales from everyday life! The focus is on swinging rhythm 'n' blues saxophone jive from heavyweights like Wynonie Harris whose Quiet Whiskey starts with a music box yet is anything but quiet, Louis Jordan (Whiskey Do Your Stuff), Roy Brown (Bar Room Blues), Chuck Willis (I Rule My House), Jimmy Liggins (I Ain't Drunk), the Joe Morris Orchestra with one Mr. Stringbean behind the microphone (Pass The Juice Miss Lucy), Little Boy Blues (Drinkin' Little Woman with Brownie McGhee on mean rhythm 'n' blues guitar and Champion Jack Dupree on piano), Kansas City Jimmy's wild uptempo rockin' Cheatin' Women (Tennessee Baby) and Amos Milburn's joyous medium tempo Vicious Vicious Vodka. The CD also forays into jumpin' jive's less jive oriented and more rhythm 'n' blues tinged precursors (Jimmy Witherspoon who's Drinkin' Beer, Herb Fisher preferring Wine Wine Wine), into more jazzy territory (Jimmie Raney & Slim Slaughter's You Drink Too Much Booze), and into the even older swing with Allen Henry's Big Fat Joe The Wino from 1947 and Agnes Riley who wants a Big Fat Hot Dog between her bread. Which brings us to the double entendre songs about sex in various degrees of disguise, like Wynonie Harris' She Just Won't Sell No More and the doo-woppin' "5" Royales' moaning Laundromat Blues. And what exactly is chanteuse Chubby Newsome asking money for in Where's The Money Honey? To pay the restaurant bill? All this drinking only leads to misery because you can only have so much fun before the cops arrive, which happened to Eddie Boyd in Blue Coat Man, or even worse, HeLP Murder Police. What exactly The Hi-Fidelities are singing about in that song I can barely understand because the song is anything but hi-fidelity, but such a title can never imply a lot of good. Several of the 30 songs 1947-1960 walk the zig zag line between pré-rock 'n' roll rhythm 'n' blues, sometimes bred on a bed of piano boogie woogie (Laurie Tate's Rock Me Daddy, Eddie Mack's Gonna Hoot And Holler Saturday Night, Marylyn Scott's Beer Bottle Boogie on which she's accompanied by Johnny Otis' band, blues guitarist Lowell Fulson's Don't Be So Evil), and what would eventually become black rock 'n' roll. This of course makes sense as the title of this series is Rhythm & Blues Hell Raisers and not Rock & Roll Hell Raisers. Yet there's room for doo-wop with The Five Keys (Come Go My Bail Louise), The Bel-Aires (White Port And Lemon Juice) and The Falcons (the heavy stroller Sent Up), and even for 100 % rock 'n' roll like Smiley Lewis' Shame Shame Shame, Thurston Harris's smooth (I Got Loaded At) Smokey Joe's with Earl Palmer on drums, and Jimmy Liggins' brother Joe Liggins whose Whiskey Women And Loaded Dice rivals even Fats Domino in terms of New Orleans conviviality. Everything squeaks, and not just the bed. Recommended for people with a black soul! This black counterpart to Atomicat Records' similar white series It's A Hillbilly Booze Party comes highly recommended for people with a black soul. Info: www.vintagerockinroots.com (Frantic Franky)



Lees hier de oudere recensies

Terug naar de voorpagina